Aan het
strand
‘Waar
gaan we heen, naar de Tweede Slag, bij de Paddenstoel?’ ‘Ja, dat is oké.’ Een parkeerplek
zoeken is niet moeilijk. Een man in een oranje vestje geeft instructies en
wijst de weg. De parkeerkosten digitaal regelen blijkt lastig. De felle zon
hindert.
Een
plekje aan het strand is makkelijk te vinden. Het is niet druk. ‘Ga je mee naar
het water?’ De kleine jongen, die niet vaak aan zee komt, is enthousiast en
dribbelt naar de kust, waar minuscule golven aanspoelen. Hij stapt er makkelijk
overheen.
In
het water drijft wier, en een krab keert zich, net als het zusje van de jongen,
van rug naar buik. Andersom is, net als bij zijn zusje, wat moeilijker. ‘Kijk, daar
een kleine kwal. Kom eens. Zie je die sliertjes? Dat zijn tentakels. Soms prikken
die.’
Op
het strand liggen ontelbare schelpen. De een nog mooier dan de andere. ‘Zoek de
mooiste maar uit en bewaar ze maar in dit bakje.’ Zoeken, wat is dat? Grof schuiven
de handen over en door het zand. De mooiste uitzoeken is voor thuis.
‘Kom
mee naar de auto. De parkeertijd is bijna verstreken. Maar er is nog tijd voor
een ijsje. Lust jij dat?’ Bij de Paddenstoel staan stoelen en tafels onder een
parasol in de schaduw. Een perenijsje doet wonderen. Zo ook het snel smeltende
softijs.