De
waterloop, die enigszins als in een holte, in het landschap ligt, is een
pareltje in het landschap. Het water wordt omzoomd met rietkragen, knotwilgen
en elzen; een paradijs voor watervogels en bruine kiekendieven, waarvan er elk
jaar wel drie paartjes broeden. Ook zangvogels, die zich graag in en rondom het
riet ophouden, voelen zich er thuis.
Over
een vlonder loop ik dieper het riet in, tuur links en rechts over pluimen en naar
struiken en bomen. Niets te zien of te horen. Totdat er vanonder het plankier
waarop ik loop, een ree als een verdwaald profiel schiet. Hevig schrikken doe ik niet. Ook
vanaf het plateau, waar de houten vloer naartoe loopt, is niets te zien of te
horen, of toch? Hoog in de verte, een schim, die zich telkens schuilhoudt
achter boomkruinen: een bruine kiekendief, man.
Niettegenstaande
het gegeven dat ik op dit ogenblik besta, dringt het verleden zich op. Hier, op
dit mooie stukje aarde, heb ik mooie momenten beleefd. Vergeet dat niet vriend,
klinkt een stem in mijn hoofd. Met een fotograaf maak ik een praatje. Plotseling
een por in mijn rug en een groet. ‘Wie is die vent?’ denk ik, als ik mij
omdraai. Een Rotterdammer, zo te horen. Nog een praatje. Hoewel ik er op zijn
tijd ook van houd - bespiegelingen over natuur en milieu - heb ik er nu geen
zin in. Ik nok af met een min of meer Rotterdamse groet: ‘De mazzel’, en
vervolg mijn pad overdekt met grind, modder en kuilen. Wat gaande is in de
wereld, knaagt. Zelfs, of juist dan, als ik mijn rust zoek, dringen nare situaties
zich op.