vrijdag 18 september 2026

Evi staat in de tuin van haar vrijstaande woning. Gedachten zoeken verankering. In haar hand rust een blozende appel, zojuist geplukt. Zij woont in een stille ontgonnen polder waar de dichtstbijzijnde buren twee à drie kilometer verderop wonen. Gelukkig leeft zij niet in eenzaamheid. Toch vraagt zij zich af wat haar naar deze plek heeft gebracht. Waarom heeft zij daarvoor uit vrije wil gekozen?

Door een onbedwingbare drang geeft Evi zich over. Ze gaat schrijven. Woorden vormen zinnen over wat haar bezighoudt en wat er gaande is in de wereld om haar heen. Wat is daarvan het einddoel, of is er helemaal geen doel? Ze las: dit is de best mogelijke wereld; anders was hij wel anders geweest. En toch denkt ze: er is hoop.

Hoop is het verlangen dat de wereld beter kan worden. Ze vraagt om beweging: niet passief afwachten, maar handelen. Mensen leven met hun blik op een toekomst die nog niet bestaat, maar wel mogelijk is. Hoop betekent voorbij het heden denken en dat verlangen armen en benen geven. Doen.


zondag 13 september 2026

Noten

Regen sloeg met vlagen hard tegen het glas van het kamerraam. De jongen verveelde zich. ‘Ga wat pianospelen,’ zei de moeder. Hij slofte inspiratieloos naar de vleugel schuin voor het raam, pakte het notenschrift en zette het in de daarvoor bestemde standaard op de vleugel, terwijl hij keek naar stromen water die over het raam naar beneden vloeiden.

Terwijl hij daar zo zat, onderbrak hij zijn spel met tussenpozen. Zijn moeder, die hem observeerde, vroeg alsof hij uit een trance ontwaakte: ‘Wat gaat er door je heen, behalve de noten die je speelt?’ Hij antwoordde: ‘Hoe kan het nou dat ik die losstaande noten niet als losstaand hoor, maar als het ware als één geheel?’

Voor de moeder was dit een lastige vraag. ‘Speel nu maar gewoon verder,’ zei zij, terwijl ze aan haar stutten trok. De jongen speelde door, maar gaf zijn vraag niet op. Misschien, dacht hij, is dit een verklaring:

Het directe verleden houd ik vast in mijn brein en koppel ik als het ware aan het heden: de nieuwe noot. Onbewust verwacht ik de volgende noot, die nog toekomst is, en dat telkens opnieuw. Zo ontstaat uit losse tonen een begrijpelijk geheel van melodie en compositie: muziek.

Momenten van verleden, heden en toekomst kleuren onze ervaring van de wereld om ons heen. 

maandag 7 september 2026

 

Over de toekomst

De toekomst wordt niet eenvoudigweg bepaald door wat al vaststaat, maar door een veld van mogelijkheden. Dat veld is echter nooit volledig te overzien. Er kunnen zich gebeurtenissen voordoen die binnen onze huidige voorstelling nog geen plaats hebben. Elke verbeelding van de toekomst blijft daarom voorlopig en speculatief. Neem de prei uit het vorige blog: iedere gedachte over hoe de stronken later kunnen worden aangetroffen, is niet meer dan een mogelijkheid binnen het perspectief van nu.

De tijd, en daarmee ook de toekomst, is geen gesloten systeem zoals de klok ons doet vermoeden. Op een klok lijkt tijd te bestaan uit gelijke, meetbare eenheden: een minuut is een minuut. Maar geleefde tijd laat iets anders zien. Momenten staan niet los naast elkaar; zij vloeien in elkaar over en krijgen betekenis door wat eraan voorafgaat en erop volgt. Dat merken we in de ervaring: een minuut kan kort lijken, maar ook eindeloos duren.

