vrijdag 6 maart 2026

 

Het mes

Snijdt aan twee kanten is het spreekwoord, of gezegde. Waar strijkt het vandaag langs? Met Peter de Stadsvogelaar sta ik op de pont naar Nieuw Beierland, onderweg naar de Korendijk. Dat is voor ons een subliem vogelgebied. ‘Geven en nemen’ komen daar samen. We zijn er voor elkaar, de vogels en alles wat daaromheen is. Pure vrijheid en geluk.

Een groep kneus verwelkomt ons. Kneus ook zo’n woord waarvan de betekenis in gebruik twee kanten raakt. Zoek maar eens op. Ze zijn nog niet in zomerkleed, die werkelijk prachtig is. Het rood op de kruin en borst van het mannetje steekt dan af op het verder grijsbruine vogeltje. Peter maakte op Texel ooit een foto die bij mij thuis een wand in de woonkamer siert.

Vogelen kan best vermoeiend zijn: schuifelen op onverhard en ruig terrein met verrekijker, statief, telescoop en fotocamera. De auto en wat proviand biedt uitkomst. Stilzwijgend turen we de omgeving af. Zit daar niet een zeearend op het nest? En daar, waar wel honderden ‘brandjes’ opvliegen, een bruine kiekendief.

Het mes. Het lot en het noodlot. Dan toch nog? Wij staan te wachten bij de pont. Voor ons rijdt een voertuig, waarop een Belgisch kenteken pronkt, de pont, die drie rijbanen heeft, op. Een ieder kiest bij het oprijden de middelste baan, dan kan je er als eerste af. Hij niet. Dat wordt lastig bij het afrijden. De middelste mag eerst. Weet hij dat? Nee dus.

‘Kijk uit. Hij snijdt ons!’ In de remmen dus, en bijsturen. ‘Wat doet-ie nou?’ Nog meer uitwijken, bijna tegen tegemoetkomend verkeer. Achter hem rijden wij langzaam naar het kruispunt voor doorgaand verkeer. Weer twijfel bij onze voorganger: waar moet ik heen, denkt hij vast. En dan … een diepe zucht. We hebben het gered. Op naar huis, in de drukte van de stad, waar een tiental verkeersregelaars een opleiding krijgen. Het mes, de vraag: gaat dat wel goed?

 

donderdag 26 februari 2026

'Wat betekent het woord eigenlijk wat jij net gebruikte?'
'Daar vraag je mij wat. Dat heb je meer met woorden en begrippen. Ze worden te pas en te onpas gebruikt. Een ieder voelt de betekenis aan, maar vraag je naar een exacte duiding, dan blijven velen het antwoord schuldig.'

En zo babbelen en kabbelen de twee fictieve personen, waarvan de een toch echt werkelijk is, rustig voort in een karakteristieke omgeving, dat eigenlijk best een vogelparadijs genoemd mag worden. 'Kijk daar, is dat niet een keep?' Tussen een clubje vinken, scharrelt een op hen lijkend vogeltje rond. 'Ja, vast wel. Kijk maar naar het oranje op borst en flanken.' Van ver klinkt de lach van een groene specht.

Verderop, balanceren tientallen sijsjes rondom elzenkatjes. 'Zit er niet een barmsijsje tussen?' Op het water drijft nieuwsgierig, wat willen die twee, een kuifeend voorbij. 'Ik hoorde gisteren van een vriend, dat wij op moeten letten. Kraanvogels zijn op trek.' Koning winter lijkt verdwenen. Niet de naamgenoot. Zijn zang klinkt vanaf en boomtak, hangend over het water.

