Het verborgen gewone
alsof het eerste
stappen zijn
Passie, even
gedoofd als vuur
in mist
in het gras, kijkt
opzij
Het verborgen gewone
toont zich, schijnbaar
ongewoon
stil, spreekt niet
is meer dan dat
Monoloog
‘Het
landschap: gemaaid gras, vlas. In de verte, langs de weg: bomen als afbakening
van een perceel. De zon schijnt genadeloos — fel en warm. Als ik het niet zie; sterker
nog, als het niet wordt waargenomen en als het ware op zichzelf is, is het
zonder betekenis. Pas als ik mijn gevoelens over wat ik ervaar onder woorden
breng — al is het in gedachten — krijgt het betekenis; is het niet meer op zichzelf.
Het landschap als spiegel van de ziel.’
Of
het door het warme weer komt, door de zon die haar warme stralen onbarmhartig
naar de aarde stuurt, door de La Trappe — een alcoholrijk bier —, of door
beide: waar zij over spreken is nauwelijks te volgen.
‘Goed,
laten we stellen dat er een beginsel was van al wat is. Dan is er volgens mij
ook een beginsel van het bewuste leven. Dat waaruit onze driften en bedoelingen
voortkomen. Dit beginsel laat zich met woorden verder niet omschrijven. Laten
wij het Dat noemen.’
Een
van hen schiet een ober aan en vraagt naar hun bestelling. Het duurt wel erg
lang. Die verontschuldigt zich en trekt aan zijn stutten. Overvol is het
restaurant.
Buiten rijden zuchtend fietsers voorbij. Propvol is ook het buitenterras.
‘Maar
wat is nu de eigenlijke essentie, de grond van het fundament van deze
aandrijvende wil? De wil tot het gevoel: ik heb dorst, ik wil drinken; de
sturende wil van: ik moet drinken, anders krijg ik een dorstgevoel. De wil die
het gevoel stuurt en/of de ratio.’
De
bestelling wordt afgezegd. Aangeschoten wandelen de twee in vaste tred, dat
wel, dwalend door het bos. Libellen zweven voorbij, een koekoek speelt
verstoppertje, een kijkscherm lokt hen naar een vijver waar een reiger, nog
onzichtbaar maar al hoorbaar, schreeuwend overheen vliegt.
‘De
wil is het ding op zichzelf. We kunnen het niet kennen, tenzij we het zelf
zijn.’
‘En nu weet ik het niet meer. Laten we stoppen.’
‘Nee,
wacht nog even. Zijn wij het niet zelf? Je noemde het beginsel Dat. Stel dat
wij Dat zijn. Stel dat alles Dat is, dan zijn we er toch uit?’
Zwijgzaam
lopen ze verder. Een specht vliegt over, landt in een stam van een boom, kruipt
uit het zicht, loopt om de stam heen, kijkt of de kust veilig is. Zo eindigt
dit verhaal en sukkelt u als lezer vast in slaap, of juist niet.
Op een zonwarme donderdagavond rijden
twee vrienden over de snelweg naar het zuiden van de stad. Aan de rand van een park
dat een buffer vormt tussen industrie en woongenot parkeren zij de auto. Een
wandeling door het groen zal hen goed doen. Langs
het wandelpad voert een steiger hen naar het plateau bij de vijver, met
adembenemend uitzicht.
Waterlelies staan in bloei, terwijl
daartussen een paartje futen elkaar kopschuddend het hof maakt. Stelletjes
wilde eenden, sommigen met jongen, vullen het tafereel aan en versterken de
landelijke sfeer. Terwijl ze met elkaar praten over wat hen
bezighoudt, verdwijnt het doel van hun reis steeds meer naar de achtergrond: de
bezichtiging van de stad.
‘Heb jij deze week nog iets bijzonders gelezen?’
‘Ja. Het was zó moeilijk te begrijpen dat mijn brein ervan uit elkaar viel.
Niet zomaar in twee stukken, maar in kleine oerdeeltjes. Die proberen nu
langzaam weer samen te klonteren. Ik wacht alleen nog op een oerknal, zodat
alles uiteindelijk weer uiteen kan vallen in woorden die wél begrijpelijk
zijn.’
‘Vertel. Ik heb nog wel wat buskruit om de boel op te blazen en daarna weer
samen te voegen tot iets moois.’
‘Ik las het volgende.’
“Hij bezit de
psychologische kwaliteit om in de weerkaatsingen van zijn eigen innerlijk het
zielenleven van de meest uiteenlopende mensentypen tot klinken te brengen,
evenals de ethische hartstocht voor de waarde van de mens als type.”
Rimpels verschijnen op het voorhoofd van zijn vriend.
Een nachtegaal die net nog vrolijk zong, zwijgt plotseling en fladdert haastig
weg naar een veiliger plek. Dan valt er een doodse stilte.
‘Tsja, misschien is het zo begrijpelijker?’
“Hij heeft het vermogen om in de weerspiegelingen van zijn eigen innerlijk het
gevoelsleven van zeer verschillende mensentypen tot uitdrukking te brengen. Ook
bezit hij een sterke ethische gedrevenheid voor de waarde van de mens als type.”
