Onder de straten
van Parijs
‘De
weg niet kunnen vinden in een stad, dat betekent weinig. Maar je in een stad
verliezen zoals je in een bos verdwaalt, dat vraagt scholing.’
– Walter Benjamin
Net
als Londen met zijn Underground heeft Parijs een ondergronds spoornet: de
métro. In hoofdlijnen weet ik hoe die werkt, maar dat blijkt niet genoeg om er
moeiteloos mijn weg in te vinden. Ook boven de grond gaat het niet vanzelf. In de
drukke winkelstraat, waar voetgangers en vooral fietsers zich weinig van stoplichten
aantrekken, is het lastig om veilig van de ene straatkant naar de andere te komen.
Onder de grond is het overzicht beter. Een gele M wijst mij de trap of roltrap die
mij onder het straatniveau brengt.
Beneden
is het druk. Aankomende en vertrekkende reizigers, rijen voor de
kaartautomaten, mensen die zich door de toegangspoortjes wurmen. Slechts weinigen
blijven staan bij de plattegronden om hun route uit te stippelen. Ik wel, maar ik
kom er niet uit. Een vrouw ziet mijn verwarring en biedt in gebroken Engels haar
hulp aan. Ik neem het aanbod aan en volg haar, met een knagende twijfel: brengt
zij mij wel op het goede spoor?
Uiteindelijk
komt het goed. Moe plof ik op een bank en sluit mijn ogen. Al snel val ik in
slaap en droom. Glooiende velden met wuivend graan, omzoomd door berken met
witte stammen; daarboven klieft een bruine kiekendief door de lucht. Plots schrik
ik wakker van een dichtslaande deur. Mijn maag knort. Tijd om te gaan eten.
Op
mijn bord ligt een kunstzinnig opgemaakte wrap. Hij stilt mijn honger en voedt mijn
inspiratie. Morgen maar eens naar een museum met werken van Vincent van Gogh.

