Of
het door het warme weer komt, door de zon die haar warme stralen onbarmhartig
naar de aarde stuurt, door de La Trappe — een alcoholrijk bier —, of door
beide: waar zij over spreken is nauwelijks te volgen.
‘Goed,
laten we stellen dat er een beginsel was van al wat is. Dan is er volgens mij
ook een beginsel van het bewuste leven. Dat waaruit onze driften en bedoelingen
voortkomen. Dit beginsel laat zich met woorden verder niet omschrijven. Laten
wij het Dat noemen.’
Een
van hen schiet een ober aan en vraagt naar hun bestelling. Het duurt wel erg
lang. Die verontschuldigt zich en trekt aan zijn stutten. Overvol is het
restaurant.
Buiten rijden zuchtend fietsers voorbij. Propvol is ook het buitenterras.
‘Maar
wat is nu de eigenlijke essentie, de grond van het fundament van deze
aandrijvende wil? De wil tot het gevoel: ik heb dorst, ik wil drinken; de
sturende wil van: ik moet drinken, anders krijg ik een dorstgevoel. De wil die
het gevoel stuurt en/of de ratio.’
De
bestelling wordt afgezegd. Aangeschoten wandelen de twee in vaste tred, dat
wel, dwalend door het bos. Libellen zweven voorbij, een koekoek speelt
verstoppertje, een kijkscherm lokt hen naar een vijver waar een reiger, nog
onzichtbaar maar al hoorbaar, schreeuwend overheen vliegt.
‘De
wil is het ding op zichzelf. We kunnen het niet kennen, tenzij we het zelf
zijn.’
‘En nu weet ik het niet meer. Laten we stoppen.’
‘Nee,
wacht nog even. Zijn wij het niet zelf? Je noemde het beginsel Dat. Stel dat
wij Dat zijn. Stel dat alles Dat is, dan zijn we er toch uit?’
Zwijgzaam
lopen ze verder. Een specht vliegt over, landt in een stam van een boom, kruipt
uit het zicht, loopt om de stam heen, kijkt of de kust veilig is. Zo eindigt
dit verhaal en sukkelt u als lezer vast in slaap, of juist niet.