dinsdag 20 februari 2024
vrijdag 16 februari 2024
Drijfsijsjes
Bij een
T-splitsing wacht ik op mijn vriend De Stadsvogelaar. Een cettiszanger galmt
zijn lied vanuit het riet. Ganzen en wulpen doorkruisen het luchtruim. Voel ik
daar niet wat nattigheid? Zachtjes tikt iets op mijn jas. Op het water tonen
zich kleine kringetjes. Het miezert. Mijn stemming zakt. Ik heb genoeg tijd van
mijn leven in de nattigheid doorgebracht, gaf er vaak weinig om, maar nu heb er
geen zin in.
Wij besluiten
om naar het stadspark te gaan, dat doet mijn maatjes naam eer aan. Mijn
twijfelend humeur stijgt weer. Terplekke vliegt een grote groep koperwieken
over de boomkruinen, om in enkele daarvan neer te strijken. Wij stappen af,
leggen onze fietsen aan de ketting en kuieren het park in.
Tussen takken
bekleed met elzenproppen scharrelen een aantal putters rond en wat kleiner
gespuis. Zij zijn moeilijk op naam te brengen. Het licht is te diffuus. ‘Laten
we een stukje doorlopen en terugkijken’. Het helpt. Sijsjes! ‘Die met hun
donkere kopje zijn de mannetjes’. ‘Misschien zit er ook een barmsijs tussen.
Die heeft een rode kruinvlek. Net boven zijn snavel’.
Zo hobbelen
wij samen tussen de nog winterkale bomen door. Halen herinneringen op van onze
avonturen. Maken grapjes. En genieten vooral van de hobby die wij samen delen:
vogelen.
Een tweetal
buizerds zweeft ‘mauwend’ rondjes. Voor een baltsvlucht is het nog te vroeg,
daarvoor maken zij duikvluchten. Alsof zij zich laten vallen en ineens weer
opvliegen. Ik hoor een havik roepen. ‘Is dat er niet een?’ We overleggen. ‘Mmm,
misschien een sperwervrouwtje, die is min of meer even groot als een havik
mannetje’. ‘Ik zie ook geen witte heupvlek.’ Dit maakt het vogelen zo leuk. Het
determineren en het genot van al het moois.
Op een plek
waar hij ooit zijn eerste boomvalk had gezien, houden wij pauze en drinken wat
warms. Over een pad, waarop door storm en onweer omgevallen bomen liggen, gaan
wij verder. Op een plas dobbert wat ondefinieerbaar gevleugelte. Wij maken er
drijfsijsjes van. ‘Een nieuwe soort.’
Zo kruipen de
uurtjes langzaam voort. Een zanglijster zingt hoog in een boomtop. Soms is het
een kunst om hem in beeld te vangen. Maar als je hem eenmaal hebt, is het puur
genieten. Kenmerkend zijn de zwarte vlekjes op zijn borst in de vorm van een
pijl.
Bij het naar huisgaan. Komt een toetje in onze gedachten. Wij schrijven allebei graag. Wij hebben allebei een blog en ik een stukje voor de krant. Veel leesplezier beste lezer en misschien ook wel vogelliefhebber.
maandag 12 februari 2024
Op de fiets
eenden dobberen terwijl
Costa del Spui gloort
wie o wie staat daar,
terwijl de havik met buit
hem vast gadeslaat?
nu zingt poëzie in mijn hoofd
jij hoort het vast ook ;-)
vrijdag 9 februari 2024
Poëzie
Mensen inspireren elkaar. Zo schrijf en dicht ik graag. Soms zit de klad erin. Laat Femke nu ook aan het schrijven en dichten gegaan zijn. Zij zegt dat ik haar inspireer. Wel zij mij.
Creatief
met woorden
Zinderende zinnen
Zingen door mijn hoofd
Elke dag iets schrijven
Heb ik mijzelf beloofd
Het is een hele kunst
Al die woorden op papier
Een maand lang schrijven
Wordt een bundel vol plezier
Soms een mooi gedicht
Soms een gek verhaal
Maar altijd een genot
Om te puzzelen met taal
#
Rijm
zij prikkelt
mij met dichten op rijm
doe dat maar, liefst zonder dwang
ik denk: plak maar achter ‘t behang
bevrijdt je van het literair geslijm
echter, ik
zie tot mijn grote vreugd
als ik mijn best doe, kan ik het ook
thuis voelen in de taal is geen spook
spelen met taal niet alleen voor jeugd
alliteratie,
ach dat mag schrijf maar
‘t gaat om het spel niet meer dan dat
raak o raak ik nu een gevoelige snaar
schrijf ik hier zowaar haast ‘n sonnet
dat is, dacht ik zonet, zeker te zwaar
poëzie blijft leuk zo is het maar net
maandag 22 januari 2024
Uit de krant
Pieperdepiep
Hij
zit aan een stamtafel van een ouderwets café. Voor hem ligt een stapeltje
kranten die hij doorspit. Links naast hem een geurige kop cappuccino. Schuin
tegenover hem zit een ander. Min of meer doet die precies hetzelfde, met dien verstande
dat hij een praatje aanknoopt. ‘Nog wat leuks gelezen?’ ‘Nee, niet echt.’ ‘Wat
zoek je?’ ‘Iets over piepers. Er zou een leuk stuk over in een krant staan.’
