donderdag 6 augustus 2026

 

Aan het strand

‘Waar gaan we heen, naar de Tweede Slag, bij de Paddenstoel?’ ‘Ja, dat is oké.’ Een parkeerplek zoeken is niet moeilijk. Een man in een oranje vestje geeft instructies en wijst de weg. De parkeerkosten digitaal regelen blijkt lastig. De felle zon hindert.

Een plekje aan het strand is makkelijk te vinden. Het is niet druk. ‘Ga je mee naar het water?’ De kleine jongen, die niet vaak aan zee komt, is enthousiast en dribbelt naar de kust, waar minuscule golven aanspoelen. Hij stapt er makkelijk overheen.

In het water drijft wier, en een krab keert zich, net als het zusje van de jongen, van rug naar buik. Andersom is, net als bij zijn zusje, wat moeilijker. ‘Kijk, daar een kleine kwal. Kom eens. Zie je die sliertjes? Dat zijn tentakels. Soms prikken die.’

Op het strand liggen ontelbare schelpen. De een nog mooier dan de andere. ‘Zoek de mooiste maar uit en bewaar ze maar in dit bakje.’ Zoeken, wat is dat? Grof schuiven de handen over en door het zand. De mooiste uitzoeken is voor thuis.

‘Kom mee naar de auto. De parkeertijd is bijna verstreken. Maar er is nog tijd voor een ijsje. Lust jij dat?’ Bij de Paddenstoel staan stoelen en tafels onder een parasol in de schaduw. Een perenijsje doet wonderen. Zo ook het snel smeltende softijs.

 

kijk neer op een nek
jaarringen aangewaaid vuil
de oude man zwijgt