vrijdag 8 mei 2026

 

Dat is het verhaal wat ik lees: Een man, gevallen op de vloer. Tot niets meer in staat. Ik vat het samen – alleen zijn actuele gedachten vanaf de vloer, niet wat hij ooit meemaakte -  in poëzie, dat een mengsel is van Japanse versvormen. Ik noem het: Op de harde vloer.

            I

’t Kille hemeloog
kijkt op hem neer, hij liggend
op de harde vloer

zijn gedachten dwalen rond
hoe is hij hier toch beland

licht, hij ziet beter
grauw ‘t toilet de muurtegels
welvingen hoeken

’n voet knie dijbeen erboven
de kaak stuk of scheefgezakt

een oog in spiegel
knippert naar hem en nogmaals
zo treft hij zich aan

hoort klikken van ’t hek
voetstappen fietsgeratel

Sofia de jonge buurvrouw
roepen lukt niet mondhoek hangt

#

   vanaf dat moment
   terug naar het verleden
   nu toen nog verder

  de tijden verstrengelen
  -dit verhaal vanaf de vloer-

schrik hij voelt de angst
klettergeluid in keuken
razend van hart naar tenen

een inbreker zal ’t vast zijn
vluchten gaat helaas niet meer

het is nu zover
hij sluit zijn ogen en wacht
een geluid als ’n stem

weer ‘t geluid hij herkent het
bedelend mauwend- Shifty

denkbeelden- hij keert terug
neemt de kat in zijn armen

maandag 4 mei 2026

 

Een mens kan nog zoveel uitstippelen wat hij van plan is; het lot, of het leven zelf, kan een spelbreker zijn. Fit in het hoofd, niet in het lijf, stapt hij die morgen uit het bed. Nevel hangt over het land. In alle rust wacht de zon aan de hemel. Zijn tijd komt wel, zo krachtig weet hij zich.

Alsof hij de avond ervoor zwaar gedronken heeft, loopt hij - de balans zoekend, een tas onder de arm - naar de supermarkt. De inhoud van het boodschappenbriefje probeert een plekje onder de hersenpan te vinden.

Het lijkt wel of we ons in een draaimolen bevinden. Elk mens loopt voorop, zit ook de ander achterna.

Grappig: De kont van de ander najagen, zonder dat er iemand voorop gaat, of het hek achter zich dicht doet. Voor geluk, het lot, is er nu eenmaal geen rangorde.

De schuin geschreven gedachten laat hij achter zich, gaat de winkel binnen, pakt een mandje, kijkt op zijn briefje en zoekt de producten die hij nodig heeft. Alles is te vinden, behalve de chocoladevlokken. Even zoeken dan maar. In vragen heeft hij geen zin. Waar staan die krengen toch? Dan maar niet. Nu nog afrekenen bij de zelfscan. Eigenlijk wil hij naar de kassa. Die is onbemand. Het scannen lukt.

Op weg naar huis knoopt een bekende een praatje met hem aan. Het land is te vol met mensen, er is te weinig drinkwater. Al pratend staan ze ook nog in de weg – althans, zo lijkt het. Een fietser neemt met het oog op haar veiligheid het voetpad in plaats van het fietspad. En hij luistert, wacht op wat hem in gedachten komt, doet zijn woord. De vrouw wijst naar de zon; die lijkt door te breken. Glimlachend, zeggen zij elkaar gedag.

Wat brengt de dag nog meer?