Van
ver hoor ik ze aankomen. Onzeker verlaat ik het nest en verwissel van boom. Nu
zie ik ze ook: Twee mannen met camouflagehoed. Op hun buik dragen zij apparaten
waar zij zo nu en dan doorheen turen. Ik ken ze van de vorige keren en als waren
zij stalkers beloerden zij minutenlang mijn doen en laten op het nest. En ook
nu stelt een van hen zich op achter een driepoot terwijl de ander schijnbaar stoïcijns
op gepaste afstand rondom mijn nest loopt. Vanuit de verte hoor ik mijn man roepen en niet veel
later scheert hij met een prooi over mij heen. Ik zal uit mijn dekking moeten
komen wil ik de prooi kunnen aannemen. Op dat moment is ook de man die
rondscharrelt op zijn qui-vive. Als de prooi is overgedragen, vliegen mijn
partner en ik razendsnel ieder een andere kant op. De man laat zich niet van de
wijs brengen en seint geruisloos en effectief naar zijn maatje achter de
driepoot. Op het nest wacht ik nog even met het opdelen van de prooi aan mijn
vier donsjongen, dan vul ik de hongerige magen. De mannen kunnen mij niet
deren, blijkbaar hebben zij geen kwaad in de zin. Als de prooi is opgedeeld en
ik het nest verlaat en de mannen geheel in hun nopjes de capriolen van mijn kroost
bewonderen, lijkt er een soort van vriendschap tussen ons te zijn ontstaan. Onopvallend
verlaten zij later hun stekje, alsof ik er niet ben. Op een ander moment zullen
zij vast terugkomen en wij gunnen ze dan opnieuw een kijkje in ons bestaan.
woensdag 21 juni 2017
vrijdag 16 juni 2017
Valken in hun lentelandschap
Zondagmorgen
om kwart over vijf zoek ik na een nacht met weinig slaap de knop van mijn
wekker, die modern als ik ben ligt verborgen achter het glas van mijn
smartphone. Grommend omdat ik hem zo snel niet kan vinden, schuif ik mijn
vinger over het venster en dan eindelijk houdt het irritante deuntje op. Ik
stap uit bed en trek in vloeiende beweging mijn kleding aan, die ik de vorige
avond heb neergelegd, loop naar de wastafel en houd mijn hoofd onder een koude
waterstraal. Klaarwakker, fris en fruitig maak ik mijn ontbijt en wacht op mijn
vriend Peter, om samen met hem naar een paartje boomvalken te gaan.
In
de luwte van een knotwilg turen wij over een graanveld en wachten af wat komen
gaat. Pas na anderhalf uur, als ik mijn benen strek en een groene specht die
golvend langs vliegt volg, hoor ik het kek-kek van een mannetje boomvalk.
Direct zoek ik oogcontact Peter, hij wijst naar een hoge rij populieren voor
hem. Ik richt mijn kijker en ja hoor de valk doorkruist speels het gebladerte.
Dan ineens is daar ook het vrouwtje, die na enkele manoeuvres in een beukenhaag
haar gemak neemt. Het mannetje blijft korte tijd weg en keert terug met een
prooi die hij aan het vrouwtje geeft. Op afstand kijkt hij toe hoe zij het
vogeltje plukt en oppeuzelt. Met uitzondering van het verenpak verdwijnt de
prooi geheel in de maag van de valk. Daarna veegt zij haar snavel af, poetst en
fatsoeneert haar verenkleed en produceert een kleine braakbal. Na een klein
kwartier neemt zij een horizontale houding aan, het sein voor het mannetje om
op te vliegen en haar te bestijgen. Wat volgt is een korte maar liefdevolle
copulatie, want na de geslachtsdaad blijft het paartje innig en liefkozend
naast elkaar zitten. Dit bijzondere tafereel herhaalt zich deze morgen nog
eenmaal, waarna wij als een kind zo blij onze optische instrumentaria inpakken
en langzaam huiswaarts keren.
