Met kritische blik bekijkt Tim
het driekwartsverloopnippeltje dat hij tussen zijn duim en wijsvinger
ronddraait. Een gleufje aan een van de uiteindes zegt hem dat daar een
sluitringetje had moeten zitten. Die is waarschijnlijk gebroken en eraf gesprongen,
zegt zijn maatje Mark, wij zullen een nieuwe op moeten snorren. Samen lopen zij
naar de werkplaats, waar zij collega Egbert tegenkomen. ‘Wat kijken jullie
moeilijk’ zegt hij. Tim legt uit wat er aan de hand is en met zijn drieën lopen
zij naar een grote metalen kast waarin een groot aantal bakken staan. De bakken
zijn gevuld met ontelbare schroeven en moeren in diverse lengtes en diktes. Sluitringetjes
zijn echter niet te vinden. Als niet veel later zich nog twee collega’s bij hen
voegen en Tim wederom zijn verhaal heeft verteld, gaat het nippeltje van hand
tot hand en graaien drie paar handen door de gevulde bakken in de kast. Dit
duurt te lang meent Mark en hij stelt voor om dan maar een boutje met twee
passende moertjes mee te nemen. Eén moertje kan dan als borg dienen. Een
collega stelt voor om het nippeltje mee naar huis te nemen, om daar een passend
sluitringetje voor op te zoeken. Iedereen vindt dat een goed idee. ‘Maar dan
moet ik wel het nippeltje hebben natuurlijk’. Op dat moment weet niemand meer
wie het nippeltje heeft of waar het is gebleven. Totdat Tim nog eens goed in de
voering van zijn jaszak voelt. Schaapachtig kijkt hij zijn collega’s aan. Dan
maakt hij zich snel uit de voeten voordat hij gekscherend een trap onder zijn
kont krijgt. Jij krijgt het ook altijd voor elkaar om verwarring te schoppen
zegt Mark als hij niet veel later het boutje en de moertjes aan elkaar
bevestigt.
vrijdag 17 november 2017
zaterdag 11 november 2017
Gedachtenstroom
In de metro zit tegenover mij een mooie
jonge vrouw. Onopvallend, kijk ik naar haar; #I-have. Haar haren zijn goudblond
en vallen oogstrelend mooi over haar ranke schouders. Even heb ik oogcontact en
ik vermoed een nauwelijks zichtbare glimlach van haar kant. Een camel kleurige jas
verhult de contouren van haar lijf, dit in tegenstelling tot haar donkergroene rok
en de wollen maillot die zij draagt. Haar handen, de mooiste die ik ooit heb
gezien liggen losjes op haar tas van leer. Aan haar voeten draagt zij in schril
contrast, maar desalniettemin modieus, een paar Allstars. Vroeger noemden wij dergelijk schoeisel basketbalschoenen.
Ter hoogte van de enkels zaten ronde schijfjes van rubber. Wij maakten daaruit
op dat de drager nu zijn enkels niet meer zou kunnen verzwikken. Wat natuurlijk
een onzinnige gedachte was, de schijfjes dienden alleen als versiering. Terwijl
mijn gedachten hun eigen weg kiezen, luister ik naar opzwepende muziek -
Nobody gonna take my head
I got speed inside my brain
Nobody gonna steal my head
Now that I'm on the road again
Oooh I'm in heaven again
I've got…
I got speed inside my brain
Nobody gonna steal my head
Now that I'm on the road again
Oooh I'm in heaven again
I've got…
en
passeer een jeugdgevangenis die ligt ingeklemd tussen een woonwijk en een
industriegebied. Dertig jaar terug was dit gebied een grote polder waarin
koeien graasden, de grutto broedde en de slobeend door kraakheldere slootjes
zwom. Daar is vandaag de dag vrijwel niets meer van over. Alles is bebouwd, en
ter compensatie is een groot deel beplant met populieren en ander snelgroeiend
groen. Alleen een vergeten laantje met knotwilgen, waarlangs een oude sloot
ligt prikkelen mijn herinneringen. Ineens kijk ik weer naar haar. Mijn blik
glijdt traag langs haar benen en pauzeert bij haar handen, die, het is warm in
de coupe, een voor een de knopen van haar mantel beroeren. Met flair slaat zij
daarvan een pand opzij. Nog voor ik mij ongemakkelijk door mijn voyeurisme voel,
gaat mijn blik naar haar gezicht en ogen die vriendelijk lichtblauw in hun
kassen rusten. Iets zegt mij dat ik op moet houden om naar haar te kijken, maar
ik kan het niet. Van een psychologe had ik ooit geleerd dat als je uit
beleefdheid iemand aan moet kijken en je voelt je daarbij ongemakkelijk, dat
het dan handig is om naar het puntje van de neus van die persoon te kijken. Dat
zou niet opvallen. Maar haar neus, die is zo mooi, dat zelfs Cleopatra jaloers
zou zijn geworden. Ik ben totaal verloren.
