Monoloog
‘Het
landschap: gemaaid gras, vlas. In de verte, langs de weg: bomen als afbakening
van een perceel. De zon schijnt genadeloos — fel en warm. Als ik het niet zie; sterker
nog, als het niet wordt waargenomen en als het ware op zichzelf is, is het
zonder betekenis. Pas als ik mijn gevoelens over wat ik ervaar onder woorden
breng — al is het in gedachten — krijgt het betekenis; is het niet meer op zichzelf.
Het landschap als spiegel van de ziel.’