Later
die week loeren wij bij een verlaten boerderij naar een boomnest waarin zich vier
jonge torenvalken die bijna vliegrijp zijn, bevinden. Op zich is dit al
bijzonder, want torenvalken broeden meestal in nestkasten. Wij vallen met onze
neus in de boter. Twee jonge takkelingen* springen en fladderen over dikke
takken en keren later, na de afstand tot het nest te hebben ingeschat, terug naar
het nest. Dit inschatten doen zij door met hun kop van links naar recht te
knikken. Het gehele proces is een vliegoefening. Het zal dan ook niet lang meer
duren voordat de valken ‘op eigen vleugels gaan vliegen’.
Denk
nu niet dat wij ‘alleen maar’ geluk hebben gehad. Nee, het vinden van de
locaties vergt een lange en intensieve voorbereiding, die al in het vroege
voorjaar begint. Het is er een van waarnemen en soms uren en vaak voor niets
observeren. Dat is wat ons vogelaar maakt, het is voor ons meer dan het jagen
naar zoveel mogelijk soorten. Het resultaat mag er deze lente zijn.
*
Takkeling,
jonge vogel die leert vliegen.
donderdag 8 juni 2017
zondag 4 juni 2017
(kinder)spel
Als kleine jongen kleedde ik mij
in een geel shirt en waande dat ik
de koploper was in de Tour de France.
Op een tweedehands jongensfiets
trok ik sprints, beklom ik heuvels
en demarreerde ik in de volle wind.
Eenmaal groot hield ik koers op een
echte racefiets en hing het shirt van mijn held
Claude Criquielion om mijn schouders.
Claude Criquielion om mijn schouders.
De shirts hangen aan de wilgen
in casual kleding speel ik vandaag de dag mijn spel:
Die van Flandrien zoals Tommeke Boonen.
Die van Flandrien zoals Tommeke Boonen.
vrijdag 2 juni 2017
Gedicht
Windvlagen spelen donker en licht met de bladeren van de beukenhaag. berustend de blik van het meisje, als was zij echt; het lijkt alsof zij sorry zegt: 'kon ik je maar helpen maar ik kan het niet, misschien is morgen alles anders'. Gekras van hongerige kauwen klinkt uit een oude schoorsteen.
dinsdag 30 mei 2017
En hij vloog met mij mee
Vandaag
wil ik De Muur oprijden. Ter ere aan mijn vader, die een groot wielerliefhebber
was. Dwars door de fraaie Zwalmstreek rijd ik naar Roborst, vandaar wil ik over
het Mijnwerkerspad naar Nederbrakel rijden. Bij Roborst is de weg echter
afgesloten. Ik zal om moeten rijden. Na een half uur zoeken blijk ik hopeloos
verdwaald. Ik vraag de weg aan een vrouw, maar zij kan mij alleen via
hoofdwegen de juiste route wijzen. Of, ik moet de Paddeweg, een lange weg vol
kasseien, nemen. Dat is voor mij geen optie gezien mijn eerdere onaangename
ervaringen. Terug dus naar Roborst en vanaf daar mijn pad zien te vinden. Na
drie kwartier vertraging rijd ik eindelijk ‘en route’ naar Nederbrakel. Daar ligt
het volgende obstakel te wachten, de Ten Bosse. Een steile lange straat dwars
door een dorp waar menig Flandrien zijn slag heeft geslagen, om uiteindelijk
Vlaanderens mooiste te winnen. Relatief makkelijk neem ik de hindernis. Dit is
nog eens wat anders dan die malle keitjes. Tijd om te recupereren heb ik
nauwelijks, want na een korte afdaling ligt de Fayte te zinderen in de zon. Als
die bedwongen is, daal ik af richting Geraardsbergen. Vanuit het centrum is het
dan ongeveer anderhalve kilometer omhoog richting de voet van De Muur. Zo hard
mogelijk, maar in het zadel, stuiter ik over de kasseien naar boven. Halverwege,
in een bocht, dreig ik stil te vallen. Vliegensvlug duw ik mijn been uit een
pedaal en stap af. Een tiental meters verder op een relatief vlakke
parkeerplaats stap ik op om de laatste meters alsnog fietsend af te leggen. Een
roodborst, waarvan ik er in heel deze week niet een gezien of gehoord heb en
die symbool staat voor mijn overleden vader, lijkt mij vanuit een ligusterhaag
aan te moedigen. Ik ga het halen Pa! Bij de kapel rust ik op een bankje uit.
