dinsdag 7 juli 2026

 

Hand in hand lopen ze langs het speeltuintje, waar de nacht nog tussen de toestellen hangt, en langs het gebouw waar op zaterdagen de fanfare oefent. Opa en zijn kleinzoon, samen op weg naar school. Het kleine handje ligt warm in het zijne. Eens kijken, denkt opa, of hij de weg al kent. ‘Waar moeten we straks het hoekje om?’ vraagt hij. ‘Bij de bakker.’ ‘Die is er niet meer, hè. Waarom niet?’ De jongen kijkt niet op of om. ‘Die is ziek en moet in bed liggen, slapen tot hij beter wordt.’

In de straat kijken zij om zich heen en praten wat, over van alles en nog wat. Af en toe versnelt opa ongemerkt zijn pas. Anders komen we niet op tijd, denkt hij, terwijl hij doet alsof er alle tijd van de wereld is. Op een hekje zit een vogeltje. ‘Kijk eens, een mus.’ De jongen blijft staan, volkomen een met het ogenblik. Van alle kanten ziet opa kinderen naderen: met een vader of moeder, alleen, lopend of slingerend op de fiets, allemaal op weg naar het schoolgebouw. ‘We moeten doorlopen, hoor,’ zegt hij zacht. ‘Anders komen we te laat.’

Op het schoolplein kolkt het van stemmen, jassen, rugzakken en haastige groeten. Eerst de grootste bups maar laten voorgaan, vindt opa; hij weet dat sommige drukte vanzelf minder wordt als je even wacht. Bij de ingang van het plein staat een juf die iedereen welkom heet, alsof elk kind afzonderlijk binnen mag stappen in een nieuwe dag. Ook bij de voordeur staat er een. Later zullen ze wel schor zijn van al dat groeten. De kleine jongen loopt voorop, ineens zeker van zichzelf. Hij weet precies waar hij wezen moet. Aan een plank langs de muur hangt een haakje, met daarboven een sticker met zijn naam. Daar mag de rugzak hangen, net iets te hoog voor de kleine knaap.

Bij het klaslokaal worden ze opnieuw begroet. Zoveel goede wensen op één ochtend. Een jongetje schuift de stoel van de kleinzoon naar achteren, alsof hij hem verwacht. Daar mag hij zitten. Op het tafeltje ligt een wirwar van stokjes en kleurtjes klaar. Hier ga ik een toren van bouwen. Opa staat nog even in de deuropening. Dan merkt hij dat hij al niet meer nodig is. Stilletjes, sluipt hij ervandoor.

Buiten is de stoep bij de school inmiddels te smal geworden voor alles wat tegelijk wil vertrekken en aankomen. De hogere klassen stromen toe; grotere kinderen, grotere fietsen, grotere gebaren. Dan maar een stukje over de straat. Fietsen scheren rakelings voorbij, met bellen en tassen, en opa wijkt net op tijd uit. Thuis doet hij zijn verhaal. Het was hartstikke leuk, zegt hij, maar ook wennen. En om dit elke dag te doen … petje af voor al die pappa’s en mamma’s. Later denkt hij terug aan vroeger, en aan nu, aan handen die hij ooit vasthield en aan dit kleine handje van vandaag. Hij kan het nog. Hij mag het nog. En misschien is dat wel het mooiste van de hele ochtend.

 

donderdag 2 juli 2026

Traag schuift de schemering de zon achter de horizon. Wij lopen ons vertrouwde rondje. Beneden ons lossen de huizen langzaam op in vage contouren; boven ons zoekt een laatste vlucht spreeuwen naar een slaapplaats. Gaandeweg verstomt ons spreken. De vragen die wij nog in ons dragen, lijken door de wereld om ons heen beantwoord te worden — niet met woorden, maar met haar zwijgende aanwezigheid. Wanneer wij gaan zitten, beseffen wij beiden, bijna gelijktijdig, dat de wereld op zichzelf onverschillig is. Misschien maakt juist dat elke vraag die wij haar stellen overbodig. Onze antwoorden onthullen uiteindelijk minder van de wereld dan van onszelf. 

maandag 29 juni 2026

Laat in de middag gaat hij zitten op een bankje midden in de zaal. Ik observeer hem. Tientallen bananen kleven onder stroken ducttape aan de wanden. Vaag herinner ik mij er één: Comedian van Maurizio Cattelan. Levensecht. Zo zal wellicht ook dit verhaal overkomen. En toch: het beeld — niet de tekst — is geprogrammeerd met AI. Komisch, niet?

                                                                                        #

 

‘Wees tevreden,’ klinkt het in de stroom van mijn gedachten. Een klein woordje van twee letters — te — houdt de denkbeelden even tegen, alsof het hun heftige voortgang wil temperen. ‘Overal waar te vóór staat … wees daar voorzichtig mee. Te veel, te vaak. Maar hoe zit dat met tevreden?

Een klein gedachte-experiment: als er alleen maar vrede is, als je jezelf voortdurend vredig voelt en tevreden bent, zou dat dan niet spoedig gaan vervelen? Moet er niet, hoe stil ook, een innerlijk conflict bestaan om de balans te kunnen vinden — om vrede überhaupt als vrede te herkennen? Onbewust voltrekt zich dat, denk ik. Ook bij hen die nergens tegenin lijken te gaan en tevreden rusten in een toestand van permanente vrede.