‘Piepers?’ ‘Ja vogelsoorten.’
De
beiden blijken interesse in de natuur te hebben, al wist een van hen wat minder
van vogels. Van het een komt het ander. Een afspraak wordt gemaakt en zo staan
zij in een voorjaar in een polder. Op een rasterpaal landt een klein grijsbruin
vogeltje. Zijn borst een flanken zijn gestreept. Een graspieper.
Na een tijdje vliegt hij op. Hoog boven in de lucht begint hij zijn
zang. 'psiep-psiep!' Als hij gaat dalen, spreidt hij de
vleugeltjes, vouwt ze iets bol. Zo lijkt het net of hij aan een parachuutje
hangt. Zijn zang heeft ook dalende en in snelheid aflopende tonen. Opnieuw zakt
hij op de paal en kijkt nieuwsgierig om zich heen.
De piepers zijn best lastige soorten om te herkennen. Zo heb je ook een
boompieper. Die komt neer in een boom zou je zeggen. Precies. Voor een niet
ervaren vogelaar zijn het van die lastige soorten. Dat maakt het vogelen juist
ook leuk.
Hij lijkt op de graspieper, heeft een iets dikkere snavel. De streepjes
op zijn flanken zijn dunner dan die op zijn borst. Zijn zang klinkt iets anders
dan bij de graspieper. Zij zijn wat feller, alsof er bommetjes exploderen.
Zoiets. De tonen dalen en lijken te vertragen. Ze stoppen als de vogel in een
boom landt.
De beide vogelaars hebben het prima naar de zin en spreken nog een
aantal keren af. De winters zijn nat de laatste jaren in ons kikkerlandje. Fikse
en langdurige vorst ontbreekt. Op een dag, half in de ochtend, het is een graad
of acht, staan de vogelaars bij een grasperceel. Langs een slootkant half
verscholen achter pollen biezengras scharrelen wat vogels rond.
‘Zijn dat nou oeverpiepers?’ ‘Die zit hier niet’. ‘Kijk, zijn flanken
zijn ook veel witter’. ‘En de streepjes op zijn vleugels zijn duidelijker.’ ‘Ja
zeg’. ‘En moet je zien, zijn buitenste staartpennen zijn wit’. ‘Ik denk dat het
een waterpieper is’.
Als de lucht betrekt en de wind iets aantrekt, breken de vogelaars op.
Een fijne miezer is nauwelijks hoorbaar op de waterdichte winterjassen. Met de
wind in de rug fietsen ze richting huis. Ver weg vliegt een clubje ganzen.
‘Kijk ze houden geen v-vorm. Dus, waarschijnlijk brandganzen. Die doen dat
haast nooit.
dinsdag 9 januari 2024
Op weg naar elders
Half
in de morgen stapt zij in de metro, knoopt haar jas los, neemt de muts van het
hoofd, vouwt hem op en propt hem in een jaszak. ’t is warm genoeg. Bij elke
stop kijkt ze naar de passagiers die instappen en tovert een glimlach rond haar
mond. Het schijnt dat die lach stofjes in haar hoofd losmaakt waarbij zij zich
prettiger gaat voelen. Het werkt. Een klein uur later stapt ze het fotomuseum
binnen.
het
lijnenspel
de compositie
de grap
strijkt de
man het natuurschoon glad,
zoals het gazon achter hem
of kan hij het beter laten zijn
zoals het is?
gezellig
niet?
vijf stoelen, een asbak
en entertainment in de hoek
niemand te zien -
vertier in eenzaamheid
op de smartphone?
verlang naar
Vlaanderens Mooiste
zoals de man
kromgebogen
over het stuur
tegen de wind in
Op
de weg naar huis stopt de metro. Een zwaan is op het spoor geland. Die kan niet
meer voor of achteruit. Het is wachten op de dierenambulance. Met een
onwrikbare glimlach probeert de reizigster er geen probleem van te maken.
zaterdag 6 januari 2024
Verlangen naar thuis. - Toen, nu en later.
Langzaam wordt de dag wakker, ondanks dat de zon zich nauwelijks laat zien. Er botst door vlagen wind voortgedreven miezer tegen de ramen. Ik voel mij thuis waar ik ben. Een veilige plek waar ik mag zijn en niet in twijfel wordt getrokken in mijn doen en laten.
Het
aircorooster bij de buren kleppert. Mijn schrijven hapert. Onrust steekt de kop
op. Buiten wordt het lichter. Mijn stoel schuif ik naar achteren, even naar
buiten kijken. Binnen voel ik mij thuis, buiten ook. Omringd door stilte,
weidsheid, wind die langs mijn oren en wangen waait. De andere kant van mijn
mij thuis voelen. Beiden kan ik niet weerstaan. Herinneringen aan toen, thuis
zijn in het nu, denken en verlangen naar de toekomst. Je thuis voelen
kan oneindig zijn.