All day long I think of things but nothing seems to
satisfy
Think I'll lose my mind if I don't find something to pacify
Can you help me, occupy my brain?
Think I'll lose my mind if I don't find something to pacify
Can you help me, occupy my brain?
Een aantal stations verderop knoopt zij
haar jas weer dicht. Ik die even afgeleid was, ben weer vol aandacht. Dan
ineens vangt haar blik de mijne. Terwijl zij opstaat gunt zij mij een gulle
knipoog. Als verderop de metrodeuren zich openen, kijkt zij nog eenmaal
achterom. Haar alleszeggende blik trekt een siddering door mijn lijf, die zich
samenbalt in mijn maag. Dan sluiten de deuren zich en trekt het voertuig zich
in gang. Vanuit het raam zie ik haar goudgele lokken als zoete honing tussen de
menigte verdwijnen.
This is the end, beautiful friend
This is the end, my only friend, the end
Of our elaborate plans, the end
Of everything that stands, the end
No safety or surprise, the end
I'll never look into your eyes, again
This is the end, my only friend, the end
Of our elaborate plans, the end
Of everything that stands, the end
No safety or surprise, the end
I'll never look into your eyes, again
De songteksten (fragmenten) zijn
achtereenvolgend van Deep Purple, Black Sabbath en The Doors.
woensdag 8 november 2017
Keuzevrijheid
Deze
zeldzaam mooie herfstmorgen heb ik de keuze om te gaan fietsen op mijn
racefiets, of om te genieten van de natuur op Voorne-Putten. Ik besluit om mijn
‘ros’ van carbon van stal te halen. Denk nu niet dat dit een makkelijke keuze
is, want op een dag als deze doe ik beiden graag. Als ik de polder achter mij
laat en langs het Spui naar het Haringvliet fiets, strijken honderden grauwe
ganzen neer in de grasgorzen langs het water. In het ondiepe water van de
slikken pleisteren verspreid enkele grote zilverreigers. Vogelaars zitten lui
achter hun telescoop, keuvelen wat en turen over het vogelrijke terrein.
Ongemerkt ben ik langzamer gaan fietsen en dringt een onrustige gedachte zich
op: Had ik niet beter kunnen gaan vogelen. Bij de Hoornse Hoofdjes wordt deze
gedachte nog sterker, als ik een ligfiets geparkeerd zie staan. De bestuurder
daarvan ligt tegen de kade lui in de zon en staart over het strakke water naar
de overkant, waar Middelharnis blakert in de zon. Op dat moment hak ik met ‘het
zwaard’ mijn twijfel doormidden, schakel een tandje bij en concentreer mij
volledig op het zoeven van mijn dunne bandjes op het asfalt. Het aankomende
weekeinde wordt het ook mooi weer en dan ga ik op pad met mijn vriend de
Stadsvogelaar, zo zelfbenoemd omdat hij vaak in en rond de stad van zijn
vogeltjes geniet.
Het
blijft een geweldig moment om de vanaf het eiland Voorne-Putten de
Haringvlietdam op te rijden. Vandaag is het nevelig en het uitzicht over het
Haringvliet en de Noordzee met zijn scharkeringen van licht dat over de
zandplaten pal voor de kust strijkt, is haast surrealistisch. Als wij de eerste
afslag nemen en onder de N57 doorrijden, draaien wij onze raampjes een klein stukje
open om de geur van de eerste gebakken vis van die dag op te snuiven. Niet veel
later rijden wij naar de zeedijk bij de buitenhaven, parkeren de auto, klimmen
over de dijk en genieten op onze klapstoeltjes van de wadvogels op het slik.
Bontbekjes dribbelen driftig heen en weer, futen dobberen kalm op het water en
duiken zo af en toe onder voor een vette hap. In de verte op een paal tegen de
duinrand van de Kwade Hoek poetst een slechtvalk zijn verenpak; hij maakt zich
vast op voor de jacht. Als na lange tijd een groep kneuen onze aandacht trekt,
verhuizen wij naar de duinreep om daar de kleinere vogelsoorten op te sporen. Een
groepje wielrenners raast voorbij en een tijd lang ben ik stil. Mijn vriend die
mij goed kent glimlacht en zegt: “Je wilt gaan fietsen hè?”