Een werkelijke voorstelling van de toekomst is pas mogelijk wanneer zij ophoudt toekomst te zijn en zich als heden aandient. Pas achteraf wordt zichtbaar welke mogelijkheden daadwerkelijk openlagen. In die zin bestaat het mogelijke niet als volledig kenbare werkelijkheid vóór ons, maar verschijnt het in het spiegelbeeld van het heden in het verleden. De toekomst is daarom niet simpelweg te voorspellen: zij ontstaat in de overgang van mogelijkheid naar werkelijkheid.

 

dinsdag 1 september 2026

 

Achter het menshoge zwarte raster dat om het sportveld ligt, landt lachend een groene specht. Een juveniel, gezien zijn nog enigszins matte kleuren. Reagerend met eveneens een lach, vliegen door de populieren nog drie exemplaren. Waarschijnlijk zijn het broers en zussen.

Bij een bungalow aan het begin van een landtong tussen twee watergangen, ligt een oase van groen. Diverse naaldbomen delen de ruimte met loofbomen. Een eldorado voor een pracht aan vogelsoorten.

Een boomvalk zoekt in de lucht een prooi. Een boerenzwaluw, of misschien een libelle, die zijn versnapering zoekt in de ruigte langs het pad. In de struiken langs het water beweegt zich een vaalbruin vogeltje. Om niet op te vallen maakt hij geen geluid. Het wit rondom zijn keel wijst op een grasmus.

vogelaars voldaan
na het zien van al dat moois
keren huiswaarts weer

maandag 31 augustus 2026

 

Hij wandelt tot aan het havenhoofd. Daar gaat hij op de kademuur zitten. Zichtbaar in het water is een fikse onderstroom, geen golfslag. In het heldere water schieten scholen visjes druk heen en weer, zoals wolken spreeuwen dat in de herfst doen, maar dan in de lucht. Een onbedwingbare gedachte dringt zich op.

Hij weet niet waar beweging begint. Bij de vis, die met staart en vinnen door het water snijdt, of bij het water zelf, dat haar al draagt vóór zij zich verzet. Misschien is geen van beide eerste. Misschien bestaat beweging alleen waar het ene het andere ontmoet: vin en stroom, lichaam en richting, wil en drift. Zoals schuim aan de kust niet enkel door de golf uit zee ontstaat en ook niet enkel door het terugkerende water vanaf het strand, maar zichtbaar wordt in de spanning daartussen.

water stroomt willoos
vissen schieten door de stroom
licht breekt in golven

dinsdag 25 augustus 2026

 

‘Gedachten brengen een vorm naar voren.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ideeën kunnen abstract zijn, nog niet zichtbaar. Een vorm maakt ze inzichtelijk en concreet. Een vorm, als materie, is vergankelijk. Een idee lijkt dat minder te zijn, zeker wanneer het om een fundamenteel grondidee gaat. Het woord zegt het al: fundament, de basis. Misschien is zo’n idee niet permanent, maar wel duurzamer dan de vorm waarin het tijdelijk verschijnt.’
‘Maar een gedachte, een idee, kun je toch aan je voorbij laten gaan? Yoga en meditatie zijn daar sterk in.’
‘Ja, maar de kracht van een gedachte is ook sterk. En wat nu als je jezelf een illusie, een begoocheling, voorspiegelt?’
‘Het is dus zaak om je gedachten te observeren en in te zien dat ze weleens niet waar kunnen zijn. Ze open te laten voor andere ideeën.’
‘Ja, maar ook dat kan een illusie zijn.’

De overgang van individuele gedachte naar publiek complot denken begint bij twijfel. Twijfel kan bevrijdend zijn wanneer zij een gedachte onderzoekt, maar zij kan ook ontsporen wanneer zij elk tegenargument bij voorbaat als verdacht beschouwt. Dan wordt twijfel geen middel tot inzicht, maar een gesloten systeem dat zichzelf bevestigt.

