maandag 7 september 2026

 

Over de toekomst

De toekomst wordt niet eenvoudigweg bepaald door wat al vaststaat, maar door een veld van mogelijkheden. Dat veld is echter nooit volledig te overzien. Er kunnen zich gebeurtenissen voordoen die binnen onze huidige voorstelling nog geen plaats hebben. Elke verbeelding van de toekomst blijft daarom voorlopig en speculatief. Neem de prei uit het vorige blog: iedere gedachte over hoe de stronken later kunnen worden aangetroffen, is niet meer dan een mogelijkheid binnen het perspectief van nu.

De tijd, en daarmee ook de toekomst, is geen gesloten systeem zoals de klok ons doet vermoeden. Op een klok lijkt tijd te bestaan uit gelijke, meetbare eenheden: een minuut is een minuut. Maar geleefde tijd laat iets anders zien. Momenten staan niet los naast elkaar; zij vloeien in elkaar over en krijgen betekenis door wat eraan voorafgaat en erop volgt. Dat merken we in de ervaring: een minuut kan kort lijken, maar ook eindeloos duren.

Een werkelijke voorstelling van de toekomst is pas mogelijk wanneer zij ophoudt toekomst te zijn en zich als heden aandient. Pas achteraf wordt zichtbaar welke mogelijkheden daadwerkelijk openlagen. In die zin bestaat het mogelijke niet als volledig kenbare werkelijkheid vóór ons, maar verschijnt het in het spiegelbeeld van het heden in het verleden. De toekomst is daarom niet simpelweg te voorspellen: zij ontstaat in de overgang van mogelijkheid naar werkelijkheid.

 

dinsdag 1 september 2026

 

Achter het menshoge zwarte raster dat om het sportveld ligt, landt lachend een groene specht. Een juveniel, gezien zijn nog enigszins matte kleuren. Reagerend met eveneens een lach, vliegen door de populieren nog drie exemplaren. Waarschijnlijk zijn het broers en zussen.

Bij een bungalow aan het begin van een landtong tussen twee watergangen, ligt een oase van groen. Diverse naaldbomen delen de ruimte met loofbomen. Een eldorado voor een pracht aan vogelsoorten.

Een boomvalk zoekt in de lucht een prooi. Een boerenzwaluw, of misschien een libelle, die zijn versnapering zoekt in de ruigte langs het pad. In de struiken langs het water beweegt zich een vaalbruin vogeltje. Om niet op te vallen maakt hij geen geluid. Het wit rondom zijn keel wijst op een grasmus.

vogelaars voldaan
na het zien van al dat moois
keren huiswaarts weer

maandag 31 augustus 2026

 

Hij wandelt tot aan het havenhoofd. Daar gaat hij op de kademuur zitten. Zichtbaar in het water is een fikse onderstroom, geen golfslag. In het heldere water schieten scholen visjes druk heen en weer, zoals wolken spreeuwen dat in de herfst doen, maar dan in de lucht. Een onbedwingbare gedachte dringt zich op.

Hij weet niet waar beweging begint. Bij de vis, die met staart en vinnen door het water snijdt, of bij het water zelf, dat haar al draagt vóór zij zich verzet. Misschien is geen van beide eerste. Misschien bestaat beweging alleen waar het ene het andere ontmoet: vin en stroom, lichaam en richting, wil en drift. Zoals schuim aan de kust niet enkel door de golf uit zee ontstaat en ook niet enkel door het terugkerende water vanaf het strand, maar zichtbaar wordt in de spanning daartussen.

water stroomt willoos
vissen schieten door de stroom
licht breekt in golven

dinsdag 25 augustus 2026

 

‘Gedachten brengen een vorm naar voren.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ideeën kunnen abstract zijn, nog niet zichtbaar. Een vorm maakt ze inzichtelijk en concreet. Een vorm, als materie, is vergankelijk. Een idee lijkt dat minder te zijn, zeker wanneer het om een fundamenteel grondidee gaat. Het woord zegt het al: fundament, de basis. Misschien is zo’n idee niet permanent, maar wel duurzamer dan de vorm waarin het tijdelijk verschijnt.’
‘Maar een gedachte, een idee, kun je toch aan je voorbij laten gaan? Yoga en meditatie zijn daar sterk in.’
‘Ja, maar de kracht van een gedachte is ook sterk. En wat nu als je jezelf een illusie, een begoocheling, voorspiegelt?’
‘Het is dus zaak om je gedachten te observeren en in te zien dat ze weleens niet waar kunnen zijn. Ze open te laten voor andere ideeën.’
‘Ja, maar ook dat kan een illusie zijn.’

De overgang van individuele gedachte naar publiek complot denken begint bij twijfel. Twijfel kan bevrijdend zijn wanneer zij een gedachte onderzoekt, maar zij kan ook ontsporen wanneer zij elk tegenargument bij voorbaat als verdacht beschouwt. Dan wordt twijfel geen middel tot inzicht, maar een gesloten systeem dat zichzelf bevestigt.

‘En zo zijn wij beland bij complot denken: samenzweren, onder één hoedje spelen.’
‘Kun je daar een specifieker voorbeeld van geven?’
‘Als een argument uitgesproken wordt, is het zaak dat te bevragen. Het beste is om bij de basis te beginnen, want vaak is de uitgesproken argumentatie  gevormd langs mogelijke dwaalwegen: twijfels, vragen, patronen en lijnen. Hoe zuiver is de ‘uitgesproken’ argumentatie dan nog?’
‘En daar kan misbruik van worden gemaakt: het zogenaamde complot.’
‘Inderdaad. Blijft die complottheorie in min of meer besloten kring, dan is dat niet erg. Wordt zij publiek, dan ligt het geheel gevoeliger.’

‘Een argument tegen complotdenkers is dat zij goedgelovig zijn in hun denken, terwijl er juist hiaten in dat denken leven. Het is dus zaak om die leemtes op te sporen en zichtbaar te maken. Logica en realiteit zijn daarbij cruciaal, niet als wapen tegen de ander, maar als middel om samen te toetsen wat standhoudt.’
‘Maar pas op. Het blijft een zaak van samenwerking tussen intuïtie en logica. Ik denk dat geen van beide de overhand mag krijgen. Of zou dit mogelijk, zonder dat ik het zelf doorheb, een dwaalspoor kunnen zijn naar een complot?’ Gedachten geven ideeën tijdelijk vorm, maar die vorm blijft vergankelijk en kan misleidend zijn.
Daarom is het nodig gedachten te observeren en open te houden voor andere inzichten.
Twijfel kan tot inzicht leiden, maar kan ook ontsporen wanneer zij elk tegenargument wantrouwt.
Dan verandert twijfel in een gesloten systeem dat zichzelf bevestigt: complot denken.
De tekst pleit voor het zichtbaar maken van leemtes in denken, waarbij logica, realiteit en intuïtie samen moeten toetsen wat standhoudt.

#

 

De kern van de tekst is dat gedachten ideeën tijdelijk vormgeven, maar dat die vormen altijd voorlopig en vergankelijk blijven. Twijfel kan helpen om gedachten kritisch te onderzoeken, zolang zij open blijft voor andere inzichten. Wanneer twijfel echter elk tegenargument wantrouwt, kan zij omslaan in een gesloten systeem van complot denken. De tekst pleit daarom voor het zichtbaar maken van hiaten in denken, met logica, realiteit en intuïtie als gezamenlijke toetsstenen.

 

#

 

gedachten dwalen
zoeken naar een vaste grond
leemtes spreken zacht

 

  

donderdag 13 augustus 2026

 

Het hemdje wappert verlokkend aan een waslijn in haar tuin. Maler kijkt en hoopt. Zou ze komen? Zijn kater loopt hem ongedurig voor de voeten. Wil hij naar buiten, of op schoot? De zomer lokt. Geurende bloemen lokken vlinders en libellen. Nagels krabben zich scherp aan de mat bij de deur, die openstaat. Snorrend loopt de kater naar buiten.

Verlangen brengt onrust. Maler weet het. Het huis opruimen helpt. Ook al lijkt het overbodig en nutteloos. Afwassen, strijken, stofzuigen. Als de klus geklaard is, wacht zijn tuin, die grenst aan die van haar. Vandaar kijkt hij even naar het hemdje. Zijn fantasie, en toch ook het niet te stillen verlangen, regeert.

En de kat? Die kijkt toe. Likkebaardend. Zojuist heeft hij een uit het nest gevallen jonge duif verscheurd en verorberd. Maler denkt, na het verlekkerd bewegen van de kattentong, aan het bed met de door haar beslapen lakens. Haar adem, geur en geluiden. De gong van de voordeur wekt hem uit zijn droom.

donderdag 6 augustus 2026

 

Aan het strand

‘Waar gaan we heen, naar de Tweede Slag, bij de Paddenstoel?’ ‘Ja, dat is oké.’ Een parkeerplek zoeken is niet moeilijk. Een man in een oranje vestje geeft instructies en wijst de weg. De parkeerkosten digitaal regelen blijkt lastig. De felle zon hindert.

Een plekje aan het strand is makkelijk te vinden. Het is niet druk. ‘Ga je mee naar het water?’ De kleine jongen, die niet vaak aan zee komt, is enthousiast en dribbelt naar de kust, waar minuscule golven aanspoelen. Hij stapt er makkelijk overheen.

In het water drijft wier, en een krab keert zich, net als het zusje van de jongen, van rug naar buik. Andersom is, net als bij zijn zusje, wat moeilijker. ‘Kijk, daar een kleine kwal. Kom eens. Zie je die sliertjes? Dat zijn tentakels. Soms prikken die.’

Op het strand liggen ontelbare schelpen. De een nog mooier dan de andere. ‘Zoek de mooiste maar uit en bewaar ze maar in dit bakje.’ Zoeken, wat is dat? Grof schuiven de handen over en door het zand. De mooiste uitzoeken is voor thuis.

‘Kom mee naar de auto. De parkeertijd is bijna verstreken. Maar er is nog tijd voor een ijsje. Lust jij dat?’ Bij de Paddenstoel staan stoelen en tafels onder een parasol in de schaduw. Een perenijsje doet wonderen. Zo ook het snel smeltende softijs.

 

kijk neer op een nek
jaarringen aangewaaid vuil
de oude man zwijgt