zaterdag 17 oktober 2026

 

Onder de straten van Parijs

‘De weg niet kunnen vinden in een stad, dat betekent weinig. Maar je in een stad verliezen zoals je in een bos verdwaalt, dat vraagt scholing.’
– Walter Benjamin

Net als Londen met zijn Underground heeft Parijs een ondergronds spoornet: de métro. In hoofdlijnen weet ik hoe die werkt, maar dat blijkt niet genoeg om er moeiteloos mijn weg in te vinden. Ook boven de grond gaat het niet vanzelf. In de drukke winkelstraat, waar voetgangers en vooral fietsers zich weinig van stoplichten aantrekken, is het lastig om veilig van de ene straatkant naar de andere te komen. Onder de grond is het overzicht beter. Een gele M wijst mij de trap of roltrap die mij onder het straatniveau brengt.

Beneden is het druk. Aankomende en vertrekkende reizigers, rijen voor de kaartautomaten, mensen die zich door de toegangspoortjes wurmen. Slechts weinigen blijven staan bij de plattegronden om hun route uit te stippelen. Ik wel, maar ik kom er niet uit. Een vrouw ziet mijn verwarring en biedt in gebroken Engels haar hulp aan. Ik neem het aanbod aan en volg haar, met een knagende twijfel: brengt zij mij wel op het goede spoor?

Uiteindelijk komt het goed. Moe plof ik op een bank en sluit mijn ogen. Al snel val ik in slaap en droom. Glooiende velden met wuivend graan, omzoomd door berken met witte stammen; daarboven klieft een bruine kiekendief door de lucht. Plots schrik ik wakker van een dichtslaande deur. Mijn maag knort. Tijd om te gaan eten.

Op mijn bord ligt een kunstzinnig opgemaakte wrap. Hij stilt mijn honger en voedt mijn inspiratie. Morgen maar eens naar een museum met werken van Vincent van Gogh.



 

 

 

vrijdag 16 oktober 2026

 

Man met snor

Ooit las ik Sloterdijks Sferen, over de binnenwerelden waarin mensen samenleven. Zo’n ruimte kan met iemand worden gedeeld: een bel, zoals bij het bellenblazen. Omdat mensen steeds nieuwe relaties en leefwerelden vormen, ontstaan er vele bellen. Samen vormen die een schuim, zoals zeepsop.

Soms delen meerdere mensen jouw bel, terwijl ze nauwelijks tot je doordringen, ook al zijn ze zichtbaar. In mijn onbewuste loop ik aan hen voorbij. Zo zag ik in een museum een zeer expressionistisch schilderij van een man met een snor. Zou ik hem zonder de titel werkelijk hebben gezien? Zou hij mij zijn opgevallen? Zoals de man op de hoek, de vrouw in de tram, de mus in de boom.

hij liep al in mijn bel
zichtbaar onopvallend
ik keek langs hem heen
pas nu zie ik in gedachten
zijn snor – hij lacht en
deelt even mijn bubbel

man met snor in verf
zonder titel niet gezien
saam even in ‘t schuim

 

dinsdag 13 oktober 2026

Dat wat ik voor ogen zie

is dat werkelijk waar of

een hallucinatie, een droom

Het brood dat nu voor mij ligt

was ooit deeg, een toekomstbeeld

het mengsel, water gist tarwe, ‘t verleden

Ook de foto’s die ik nam en nu zie

ik proef de uren op het plaatje

voel de warmte van kort geleden

Misschien is alles wat ik zie

slechts wat mijn denken ervan

maakt, een droom die vorm krijgt

Oplost zodra ik verder kijk

wat blijft er over van toen en nu

wanneer ik later terugkijk 

maandag 12 oktober 2026

 

De vijgenboom door de tijd

Thuis op de bank keer ik even terug naar het verleden en bekijk ik foto’s van plekken waar ik niet meer ben. Zo werkt dat met tijd: in een flits is zij voorbij. Het mooie is dat je een herinnering kunt herbeleven, zodat het lijkt alsof je de verloren tijd in het nu opnieuw meemaakt.

Hier en daar liggen, ingeklemd tussen de gebouwen van de drukke stad, paradijzen van rust en groen. Door een poort, nauwelijks zichtbaar vanaf de straat, wandel ik nieuwsgierig een hof binnen. In het midden staat een vijgenboom, zo groot dat enkele boomdikke zijtakken ondersteund worden door blokken natuursteen.

Ik draai mijn hoofd, werp een blik over mijn schouder en zie de vijgenboom in mijn eigen achtertuin. Ook die zal mijn tuin overwoekeren als ik hem niet elk jaar snoei. Zo vloeien de drie tijdeenheden in elkaar over. Mijn gedachten gaan terug.

Op een bankje onder een raam waarachter druk gepraat wordt, ga ik even zitten. Op een sokkel staat een zwart beeld, levensgroot: een naakte vrouw. Zonlicht reflecteert op haar borst. Te mooi om de herinnering eraan niet te bewaren. Ik maak een foto voor thuis, daar keer ik even terug in de tijd.