‘En zo zijn wij beland bij complot denken: samenzweren, onder één hoedje spelen.’
‘Kun je daar een specifieker voorbeeld van geven?’
‘Als een argument uitgesproken wordt, is het zaak dat te bevragen. Het beste is om bij de basis te beginnen, want vaak is de uitgesproken argumentatie  gevormd langs mogelijke dwaalwegen: twijfels, vragen, patronen en lijnen. Hoe zuiver is de ‘uitgesproken’ argumentatie dan nog?’
‘En daar kan misbruik van worden gemaakt: het zogenaamde complot.’
‘Inderdaad. Blijft die complottheorie in min of meer besloten kring, dan is dat niet erg. Wordt zij publiek, dan ligt het geheel gevoeliger.’

‘Een argument tegen complotdenkers is dat zij goedgelovig zijn in hun denken, terwijl er juist hiaten in dat denken leven. Het is dus zaak om die leemtes op te sporen en zichtbaar te maken. Logica en realiteit zijn daarbij cruciaal, niet als wapen tegen de ander, maar als middel om samen te toetsen wat standhoudt.’
‘Maar pas op. Het blijft een zaak van samenwerking tussen intuïtie en logica. Ik denk dat geen van beide de overhand mag krijgen. Of zou dit mogelijk, zonder dat ik het zelf doorheb, een dwaalspoor kunnen zijn naar een complot?’ Gedachten geven ideeën tijdelijk vorm, maar die vorm blijft vergankelijk en kan misleidend zijn.
Daarom is het nodig gedachten te observeren en open te houden voor andere inzichten.
Twijfel kan tot inzicht leiden, maar kan ook ontsporen wanneer zij elk tegenargument wantrouwt.
Dan verandert twijfel in een gesloten systeem dat zichzelf bevestigt: complot denken.
De tekst pleit voor het zichtbaar maken van leemtes in denken, waarbij logica, realiteit en intuïtie samen moeten toetsen wat standhoudt.

#

 

De kern van de tekst is dat gedachten ideeën tijdelijk vormgeven, maar dat die vormen altijd voorlopig en vergankelijk blijven. Twijfel kan helpen om gedachten kritisch te onderzoeken, zolang zij open blijft voor andere inzichten. Wanneer twijfel echter elk tegenargument wantrouwt, kan zij omslaan in een gesloten systeem van complot denken. De tekst pleit daarom voor het zichtbaar maken van hiaten in denken, met logica, realiteit en intuïtie als gezamenlijke toetsstenen.

 

#

 

gedachten dwalen
zoeken naar een vaste grond
leemtes spreken zacht

 

  

donderdag 13 augustus 2026

 

Het hemdje wappert verlokkend aan een waslijn in haar tuin. Maler kijkt en hoopt. Zou ze komen? Zijn kater loopt hem ongedurig voor de voeten. Wil hij naar buiten, of op schoot? De zomer lokt. Geurende bloemen lokken vlinders en libellen. Nagels krabben zich scherp aan de mat bij de deur, die openstaat. Snorrend loopt de kater naar buiten.

Verlangen brengt onrust. Maler weet het. Het huis opruimen helpt. Ook al lijkt het overbodig en nutteloos. Afwassen, strijken, stofzuigen. Als de klus geklaard is, wacht zijn tuin, die grenst aan die van haar. Vandaar kijkt hij even naar het hemdje. Zijn fantasie, en toch ook het niet te stillen verlangen, regeert.

En de kat? Die kijkt toe. Likkebaardend. Zojuist heeft hij een uit het nest gevallen jonge duif verscheurd en verorberd. Maler denkt, na het verlekkerd bewegen van de kattentong, aan het bed met de door haar beslapen lakens. Haar adem, geur en geluiden. De gong van de voordeur wekt hem uit zijn droom.

donderdag 6 augustus 2026

 

Aan het strand

‘Waar gaan we heen, naar de Tweede Slag, bij de Paddenstoel?’ ‘Ja, dat is oké.’ Een parkeerplek zoeken is niet moeilijk. Een man in een oranje vestje geeft instructies en wijst de weg. De parkeerkosten digitaal regelen blijkt lastig. De felle zon hindert.

Een plekje aan het strand is makkelijk te vinden. Het is niet druk. ‘Ga je mee naar het water?’ De kleine jongen, die niet vaak aan zee komt, is enthousiast en dribbelt naar de kust, waar minuscule golven aanspoelen. Hij stapt er makkelijk overheen.

