Hij
wandelt tot aan het havenhoofd. Daar gaat hij op de kademuur zitten. Zichtbaar in
het water is een fikse onderstroom, geen golfslag. In het heldere water schieten
scholen visjes druk heen en weer, zoals wolken spreeuwen dat in de herfst doen,
maar dan in de lucht. Een onbedwingbare gedachte dringt zich op.
Hij weet niet waar
beweging begint. Bij de vis, die met staart en vinnen door het water snijdt, of
bij het water zelf, dat haar al draagt vóór zij zich verzet. Misschien is geen
van beide eerste. Misschien bestaat beweging alleen waar het ene het andere ontmoet:
vin en stroom, lichaam en richting, wil en drift. Zoals schuim aan de kust niet
enkel door de golf uit zee ontstaat en ook niet enkel door het terugkerende water
vanaf het strand, maar zichtbaar wordt in de spanning daartussen.
water stroomt willoos
vissen
schieten door de stroom
licht breekt
in golven
Geen opmerkingen:
Een reactie posten