De schrijver/vogelaar in actie. Foto uit het archief van Peter Ganzeboom
woensdag 1 november 2017
Gedicht
Zij kunnen nu
wel zeggen,
dat ik het
gevolg ben van
de geschiedenis die achter mij ligt
de geschiedenis die achter mij ligt
dat God niet
heeft gedobbeld
en dat ik er niet toevallig ben
en dat ik er niet toevallig ben
dat Darwins
evolutieleer
mijn persoonlijkheid bepaalt
mijn persoonlijkheid bepaalt
dat kan ik
wel verdragen, maar
als zij zeggen: ‘ik ben mijn brein’,
als zij zeggen: ‘ik ben mijn brein’,
afhankelijk
van complexe processen
en dus zonder vrije wil –
en dus zonder vrije wil –
Nee, die last
kan ik niet dragen.
zondag 22 oktober 2017
Vroeg wijs
Een meisje van een jaar of zeven
zet haar fiets op de standaard en loopt naar het hek dat voorkomt dat de koeien
de grazige weide ongeoorloofd zullen verlaten. Niet dat daar enige aanleiding
toe is, want de zwart-witte dames liggen lui en loom in de warme najaarszon. Ik
loop verderop op een boerenpad, een verrekijker hangt om mijn nek en mijn
handen liggen ineengevouwen op mijn rug. Af en toe richt ik de kijker op een
vlucht vogels. Niet veel later stapt het meisje op haar fiets en komt naar mij
toegereden. Hier had ik stiekem op gehoopt, want ik heb wel zin in een praatje.
‘Meneer, meneer kijkt u ook naar dieren?’
‘Ja, vooral naar vogels, want die vind ik erg leuk. En jij?’
‘Ik vind koeien leuk’.
‘Ja, vooral naar vogels, want die vind ik erg leuk. En jij?’
‘Ik vind koeien leuk’.
En zo kletsen wij een tijdje. Als ik vraag waar zij woont,
wijst zij naar de wijk verderop.
‘Daar bij die rode deur, ziet u hem?’
‘Ja, maar mag jij wel zo ver van huis van je moeder?’
‘Ja hoor, als ik maar niet met vreemde meneren praat.’
‘Maar ik ben toch ook een vreemde meneer?’
‘Nee hoor, ik ken u nu toch?’
‘Daar bij die rode deur, ziet u hem?’
‘Ja, maar mag jij wel zo ver van huis van je moeder?’
‘Ja hoor, als ik maar niet met vreemde meneren praat.’
‘Maar ik ben toch ook een vreemde meneer?’
‘Nee hoor, ik ken u nu toch?’
Dan krijgt het gesprek een wel heel serieuze wending.
‘Meneer, hoe oud moet je eigenlijk zijn om uit huis te gaan?`
‘Ik weet het niet precies, maar ik denk achttien jaar’.
‘Mijn moeder was zestien toen zij alleen ging wonen’.
‘Zestien? Dat is wel erg jong. Hoe kwam dat?´
‘Mijn oma vond haar niet meer aardig en toen heeft zij haar weggestuurd’.
‘Ik weet het niet precies, maar ik denk achttien jaar’.
‘Mijn moeder was zestien toen zij alleen ging wonen’.
‘Zestien? Dat is wel erg jong. Hoe kwam dat?´
‘Mijn oma vond haar niet meer aardig en toen heeft zij haar weggestuurd’.
Er valt een stilte. Dan vervolgt ze haar verhaal.
‘Ik heb ook een Turkse vader, maar die is weggelopen’.
‘Weggelopen?'
‘Ja, hij was altijd aan het schelden tegen mijn moeder’.
‘Maar tegen mij niet hoor, hij is best aardig en mijn moeder ook’.
‘Weggelopen?'
‘Ja, hij was altijd aan het schelden tegen mijn moeder’.
‘Maar tegen mij niet hoor, hij is best aardig en mijn moeder ook’.
‘Hoe heet jij eigenlijk?’
‘Britt, en jij?'
‘ Tino’.
‘Ik, ken wel een Pino, van Sesamstraat’.
‘O’ zeg ik lachend en blij dat het gesprek weer wat losser wordt. Ik grijp mijn kans en verzin een sprookje.
‘Pino, dat is mijn broer. Wij kwamen uit een groot vogelnest. Ik had ook allemaal blauwe veren en een grote gele snavel’.