In het water drijft wier, en een krab keert zich, net als het zusje van de jongen, van rug naar buik. Andersom is, net als bij zijn zusje, wat moeilijker. ‘Kijk, daar een kleine kwal. Kom eens. Zie je die sliertjes? Dat zijn tentakels. Soms prikken die.’

Op het strand liggen ontelbare schelpen. De een nog mooier dan de andere. ‘Zoek de mooiste maar uit en bewaar ze maar in dit bakje.’ Zoeken, wat is dat? Grof schuiven de handen over en door het zand. De mooiste uitzoeken is voor thuis.

‘Kom mee naar de auto. De parkeertijd is bijna verstreken. Maar er is nog tijd voor een ijsje. Lust jij dat?’ Bij de Paddenstoel staan stoelen en tafels onder een parasol in de schaduw. Een perenijsje doet wonderen. Zo ook het snel smeltende softijs.

 

kijk neer op een nek
jaarringen aangewaaid vuil
de oude man zwijgt

woensdag 29 juli 2026

 

      Tweespraak

Gedachten en gevoelens

 

‘Vind jij jezelf zielig dan?’

   Een kiekendief glijdt over de grens van water en riet.

‘Een juveniele bruine is het, niet?’
‘Ja, een mannetje, gezien het grijs op de vleugels.’

   Veel meer aan vogels is er niet te horen en te zien. Juli: komkommertijd.

‘Nee, zielig vind ik mij niet. Het is eerder boosheid, geboren uit frustratie. Hopelijk tijdelijke onmacht.’

   Een pen pakken, schrijven, dat helpt. Vermeng fictie met de werkelijkheid. Schrijf! Wat hem bezighoudt, zijn de verschillen tussen gevoelens en emoties. Elke waarneming — horen en zien — is vaak de grond voor gedachten waaruit gevoelens ontstaan, die langdurig kunnen aanhouden. Emoties zijn kort en intens.

‘Ik houd van mooie, lange zinnen. Niet te lang natuurlijk, maar literair, met metaforen, waarbij je even pauze houdt om te herlezen en het tot je te laten doordringen. Jij?’

‘Ja, maar nu even niet. Ik lees op het ogenblik over Engelse studenten, waarbij er één probeert te ontsnappen aan de sfeer waarin zijn vader, een lord, leeft. En hij erin wordt meegezogen. Daarbij staat hij recht tegenover zijn vader. Een leven vol conflicten: met zijn vader, zijn vrienden en zichzelf. Toch, omdat ik weet dat het fictie is en naar mijn gevoel wat losser dan een roman, behapbaar.’

   De lucht is al een tweetal dagen geklaard. Voor sommige mensen aangenaam warm, anderen vinden juist hun gerief er niet in. Het rare is ook dat vlinders, vogels en wilde bijen, zich weinig laten zien. Welke gedachten zouden daarbij rondzwerven?

‘Weet je, wij schrijven graag. De gedachten die wij daarbij hebben, moeten wij kwijt. Pak een pen, schrijf!’

‘Oké, ik denk dat je gelijk hebt. Ik zal mijn gedachten eens op een rijtje zetten. Je hoort of,’ - een glimlach verschijnt - ‘je leest.’

#

Op tafel staan een glas wijn en whisky. Een houtduif vliegt koerend over, landt op een dak en vervolgt zijn vocale kunsten. Aan de muur hangt een pre-kubistisch schilderij.

‘Wat vind jij ervan?’ — wijzend naar het doek.

‘Prachtig. Een origineel?’

‘Ja, kom eens hier. Trek deze witte handschoenen aan en wrijf er zachtjes over.’

 

   Dit kan niet anders dan echt zijn. Het geheim wordt prijsgegeven. Van Paul Cézanne. De vriend van Émile Zola, de grote schrijver.

‘Maar dit prachtige werk moet een fortuin waard zijn. Hoe kom je eraan?’

