Evi staat in de tuin van haar
vrijstaande woning. Gedachten zoeken verankering. In haar hand rust een
blozende appel, zojuist geplukt. Zij woont in een stille ontgonnen polder waar
de dichtstbijzijnde buren twee à drie kilometer verderop wonen.
Gelukkig leeft zij niet in eenzaamheid. Toch vraagt zij zich af wat haar naar
deze plek heeft gebracht. Waarom heeft zij daarvoor uit vrije wil gekozen?
Door een onbedwingbare drang geeft Evi
zich over. Ze gaat schrijven. Woorden vormen zinnen over wat haar bezighoudt en
wat er gaande is in de wereld om haar heen. Wat is daarvan het einddoel, of is
er helemaal geen doel? Ze las: dit is de best mogelijke wereld; anders was hij
wel anders geweest. En toch denkt ze: er is hoop.
Hoop is het verlangen dat de wereld
beter kan worden. Ze vraagt om beweging: niet passief afwachten, maar handelen.
Mensen leven met hun blik op een toekomst die nog niet bestaat, maar wel
mogelijk is. Hoop betekent voorbij het heden denken en dat verlangen armen en
benen geven. Doen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten