donderdag 13 augustus 2026

 

Het hemdje wappert verlokkend aan een waslijn in haar tuin. Maler kijkt en hoopt. Zou ze komen? Zijn kater loopt hem ongedurig voor de voeten. Wil hij naar buiten, of op schoot? De zomer lokt. Geurende bloemen lokken vlinders en libellen. Nagels krabben zich scherp aan de mat bij de deur, die openstaat. Snorrend loopt de kater naar buiten.

Verlangen brengt onrust. Maler weet het. Het huis opruimen helpt. Ook al lijkt het overbodig en nutteloos. Afwassen, strijken, stofzuigen. Als de klus geklaard is, wacht zijn tuin, die grenst aan die van haar. Vandaar kijkt hij even naar het hemdje. Zijn fantasie, en toch ook het niet te stillen verlangen, regeert.

En de kat? Die kijkt toe. Likkebaardend. Zojuist heeft hij een uit het nest gevallen jonge duif verscheurd en verorberd. Maler denkt, na het verlekkerd bewegen van de kattentong, aan het bed met de door haar beslapen lakens. Haar adem, geur en geluiden. De gong van de voordeur wekt hem uit zijn droom.

donderdag 6 augustus 2026

 

Aan het strand

‘Waar gaan we heen, naar de Tweede Slag, bij de Paddenstoel?’ ‘Ja, dat is oké.’ Een parkeerplek zoeken is niet moeilijk. Een man in een oranje vestje geeft instructies en wijst de weg. De parkeerkosten digitaal regelen blijkt lastig. De felle zon hindert.

Een plekje aan het strand is makkelijk te vinden. Het is niet druk. ‘Ga je mee naar het water?’ De kleine jongen, die niet vaak aan zee komt, is enthousiast en dribbelt naar de kust, waar minuscule golven aanspoelen. Hij stapt er makkelijk overheen.

In het water drijft wier, en een krab keert zich, net als het zusje van de jongen, van rug naar buik. Andersom is, net als bij zijn zusje, wat moeilijker. ‘Kijk, daar een kleine kwal. Kom eens. Zie je die sliertjes? Dat zijn tentakels. Soms prikken die.’

Op het strand liggen ontelbare schelpen. De een nog mooier dan de andere. ‘Zoek de mooiste maar uit en bewaar ze maar in dit bakje.’ Zoeken, wat is dat? Grof schuiven de handen over en door het zand. De mooiste uitzoeken is voor thuis.

‘Kom mee naar de auto. De parkeertijd is bijna verstreken. Maar er is nog tijd voor een ijsje. Lust jij dat?’ Bij de Paddenstoel staan stoelen en tafels onder een parasol in de schaduw. Een perenijsje doet wonderen. Zo ook het snel smeltende softijs.

 

kijk neer op een nek
jaarringen aangewaaid vuil
de oude man zwijgt

woensdag 29 juli 2026

 

      Tweespraak

Gedachten en gevoelens

 

‘Vind jij jezelf zielig dan?’

   Een kiekendief glijdt over de grens van water en riet.

‘Een juveniele bruine is het, niet?’
‘Ja, een mannetje, gezien het grijs op de vleugels.’

   Veel meer aan vogels is er niet te horen en te zien. Juli: komkommertijd.

‘Nee, zielig vind ik mij niet. Het is eerder boosheid, geboren uit frustratie. Hopelijk tijdelijke onmacht.’

   Een pen pakken, schrijven, dat helpt. Vermeng fictie met de werkelijkheid. Schrijf! Wat hem bezighoudt, zijn de verschillen tussen gevoelens en emoties. Elke waarneming — horen en zien — is vaak de grond voor gedachten waaruit gevoelens ontstaan, die langdurig kunnen aanhouden. Emoties zijn kort en intens.

‘Ik houd van mooie, lange zinnen. Niet te lang natuurlijk, maar literair, met metaforen, waarbij je even pauze houdt om te herlezen en het tot je te laten doordringen. Jij?’

‘Ja, maar nu even niet. Ik lees op het ogenblik over Engelse studenten, waarbij er één probeert te ontsnappen aan de sfeer waarin zijn vader, een lord, leeft. En hij erin wordt meegezogen. Daarbij staat hij recht tegenover zijn vader. Een leven vol conflicten: met zijn vader, zijn vrienden en zichzelf. Toch, omdat ik weet dat het fictie is en naar mijn gevoel wat losser dan een roman, behapbaar.’

   De lucht is al een tweetal dagen geklaard. Voor sommige mensen aangenaam warm, anderen vinden juist hun gerief er niet in. Het rare is ook dat vlinders, vogels en wilde bijen, zich weinig laten zien. Welke gedachten zouden daarbij rondzwerven?

‘Weet je, wij schrijven graag. De gedachten die wij daarbij hebben, moeten wij kwijt. Pak een pen, schrijf!’

‘Oké, ik denk dat je gelijk hebt. Ik zal mijn gedachten eens op een rijtje zetten. Je hoort of,’ - een glimlach verschijnt - ‘je leest.’

#

Op tafel staan een glas wijn en whisky. Een houtduif vliegt koerend over, landt op een dak en vervolgt zijn vocale kunsten. Aan de muur hangt een pre-kubistisch schilderij.

‘Wat vind jij ervan?’ — wijzend naar het doek.

‘Prachtig. Een origineel?’

‘Ja, kom eens hier. Trek deze witte handschoenen aan en wrijf er zachtjes over.’