‘Toen wilde ik een mens zijn en plukte mijn veren, maar mijn snavel kreeg ik maar niet weg’.
‘Verdrietig liep ik rond, tot ik een tovenaar tegenkwam en die toverde een mooie mond’.
‘Tovenaars bestaan niet’.
‘Nee, dat is waar en daarom is mijn verhaal maar een sprookje’.
‘Britt, en jij?'
‘ Tino’.
‘Ik, ken wel een Pino, van Sesamstraat’.
‘O’ zeg ik lachend en blij dat het gesprek weer wat losser wordt. Ik grijp mijn kans en verzin een sprookje.
‘Pino, dat is mijn broer. Wij kwamen uit een groot vogelnest. Ik had ook allemaal blauwe veren en een grote gele snavel’.
‘Toen wilde ik een mens zijn en plukte mijn veren, maar mijn snavel kreeg ik maar niet weg’.
‘Verdrietig liep ik rond, tot ik een tovenaar tegenkwam en die toverde een mooie mond’.
‘Tovenaars bestaan niet’.
‘Nee, dat is waar en daarom is mijn verhaal maar een sprookje’.
Zo liepen wij gezellig kletsend naar een kruispunt van wegen.
‘Ik fiets nog even naar het Witte Kerkje, gaat u mee?’
‘Nee, ik loop langzaam terug naar huis’.
´O, nou, dag meneer’.
´Dag Britt en wees voorzichtig’.
‘Nee, ik loop langzaam terug naar huis’.
´O, nou, dag meneer’.
´Dag Britt en wees voorzichtig’.
Langzaam veranderde het meisje in een witte vlek en smolt
ineen met het kerkje.
donderdag 19 oktober 2017
Boeren en burgers en wat zij delen
Het huis waarin ik in mijn jeugd
woonde, lag net buiten het dorp. Op het kruispunt van de bebouwde kom waar
‘mijn’ straat op aansloot, stond een groot café: Herberg de Koning. Schuin
daartegenover runde van Gemeren een bloemisterij, daarnaast stond de Nederlands
Hervormde Kerk. Naast de kerk lag de pastorie waar in een groot herenhuis de
dominee woonde, vanuit de woning kon je boerderij: Van Geslacht tot Geslacht
zien liggen aan de overkant van de straat. Met de oudste boerenzoon was ik dik
bevriend. De boer had weinig vee. Ik herinner mij een stuk of tien, vijftien
melkkoeien en evenveel kalveren. Daarnaast was hij ouderling, of had hij in
ieder geval een functie binnen de kerkgemeenschap. Mijn ouders en zeker mijn
moeder, gingen vrijer met het geloof om.
Zaterdagochtend. Haastig klem ik
de boodschappentas onder mijn snelbinders en rijd het dorp in om bij de bakker
en de slager de boodschappen voor het weekeinde te doen. Als alles meezit, kan
ik om tien uur terug zijn. Rond die tijd gaat mijn vriend Leendert naar Het Havenlicht,
een tehuis voor ‘ouden van dagen’, om daar keukenafval op te halen. Als ik
thuiskom en de boodschappen aan mijn moeder heb gegeven, ren ik naar de
boerderij. Leendert komt net met een handkar waarop twee lege melkbussen staan het
erf afgelopen. Ik groet hem en samen lopen wij op naar Het Havenlicht, een
tehuis voor ‘ouden van dagen’. Wij lopen het holletje af naar de buitendeur van
de keuken en ruilen de lege melkbussen om voor twee volle en een zak oud brood.
Nieuwsgierig kijk ik in de bussen. Een zure walm van zuivel en van voor mensen
onbruikbare etenswaar stijgt op uit de bussen, die ik snel weer sluit. De stank
is niet te harden. Later zal de brei als voedsel dienen voor het vee.
In de middag als wij over het met grof grind geplaveide erf lopen om te gaan voetballen roept de boer ons terug. Er moet eerst gewerkt worden grijnst hij naar ons. Gewapend met twee schoffels en voetbal lopen wij niet veel later naar de wei en hakken daar alsof het een lieve lust is honderden akkerdistels om. Moe maar nog niet uitgeput gaan wij daarna naar het naastgelegen speelveldje om een potje te kampen. Wij maken twee doeltjes van onze jassen die elf meter tegen over elkaar liggen en nemen om de beurt een pingel, ons lijfwoord voor een strafschop. Bij vijf doelpunten wordt er van helft gewisseld, wie er het eerste tien doelpunten heeft gescoord is winnaar.