Mijn vrouw komt naast mij zitten en vertelt háár verhaal.
‘Om even voor twaalf uur ben ik de
kapel ingelopen en heb een kaarsje voor mijn moeder gebrand. Het was een
emotioneel moment, maar ik hield het droog. Precies op het moment dat ik de
kapel verliet, sloegen de klokken twaalf en stroomden alsnog de tranen over
mijn wangen’.
Terwijl
zij dit mooie verhaal vertelt kijk ik haar aan en zie dat zij nog steeds is
aangedaan. Wij praten nog wat en dan ga ik verder. Wij spreken bij af bij
Michelbeke een uurtje rijden vanaf hier. Met een hoofd vol gedachten fiets ik
verder. Deze dag is voor mij zo bijzonder, dat ik hem opdraag als herinnering
aan José haar moeder en aan mijn vader, die langs de route met mij is
meegevlogen.
vrijdag 26 mei 2017
Zomerjurkjes
Zacht
zoevend zakt de garagedeur omlaag. De rugzak bungelt om een van mijn schouders,
een man verlaat met een krant onder zijn arm de kiosk. Het is al warm als wij
naar het station lopen, waar die morgen werkmannen hun laatste klussen klaren;
de overgang wordt herbestraat. Omdat wij het spoor niet over mogen steken,
moeten wij enkele honderden meters lopen naar een volgende overgang en vandaar
over het tegenoverliggende perron teruglopen. Nog maar net op tijd bereiken wij
de instapplaats, een kaartje kopen wij in de trein.
In
de volle zon zoeken wij onze weg naar het centrum. Bij het plaatselijke VVV
bespreken wij de plannen voor vandaag. Omdat ik twee ochtendjes kan fietsen, is
Gent voor José. Haar keuzes komen op de eerste plaats, ik zal braaf en zonder
protesteren volgen. Na een stadswandeling bezoeken wij Oer in het
Caemerklooster. Befaamde Vlaamse schilders hebben in deze expositie de wortels
van Vlaanderen weergegeven. Wij genieten volop. Wandelen maakt hongerig en bij
een friettent, die volgens een viertal oorkondes aan de muur behoort tot de
beste van Vlaanderen, bestellen wij een patatje stoof. De frieten zijn
inderdaad uitzonderlijk lekker en ook de stoof is prima. Nadat de vette handen
met een servet zijn schoongepoetst stelt José voor om een tochtje in een rondvaartboot
te maken. Bij dat idee breekt het zweet mij uit, ik houd daar hélemaal niet
van. Nog net voordat ik wil gaan klagen en José mij veelzeggend aankijkt,
bedenk ik mij dat het haar dag is. En zo dobber ik later tussen Italianen,
Fransen en een enkele Duister over de Leie. Al met al valt het mij mee. De
kades zijn druk bevolkt met leuke meisjes en jonge vrouwen, waarvan de meeste
zomerjurkjes dragen. Ik geniet daar stiekem meer van dan van de vervallen
middeleeuwse grachtenpanden.
Op
het station, bij het loket, bestelt José de kaartjes voor de
terugreis. Als ik haar de naam van onze bestemming vaag hoor noemen en later
meelees op de ticket ben ik op mijn qui vive. Zij heeft de verkeerde bestemming
opgegeven. Zichem in plaats van Zingem. Zij vertelt de lokettist dat zij een
vergissing heeft gemaakt. Het blijkt geen probleem en na enige administratieve
handelingen maakt de man een nieuw kaartje aan. Op de vraag waar de reis dan
heen gaat, blijft José het antwoord schuldig. Vertwijfeld kijkt zij mij aan. Ook
ik kan zo snel niet op de naam komen. Ik kijk om mij heen en op een informatie
bord, zie ik de naam en geef die door aan de man achter het loket. Opgelucht wandelen wij even later naar het perron, waar
wij na een klein half uur wachten moe maar voldaan op de trein naar Zingem
stappen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
