vrijdag 3 april 2026

 

Mooie zinnen

Begin eens met vijf, denkt hij bij zichzelf, en hij pakt de pen, wrijft met zijn wijsvinger - die van zijn hand waarin niet zijn pen rust - langs zijn neus, waaruit warme lucht stroomt, voortgebracht uit de diepte van zijn denken. Een mooi intro, die zijn ideeën aanwakkert en soepel schrijft hij de eerste woorden: hij, geboren onder de rookpluimen en eeuwige vlam - die laatste zo genoemd omdat hij dag en nacht brandt - van de petrochemische industrie, stapt die morgen op zijn fiets, rijdt onwrikbaar tegen de noordwesten wind, kracht vier, de weidsheid in, op zoek naar gevederd gespuis; dat was immers een vraag van zijn vogelvriend. En ja, daar vliegt een bruine kiek man, gracieus met kalme vleugelslag, zijn ogen speuren van links naar rechts, dan buigt de vogel ineens af, naar ergens ver weg, wat de hij in dit schrijven doet tasten naar zijn verrekijker, waarvan de prismaglazen een groot nest tonen, waar achter op datzelfde moment een roofvogel met witte heupvlekken kekkerend voorbij vliegt. Een havik denkt de vogelaar en ja niet veel later ziet hij op het nest schuins een gestreepte staart het nest uitpriemen.

woensdag 1 april 2026

 

De waterloop, die enigszins als in een holte, in het landschap ligt, is een pareltje in het landschap. Het water wordt omzoomd met rietkragen, knotwilgen en elzen; een paradijs voor watervogels en bruine kiekendieven, waarvan er elk jaar wel drie paartjes broeden. Ook zangvogels, die zich graag in en rondom het riet ophouden, voelen zich er thuis.

Over een vlonder loop ik dieper het riet in, tuur links en rechts over pluimen en naar struiken en bomen. Niets te zien of te horen. Totdat er vanonder het plankier waarop ik loop, een ree als een verdwaald profiel schiet. Hevig  schrikken doe ik niet. Ook vanaf het plateau, waar de houten vloer naartoe loopt, is niets te zien of te horen, of toch? Hoog in de verte, een schim, die zich telkens schuilhoudt achter boomkruinen: een bruine kiekendief, man.

Niettegenstaande het gegeven dat ik op dit ogenblik besta, dringt het verleden zich op. Hier, op dit mooie stukje aarde, heb ik mooie momenten beleefd. Vergeet dat niet vriend, klinkt een stem in mijn hoofd. Met een fotograaf maak ik een praatje. Plotseling een por in mijn rug en een groet. ‘Wie is die vent?’ denk ik, als ik mij omdraai. Een Rotterdammer, zo te horen. Nog een praatje. Hoewel ik er op zijn tijd ook van houd - bespiegelingen over natuur en milieu - heb ik er nu geen zin in. Ik nok af met een min of meer Rotterdamse groet: ‘De mazzel’, en vervolg mijn pad overdekt met grind, modder en kuilen. Wat gaande is in de wereld, knaagt. Zelfs, of juist dan, als ik mijn rust zoek, dringen nare situaties zich op.