In de middag als wij over het met grof grind geplaveide erf lopen om te gaan voetballen roept de boer ons terug. Er moet eerst gewerkt worden grijnst hij naar ons. Gewapend met twee schoffels en voetbal lopen wij niet veel later naar de wei en hakken daar alsof het een lieve lust is honderden akkerdistels om. Moe maar nog niet uitgeput gaan wij daarna naar het naastgelegen speelveldje om een potje te kampen. Wij maken twee doeltjes van onze jassen die elf meter tegen over elkaar liggen en nemen om de beurt een pingel, ons lijfwoord voor een strafschop. Bij vijf doelpunten wordt er van helft gewisseld, wie er het eerste tien doelpunten heeft gescoord is winnaar.
’s avonds na het eten wacht voor
mij het echte boerenwerk: koeien melken. Direct na het eten trek ik mijn
laarzen aan en spurt naar de boerderij, loop in draf over het erf en open de
staldeur, enkele kippen die bij gebrek aan stok op een van de balken proberen
te slapen, schrikken op en vliegen tokkend de hooizolder op. De boer is al
begonnen. Vlug vraag ik hem of ik mag helpen. “Ga eerst de kalveren maar voeren”
zegt hij, de bussen van Het Havenlicht staan al klaar. De boerin die inmiddels
ook is gearriveerd, helpt mij met het kantelen en legen van de melkbussen,
alleen had ik de klus nooit geklaard. Als alles verdeeld is geeft de boerin mij
een emmer waarin lauwwarm water en een doekje, hiermee worden de uiers en
spenen van de koeien schoongepoetst voordat zij gemolken worden. Onder het
toeziend oog van de boerin stap ik tussen twee koeien in, buk mij en wrijf
voorzichtig over de uier van een koe die strak aanvoelt. Even is zij onrustig
en schuifelt wat met haar poten. Als ik de spenen schoonmaak, druppelt er al
enige melk uit de spenen. De boerin geeft mij een krukje en bindt de poten van
de koe bij elkaar, nu kan zij niet onverwachts de emmer omtrappen. “Ga maar
zitten” zegt zij en zij geeft mij een melkemmer aan. “Probeer maar te melken
zoals ik het je gisteren heb geleerd”. Ik maak knijpende en stropende
bewegingen over de spenen en de eerste stralen spuiten in de emmer. Al gauw
krijg ik kramp in mijn handen en ook de melkgift lijkt te stoppen. Lachend
neemt de boerin het van mij over. Morgen mag ik het weer proberen.
Zondag morgen gaat het boerengezin
naar de kerk. Daarna is er koffie en houden de boer en boerin rust. De kinderen
gaan naar zondagsschool. Pas in de middag mag ik weer met mijn vriend spelen.
Het spelen bestaat voornamelijk uit wandelen of fietsen. Die dingen die wij op
doordeweekse dagen ondernemen passen niet in een zondag. Het is snikheet die
dag en al vroeg in de middag haal ik mijn vriend op. Onder mijn armen is een
opgerolde handdoek en zwembroek geklemd, het is prima zwemweer. Echter zwemmen
is taboe. Als alternatief mogen wij wel op het erf badmintonnen. Al snel gaan
wij op in ons spel. Na een tijdje is er ranja, dit keer zonder rietje. De
boerin die inziet dat zwemmen eigenlijk leuker is, knijpt een oogje toe en
alsnog duiken wij later in het water van het plaatselijke zwembad. Als
compensatie ga ik en keer met mijn vriend naar zondagsschool. Het is bij die
ene keer gebleven.
zondag 15 oktober 2017
Verdwaald
De
Man
Met
de auto en mijn fiets stevig op het fietsenrek, rijd ik naar Oostvoorne om van
daaruit op de fiets een tochtje door het duin te maken. Tegen enen wil ik bij de stal zijn waar mijn vrouw en dochter een paard hebben gehuurd. Daar
zullen wij samen lunchen.