Ik laat mijn gedachten stilvallen bij de laatste twee begrippen die zich aandienen: dankbaarheid en acceptatie. Pas daar de betekenis van dat kleine woordje te maar eens op toe. 

woensdag 24 juni 2026

Het verborgen gewone

Van niets naar iets
alsof het eerste
stappen zijn

Passie, even
gedoofd als vuur
in mist
Een kauwtje bukt
in het gras, kijkt
opzij

Het verborgen gewone
toont zich, schijnbaar
ongewoon
De ware ik blijft
stil, spreekt niet
is meer dan dat

vrijdag 19 juni 2026

 

Monoloog

‘Het landschap: gemaaid gras, vlas. In de verte, langs de weg: bomen als afbakening van een perceel. De zon schijnt genadeloos — fel en warm. Als ik het niet zie; sterker nog, als het niet wordt waargenomen en als het ware op zichzelf is, is het zonder betekenis. Pas als ik mijn gevoelens over wat ik ervaar onder woorden breng — al is het in gedachten — krijgt het betekenis; is het niet meer op zichzelf. Het landschap als spiegel van de ziel.’

dinsdag 26 mei 2026

 

Of het door het warme weer komt, door de zon die haar warme stralen onbarmhartig naar de aarde stuurt, door de La Trappe — een alcoholrijk bier —, of door beide: waar zij over spreken is nauwelijks te volgen.

‘Goed, laten we stellen dat er een beginsel was van al wat is. Dan is er volgens mij ook een beginsel van het bewuste leven. Dat waaruit onze driften en bedoelingen voortkomen. Dit beginsel laat zich met woorden verder niet omschrijven. Laten wij het Dat noemen.’

Een van hen schiet een ober aan en vraagt naar hun bestelling. Het duurt wel erg lang. Die verontschuldigt zich en trekt aan zijn stutten. Overvol is het restaurant.
Buiten rijden zuchtend fietsers voorbij. Propvol is ook het buitenterras.

‘Maar wat is nu de eigenlijke essentie, de grond van het fundament van deze aandrijvende wil? De wil tot het gevoel: ik heb dorst, ik wil drinken; de sturende wil van: ik moet drinken, anders krijg ik een dorstgevoel. De wil die het gevoel stuurt en/of de ratio.’

De bestelling wordt afgezegd. Aangeschoten wandelen de twee in vaste tred, dat wel, dwalend door het bos. Libellen zweven voorbij, een koekoek speelt verstoppertje, een kijkscherm lokt hen naar een vijver waar een reiger, nog onzichtbaar maar al hoorbaar, schreeuwend overheen vliegt.

‘De wil is het ding op zichzelf. We kunnen het niet kennen, tenzij we het zelf zijn.’
‘En nu weet ik het niet meer. Laten we stoppen.’

‘Nee, wacht nog even. Zijn wij het niet zelf? Je noemde het beginsel Dat. Stel dat wij Dat zijn. Stel dat alles Dat is, dan zijn we er toch uit?’

Zwijgzaam lopen ze verder. Een specht vliegt over, landt in een stam van een boom, kruipt uit het zicht, loopt om de stam heen, kijkt of de kust veilig is. Zo eindigt dit verhaal en sukkelt u als lezer vast in slaap, of juist niet.   

donderdag 21 mei 2026

 

Op een zonwarme donderdagavond rijden twee vrienden over de snelweg naar het zuiden van de stad. Aan de rand van een park dat een buffer vormt tussen industrie en woongenot parkeren zij de auto. Een wandeling door het groen zal hen goed doen. Langs het wandelpad voert een steiger hen naar het plateau bij de vijver, met adembenemend uitzicht.

Waterlelies staan in bloei, terwijl daartussen een paartje futen elkaar kopschuddend het hof maakt. Stelletjes wilde eenden, sommigen met jongen, vullen het tafereel aan en versterken de landelijke sfeer. Terwijl ze met elkaar praten over wat hen bezighoudt, verdwijnt het doel van hun reis steeds meer naar de achtergrond: de bezichtiging van de stad.


‘Heb jij deze week nog iets bijzonders gelezen?’
‘Ja. Het was zó moeilijk te begrijpen dat mijn brein ervan uit elkaar viel. Niet zomaar in twee stukken, maar in kleine oerdeeltjes. Die proberen nu langzaam weer samen te klonteren. Ik wacht alleen nog op een oerknal, zodat alles uiteindelijk weer uiteen kan vallen in woorden die wél begrijpelijk zijn.’
‘Vertel. Ik heb nog wel wat buskruit om de boel op te blazen en daarna weer samen te voegen tot iets moois.’
‘Ik las het volgende.’

Hij bezit de psychologische kwaliteit om in de weerkaatsingen van zijn eigen innerlijk het zielenleven van de meest uiteenlopende mensentypen tot klinken te brengen, evenals de ethische hartstocht voor de waarde van de mens als type.”

Rimpels verschijnen op het voorhoofd van zijn vriend. Een nachtegaal die net nog vrolijk zong, zwijgt plotseling en fladdert haastig weg naar een veiliger plek. Dan valt er een doodse stilte.
‘Tsja, misschien is het zo begrijpelijker?’


“Hij heeft het vermogen om in de weerspiegelingen van zijn eigen innerlijk het gevoelsleven van zeer verschillende mensentypen tot uitdrukking te brengen. Ook bezit hij een sterke ethische gedrevenheid voor de waarde van de mens als type.”

Langzaam breekt de stilte, alsof de dageraad actief wordt. Stel je die voor: een nog actieve nachtvlinder fladdert zijn laatste vlucht, een roodborst verdringt de nacht met enigszins melancholische tonen. Denkrimpels lossen langzaam op. Tijd om actief deel te nemen aan een nieuwe dag. ‘Ik weet het. Wat denk je hiervan?’

“Hij kan zich diep in verschillende mensen verplaatsen en voelt sterk de waarde van de mens.”

Op dat moment lijken de twee vrienden volledig op één lijn te zitten. De laatste schemering begeleidt hen naar de auto, die sputterend tot leven komt. Hun tevredenheid krijgt een kleine knauw: de tank is leeg.