 

   Dit kan niet anders dan echt zijn. Het geheim wordt prijsgegeven. Van Paul Cézanne. De vriend van Émile Zola, de grote schrijver.

‘Maar dit prachtige werk moet een fortuin waard zijn. Hoe kom je eraan?’

‘Zelf geschilderd.’

‘Maar dat is plagiaat.’

‘Vind je het nu niet mooi meer?’

‘Nee.’

   De gedachten kleuren de gevoelens, die zich uitten in niet-gecontroleerde bewegingen. Terwijl hij zich aangedaan afwendt van dat wat aan de muur hangt en wat hij betastte, stoot hij een glas alcoholisch vocht om. Buiten krast een zwarte kraai.

‘Bijzonder, hè, dat gedachten bepalen wat jij mooi vindt en wat niet. De gevoelens die je daarbij krijgt, de emoties die daarop volgen.’

Misschien moet je iets er gewoon laten zijn. Zonder er in gedachten iets van te vinden.

 

 

woensdag 22 juli 2026

 

Zoekveen en Vindgaard zijn allebei wijken uit de jaren tachtig van de vorige eeuw: ruim opgezet, kronkelig aangelegd en vermoedelijk ooit bedacht met de beste bedoelingen. Mijn plan is eenvoudig. Ik wil mijn nek, schouders en rug laten masseren, de boel weer een beetje losmaken en bijwerken — gewoon ter ontspanning. Maar nog voordat ik op de fiets stap, begint het gedoe al. Op de laptop en op mijn mobiel blijkt het adres zoeken een kleine onderneming. Ik draai de kaart, zoom uit, zoom weer in, en telkens verdwijnt precies de plek die ik nodig heb uit beeld. Ongeveer weet ik waar ik moet zijn. Dat moet genoeg zijn, denk ik. Dus stap ik op de fiets en ga op pad.

Ter plekke kies ik eerst een herkenbaar punt: een parkeerplaats, een hoek, iets waarvan ik later nog kan denken dat ik er geweest ben. Vanaf daar probeer ik met behulp van de wegwijzers de juiste richting te vinden naar het huisnummer — laten we zeggen nummer 10. Al snel blijkt de wijk een doolhof. De paden lopen niet logisch, de nummers volgen elkaar niet op en achter elke bocht lijkt weer een nieuwe mogelijkheid te liggen. Dan maar iemand aanspreken. Een bewoner wijst mij vriendelijk de weg, maar via steegjes en doorgangen merk ik al snel dat ik opnieuw verkeerd loop. Ik zeg het hardop, keer om en probeer het nog een keer. Ook dat mislukt. Uiteindelijk blijft er maar één oplossing over: bellen.

“Waar staat u?” wordt er gevraagd. “Bij nummer negen,” antwoord ik. Nummer tien zie ik nergens. Nummer elf trouwens ook niet. Wel andere nummers, maar die lijken in geen enkel logisch verband te staan met negen, laat staan met tien. “Ziet u de elektrische laadpaal?” Ja, die zie ik. “Net daarvoor moet u naar links. Dan wijst het zich vanzelf.” Maar juist daar was ik net geweest, en ook daar vertellen de huisnummers mij niets. Pas een klein zijsteegje biedt uitkomst. Wie bedenkt zoiets? Even later sta ik eindelijk op het juiste adres — maar wel aanzienlijk minder ontspannen dan toen ik vertrok.

Later vraag ik me af hoe dat moet gaan als er echt haast bij is. Hoe vindt een hulpverlener, een ambulance bijvoorbeeld, op tijd het juiste adres in zo’n wijk? Hoeveel kostbare minuten gaan er verloren voordat iemand doorheeft welk steegje, welk paadje of welke onlogische afslag de juiste is? En dan denk ik aan mijn eigen doel van die dag: ontspannen. Hoeveel massages heb ik inmiddels nodig om langdurig te profiteren van één ontspannende behandeling? Eerst maar eens de weg naar huis terugvinden.

 

donderdag 16 juli 2026

 

daar staat zij
boven de krater
waar blauw water slaapt

een meer omzoomd
door groen — bomen, struiken,
rotsen vol fleurige bloemen

over haar schouders
ligt een kleine witte sjaal
de slippen rusten stil

starend kijkt zij
naar de diepte, het vreemde dat onder
de versluierende bedding ligt

en de wind blaast
haar rok, het witte sjaaltje
zacht omhoog

donderdag 9 juli 2026

 

Een hoofd vol mogelijkheden — en toch, toch weet hij niet wat te doen. Dan maar op de bank zitten. Staren. Althans, daar lijkt het op. Subtiel, en misschien wel onbewust, wacht hij op wat komt. Schrijven! In zijn hoofd doet hij het al. Starend naar de grond voor hem dringt zich een haiku op.

zon en wind spelen
schaduw van takken beweegt
op verlichte vloer

Eerst fietsen. Het bolletje leegtrappen.  Wat op het papier het licht wil zien, dringt zich op — totdat ook dát aan zijn stutten trekt en ongemerkt mee pedaleert.

Glimlachend denkt hij aan een anekdote. De vierjarige probeert een citroen te persen, maar het lukt niet. ‘Dat kreng doet het niet,’ klinkt het door de keuken. ‘Wat zeg je nou? Wie zegt dat nog meer?’ ‘Opa. Hij zegt dat vaker.’ Ja opa: oppassen met wat je zegt.

En zo fietst hij verder: met de wind schuin op kop, de woorden verscholen in de luwte en een glimlach die de weg naar huis al kent.