Boven
de open vlakten van het Groene Strand hangen velden van nevel, die een vleug
watermunt in zich dragen. Bij restaurant Aan Zee beklim ik de toren. Vandaar
heb ik een goed uitzicht over de kustlijn van Voorne. Een kennis vertelde mij, zelf
ben ik niet goed bekend in deze streek, dat er een mooi fietspad door en langs
het duin loopt. Het is even zoeken, maar dan vind ik het pad: Sipkes Slag. Na
over een veerooster en een kasseienstrook te hebben gereden, verandert het pad
in een gladde strook beton; dit is pas fietsgenot. Mijmerend meander ik door de
duinen, vergeet de tijd en de plek waar ik precies ben. Verderop, mijn maag
begint te knorren, vertelt mijn horloge dat ik nog een uur heb om de stal te
vinden. Op gevoel probeer ik de weg te vinden. Als ik voor de derde keer bij
hetzelfde kruispunt ben uitgekomen, raak ik geïrriteerd. Verdorie waar blijft die verrekte stal nou, zo kom ik te laat. Ah, daar
staat een paddenstoel. Mmm, ik ben ergens tussen Rockanje en Oostvoorne, maar
waar precies? Daar komt een wielrenner, die weet vast de weg.
‘Meneer,
meneer’, weet u waar ik mij bevind?’
Een
minuut of vijf voeren wij een gesprek waarbij wij druk gebaren. Dan stappen wij
op en gaan uiteen. Een dwingende vraag rolt impulsief en luid over mijn lippen.
De renner keert moeizaam om, knikt bevestigend op mijn vraag en dan gaan wij
definitief onze eigen weg. Ik dwalend en mopperend - Met die vrouwen kun je ook nooit iets afspreken - en de wielrenner
met zijn eigen gedachten.
De
wielrenner
In
gedachten verzonken en mijn handen losjes op het stuur, trap ik met lichte tred
over de Schapendijk. Over de landgoederen links van mij jagen de schaduwen van
enkele herfstwolken elkaar na. Verderop ligt het duin, waarin ik talloze uren
heb doorgebracht. Ik herinner mij nog goed die zware novemberstorm van jaren
terug, die grote stukken van het duin had weggeslagen. Nu is de duinreep
verhoogd en verstevigd met helmgras en een schelplaag.
Hard
knijp ik in mijn remmen als een man mij wenkt. Verdikkeme net nu ik zo lekker door de bocht kan zoeven.
‘Meneer,
meneer’ roept hij in lichte paniek, ‘weet u waar ik mij bevind?
Van mijn irritatie is niets te merken als ik de man vriendelijk en geduldig de weg wijs.
‘Precies op de grens van Oostvoorne en Rockanje’ zeg ik en wijs hem aan waar beide plaatsen liggen.
‘En als ik nu daarheen rijd?’
‘Dan komt u bij een kruispunt en kunt u meer rechtstreeks naar een van beide dorpen rijden’.
‘O, dank u’.
Van mijn irritatie is niets te merken als ik de man vriendelijk en geduldig de weg wijs.
‘Precies op de grens van Oostvoorne en Rockanje’ zeg ik en wijs hem aan waar beide plaatsen liggen.
‘En als ik nu daarheen rijd?’
‘Dan komt u bij een kruispunt en kunt u meer rechtstreeks naar een van beide dorpen rijden’.
‘O, dank u’.
Nog
even kijk ik de man aan, die twijfelend aanstalten maakt om verder te rijden,
dan klik ik in mijn pedalen en zet aan om op gang te komen. Bij een volgende
pedaalslag roept de man opnieuw. Met een zucht keer ik met een ruime bocht
terug. Wat nu weer.
‘Sorry
meneer, maar als u twee vrouwen op een paard ziet, wilt u hen dan zeggen dat ik
op weg ben naar de stal?’
Ik
knik en zeg dat ik dat zal doen. Al gauw rijd ik weer een lekker tempo. Op een
paardenpad naast mij rijden twee amazones voorbij. Zouden dat? Ik kijk met sluimerend schuldgevoel achterom. De
ruiters verdwijnen net uit zicht.
Moeder
en dochter
‘Wat een
heerlijke dag weer. Ik denk dat pa het ook een goed heeft’.
‘Zeker weten dit is echt iets voor hem. Zo heerlijk relaxed op de fiets door het duin’.
‘Ja, ik ben benieuwd naar zijn verhaal. Hoe laat is het trouwens?’
‘Kwart voor een’.
‘Mmm, dan hebben wij nog een kwartier’.
‘Zeker weten dit is echt iets voor hem. Zo heerlijk relaxed op de fiets door het duin’.
‘Ja, ik ben benieuwd naar zijn verhaal. Hoe laat is het trouwens?’
‘Kwart voor een’.
‘Mmm, dan hebben wij nog een kwartier’.
Een wielrenner rijdt langs.
‘Zou dat niet
iets voor Pa zijn, wielrennen?’
Abonneren op:
Posts (Atom)