Hand
in hand lopen ze langs het speeltuintje, waar de nacht nog tussen de toestellen
hangt, en langs het gebouw waar op zaterdagen de fanfare oefent. Opa en zijn
kleinzoon, samen op weg naar school. Het kleine handje ligt warm in het zijne. Eens
kijken, denkt opa, of hij de weg al kent. ‘Waar moeten we straks het hoekje om?’
vraagt hij. ‘Bij de bakker.’ ‘Die is er niet meer, hè. Waarom niet?’ De jongen
kijkt niet op of om. ‘Die is ziek en moet in bed liggen, slapen tot hij beter
wordt.’
In
de straat kijken zij om zich heen en praten wat, over van alles en nog wat. Af
en toe versnelt opa ongemerkt zijn pas. Anders komen we niet op tijd, denkt hij,
terwijl hij doet alsof er alle tijd van de wereld is. Op een hekje zit een vogeltje.
‘Kijk eens, een mus.’ De jongen blijft staan, volkomen een met het ogenblik. Van
alle kanten ziet opa kinderen naderen: met een vader of moeder, alleen, lopend
of slingerend op de fiets, allemaal op weg naar het schoolgebouw. ‘We moeten
doorlopen, hoor,’ zegt hij zacht. ‘Anders komen we te laat.’
Op
het schoolplein kolkt het van stemmen, jassen, rugzakken en haastige groeten. Eerst
de grootste bups maar laten voorgaan, vindt opa; hij weet dat sommige drukte
vanzelf minder wordt als je even wacht. Bij de ingang van het plein staat een
juf die iedereen welkom heet, alsof elk kind afzonderlijk binnen mag stappen in
een nieuwe dag. Ook bij de voordeur staat er een. Later zullen ze wel schor
zijn van al dat groeten. De kleine jongen loopt voorop, ineens zeker van
zichzelf. Hij weet precies waar hij wezen moet. Aan een plank langs de muur hangt
een haakje, met daarboven een sticker met zijn naam. Daar mag de rugzak hangen,
net iets te hoog voor de kleine knaap.
Bij
het klaslokaal worden ze opnieuw begroet. Zoveel goede wensen op één ochtend. Een
jongetje schuift de stoel van de kleinzoon naar achteren, alsof hij hem verwacht.
Daar mag hij zitten. Op het tafeltje ligt een wirwar van stokjes en kleurtjes
klaar. Hier ga ik een toren van bouwen. Opa staat nog even in de deuropening.
Dan merkt hij dat hij al niet meer nodig is. Stilletjes, sluipt hij ervandoor.
Buiten
is de stoep bij de school inmiddels te smal geworden voor alles wat tegelijk
wil vertrekken en aankomen. De hogere klassen stromen toe; grotere kinderen,
grotere fietsen, grotere gebaren. Dan maar een stukje over de straat. Fietsen
scheren rakelings voorbij, met bellen en tassen, en opa wijkt net op tijd uit. Thuis
doet hij zijn verhaal. Het was hartstikke leuk, zegt hij, maar ook wennen. En om
dit elke dag te doen … petje af voor al die pappa’s en mamma’s. Later denkt hij
terug aan vroeger, en aan nu, aan handen die hij ooit vasthield en aan dit
kleine handje van vandaag. Hij kan het nog. Hij mag het nog. En misschien is
dat wel het mooiste van de hele ochtend.