Langzaam
breekt de stilte, alsof de dageraad actief wordt. Stel je die voor: een nog
actieve nachtvlinder fladdert zijn laatste vlucht, een roodborst verdringt de
nacht met enigszins melancholische tonen. Denkrimpels lossen langzaam op. Tijd
om actief deel te nemen aan een nieuwe dag. ‘Ik weet het. Wat denk je hiervan?’
“Hij
kan zich diep in verschillende mensen verplaatsen en voelt sterk de waarde van
de mens.”
Op
dat moment lijken de twee vrienden volledig op één lijn te zitten. De laatste
schemering begeleidt hen naar de auto, die sputterend tot leven komt. Hun
tevredenheid krijgt een kleine knauw: de tank is leeg.
Hij
verlangt ernaar de pianoklanken die in hem opwellen, op bezielde en
aansprekende wijze tot klinken te brengen. Diep van binnen weet hij dat alle
antwoorden aanwezig zijn. Hoe die te vinden? Meditatie is het sleutelwoord. Toch
is de onrust in hem te groot om eenvoudigweg stil te gaan zitten. Een
loopmeditatie dan maar? Weet je wat, waarom geen fietsmeditatie? Zo gedacht zo
gedaan.
Wat
hem aantrekt, in de door de zon beschenen helderblauwe lucht, zijn de
wolkenformaties. Even alles vergeten, even ontspannen in het nu. Ja,
maar, denkt hij, ook dit is een heden - en juist dat wilde hij achter zich
laten. Dan leidt een vrolijke klank van zwarte en witte toetsen hem af, en voor
hij het beseft, verzandt hij opnieuw in gedachten en herinneringen die hij
juist had willen loslaten.
Vastbesloten
te volharden in wat hij wil, probeert hij het opnieuw: fietsen, ontspannen en
genieten, in alle rust. Verderop, waar een lepelaar zijn verenkleed
fatsoeneert, houdt hij even stil. Een wandelaar met rugzak en zonnebril
passeert hem in ferme pas, zonder groet, om iets verderop de geschiedenis van
het gebied te lezen en te bestuderen. Een infobord helpt hem daarbij.
Afgeleid
door wat hem bezighoudt, in een nieuw nu dat ooit nog toekomst was,
voelt hij dankbaarheid in zich opkomen en spreekt die zachtjes uit. Het is de
aloude stem die hem doet spreken, niet zwijgen. Thuis laat hij zijn vingers
soepel over de pianotoetsen dansen. En plotseling begrijpt hij meer. Woorden
komen in hem tot leven en beginnen op poëtische wijze te klinken.
De mens kan
elk heden
van zich af laten glijden
en zo boven zichzelf uitstijgen
Diep in de
stilte van zijn ziel
vangt hij een glimp op
van het onnoembare
O stem van
het zijn,
blijf in hem klinken,
en wijk niet in stilte
Een
gediplomeerd straatmaker uit de buurt, een agrarisch cultuur- en natuurgebied,
is door zijn contact met een van oorsprong getalenteerde kunstschilder in de
stijl van Monet, die vele jaren werd bewonderd om zijn geniale impressies
zonder opsmuk, ertoe gekomen kleine literaire stukjes te schrijven in proza- en
dichtvorm, maar volgens degenen die zijn letterkunsten lazen waren zijn
schrijfsels onleesbaar en bezorgden zij hemeltergende hoofdpijnen en andere
nare gevoelens, simpelweg omdat niemand ze begreep, waarna hij, wanhopig door
die miskenning, kort na zijn verjaardag in een met gier vervuilde vaart sprong,
in katzwijm raakte en verdronk.
Dat
is het verhaal wat ik lees: Een man, gevallen op de vloer. Tot niets meer in
staat. Ik vat het samen – alleen zijn actuele gedachten vanaf de vloer, niet wat
hij ooit meemaakte - in poëzie, dat een
mengsel is van Japanse versvormen. Ik noem het: Op de harde vloer.
I
’t Kille
hemeloog
kijkt op hem neer, hij liggend
op de harde vloer
zijn
gedachten dwalen rond
hoe is hij hier toch beland
licht, hij
ziet beter
grauw ‘t toilet de muurtegels
welvingen hoeken
’n voet knie
dijbeen erboven
de kaak stuk of scheefgezakt
een oog in
spiegel
knippert naar hem en nogmaals
zo treft hij zich aan
hoort klikken
van ’t hek
voetstappen fietsgeratel
Sofia de
jonge buurvrouw
roepen lukt niet mondhoek hangt
#
vanaf dat moment
terug naar het verleden
nu toen nog verder
de tijden verstrengelen
-dit verhaal vanaf de vloer-
schrik hij
voelt de angst
klettergeluid in keuken
razend van hart naar tenen
een inbreker zal
’t vast zijn
vluchten gaat helaas niet meer
het is nu
zover
hij sluit zijn ogen en wacht
een geluid als ’n stem
weer ‘t
geluid hij herkent het
bedelend mauwend- Shifty
denkbeelden-
hij keert terug
neemt de kat in zijn armen