Na
een vorstperiode waarin fikse sneeuwval en ijzel de aarde teisterde, en ondanks
het feit dat vele kinderen met hun ouders sleetje konden rijden, waarvan zij
beiden genoten, maar die hen min of meer dwong om veiligheid in acht te nemen
en binnenshuis te blijven, viel er in de nacht die erop volgde een forse,
langdurige regenbui die, hoe kon het anders, tot hun geluk de wegen veilig
begaanbaar maakte.
Ze ontmoeten
elkaar ergens onderweg en raken in gesprek.
‘Goedemorgen, nog wat gezien?’
‘Nee, wel gehoord. Een havik’.
‘Leuk, ik had wat staartmezen in mijn tuin’.
‘Jij schreef
mij gisteren dat mensen jou kinderachtig vinden omdat je van alles te veel verlangt.
Hoe zit dat nu?
begeerte naar
het geheel
wat niet haalbaar is waar-
door het zonder waarde is
‘Dat is de enige reden dat ik blijf
schrijven: het zoeken naar het ware verhaal, het schrijven van het ultieme
boek. Maar misschien is die vertelling niet te vinden.
het verlangen
te groot voor vervulling
‘Mocht dat
mislukken, dan ben ik in ieder geval een mislukkingskunstenaar, en een
kunstenaar wil ik zijn en blijven, ook al is het gedoemd te mislukken’.