Na een rondje varen, leggen de twee aan bij een steiger. Het zit erop. Op het terrein van het outdoor centrum, die de naam eer aandoet, Markant, velen aan het werk om alles 'up to date' te maken voor het buitenseizoen. 'Kijk daar!' Op een akker tussen klei en groen, beweegt iets. 'Is dat niet een patrijs?' Die waarneming zou een mooi slot van hun vogeltocht zijn.  

zaterdag 14 februari 2026


 Giovanni Bellini 

        een jonge Venetiaanse schone

        maakt toilet, haren neigen rood
        gelijk 't lichtrode doek om arm
        buik en been

        bedeesd introvert verleiderlijk
        kleur haar - doek blauw bruin
        vallen vlekkeloos samen met -
        
        het landschap op de achtergrond
        onzichtbaar naast 't blote been
        een brief van haar geliefde

        

        

        

        
         

        

woensdag 11 februari 2026

Droef zit hij aan tafel, welke in een hoek van de woonkamer staat. Op een snijpunt van twee zijden daarvan, liggen lieflijk lui enkele boeken, schrijfgerei en een aantekeningblok om op te schrijven wat zoal in hem opkomt. Af en toe staat hij voor of achter de ramen - het is maar hoe je het bekijkt - om naar buiten te staren, de laatste dagen in een melancholische stemming.

Even treedt er een spatje zonlicht in zijn bestaan. Mandarijnpartjes, aan hem gegeven door zijn kleindochter Lisa op een groen schoteltje, beuren hem op. De geur daarvan laten hem wegdromen naar zonnige stranden uit een leven vol vreugde.

Op dat moment vergeet hij het bordje met de partjes mandarijn. Het schuift scheef in zijn hand; partjes vallen op de tafel. Met een droeve zucht staart hij ze na. ‘Zal ik ze voor je opeten?’ roept Lisa, die vol empathie naar haar opa staart. Een traan van verborgen geluk vindt zijn weg langs opa’s wang.

Vrij naar een gedicht van Niels Snoek. Bezoek ook eens https://gedichtenvanniels.blogspot.com/

vrijdag 6 februari 2026

Stilleven

dit eerst geschreven woord
zou je vast ook zo kunnen lezen:
stil even, doch dit terzijde gelegd

vier uien, een medisch zelfhulp-
boek, pijp, tabak, theepot en
een grote lege fles absint

getemperde kleuren minder
indringend, simpele voorwerpen
sta er eens bij stil, wees hier nu

zie, een brief waarin geschreven
mijn oor afgesneden en dit mijn
eerste schilderij na droevenis

de geur van de schilder, de verf,
kringelt stevig in mijn neus, tot
in mijn diepste wezen – stil even

vrij naar V van Gogh’s stilleven rond bord met uien 

woensdag 4 februari 2026

 

Het slot

met fulpen kamers

Even iets rechtbreien. Fulpen kamers is oudhollands voor studentenkamers, maar dit terzijde.

Een student bezoekt zijn medestudent.

Het kasteel ontoegankelijk
spiegelbaar waar dromen
dwalen; vuur, angst, vlucht
en in elkaar overgaan ben ik.

Ik sta plots op het voorplein
het slot achter mij een vlam
groen en hemelhoog, weer-
spiegelt in de gracht.

Ik ren op gesloten slotbrug af
vleugels van angst dragen mij
tegen de brug over fosforwater
gemengd in rood wit.

Ik val op een lichaam van hem
zijn verschoten gelaat en zijn
holle staalgrijze ogen staren mij
mij levenloos aan

Vrij naar Frankenstein





dinsdag 27 januari 2026

Nichtevecht Ankeveense plas
boven het water rood de zon
libellen muggen zoemen zacht

zwart water tussen wilg en els
‘n gezonde geur van verrotting
geen stadse stank rook of herrie

vaartuigen varen liggen in stilte
fabrieksschoorstenen niet te zien
alleen hier of daar heel oud een -

oude in rode baksteen en veilig
een kalkoven of stoomwasserij
in rugzak koude thee en brood

 

Sluit de ogen na het lezen van dit gedicht. Ervaar het moment, of ga eens aan de oever staan bij kasteel Doorwerth langs De Waal, kijk naar de overkant, beleef de gebeurtenis van dit gedicht.