‘Zelf geschilderd.’

‘Maar dat is plagiaat.’

‘Vind je het nu niet mooi meer?’

‘Nee.’

   De gedachten kleuren de gevoelens, die zich uitten in niet-gecontroleerde bewegingen. Terwijl hij zich aangedaan afwendt van dat wat aan de muur hangt en wat hij betastte, stoot hij een glas alcoholisch vocht om. Buiten krast een zwarte kraai.

‘Bijzonder, hè, dat gedachten bepalen wat jij mooi vindt en wat niet. De gevoelens die je daarbij krijgt, de emoties die daarop volgen.’

Misschien moet je iets er gewoon laten zijn. Zonder er in gedachten iets van te vinden.

 

 

woensdag 22 juli 2026

 

Zoekveen en Vindgaard zijn allebei wijken uit de jaren tachtig van de vorige eeuw: ruim opgezet, kronkelig aangelegd en vermoedelijk ooit bedacht met de beste bedoelingen. Mijn plan is eenvoudig. Ik wil mijn nek, schouders en rug laten masseren, de boel weer een beetje losmaken en bijwerken — gewoon ter ontspanning. Maar nog voordat ik op de fiets stap, begint het gedoe al. Op de laptop en op mijn mobiel blijkt het adres zoeken een kleine onderneming. Ik draai de kaart, zoom uit, zoom weer in, en telkens verdwijnt precies de plek die ik nodig heb uit beeld. Ongeveer weet ik waar ik moet zijn. Dat moet genoeg zijn, denk ik. Dus stap ik op de fiets en ga op pad.

Ter plekke kies ik eerst een herkenbaar punt: een parkeerplaats, een hoek, iets waarvan ik later nog kan denken dat ik er geweest ben. Vanaf daar probeer ik met behulp van de wegwijzers de juiste richting te vinden naar het huisnummer — laten we zeggen nummer 10. Al snel blijkt de wijk een doolhof. De paden lopen niet logisch, de nummers volgen elkaar niet op en achter elke bocht lijkt weer een nieuwe mogelijkheid te liggen. Dan maar iemand aanspreken. Een bewoner wijst mij vriendelijk de weg, maar via steegjes en doorgangen merk ik al snel dat ik opnieuw verkeerd loop. Ik zeg het hardop, keer om en probeer het nog een keer. Ook dat mislukt. Uiteindelijk blijft er maar één oplossing over: bellen.

“Waar staat u?” wordt er gevraagd. “Bij nummer negen,” antwoord ik. Nummer tien zie ik nergens. Nummer elf trouwens ook niet. Wel andere nummers, maar die lijken in geen enkel logisch verband te staan met negen, laat staan met tien. “Ziet u de elektrische laadpaal?” Ja, die zie ik. “Net daarvoor moet u naar links. Dan wijst het zich vanzelf.” Maar juist daar was ik net geweest, en ook daar vertellen de huisnummers mij niets. Pas een klein zijsteegje biedt uitkomst. Wie bedenkt zoiets? Even later sta ik eindelijk op het juiste adres — maar wel aanzienlijk minder ontspannen dan toen ik vertrok.

Later vraag ik me af hoe dat moet gaan als er echt haast bij is. Hoe vindt een hulpverlener, een ambulance bijvoorbeeld, op tijd het juiste adres in zo’n wijk? Hoeveel kostbare minuten gaan er verloren voordat iemand doorheeft welk steegje, welk paadje of welke onlogische afslag de juiste is? En dan denk ik aan mijn eigen doel van die dag: ontspannen. Hoeveel massages heb ik inmiddels nodig om langdurig te profiteren van één ontspannende behandeling? Eerst maar eens de weg naar huis terugvinden.

 

donderdag 16 juli 2026

 

daar staat zij
boven de krater
waar blauw water slaapt

een meer omzoomd
door groen — bomen, struiken,
rotsen vol fleurige bloemen

over haar schouders
ligt een kleine witte sjaal
de slippen rusten stil

starend kijkt zij
naar de diepte, het vreemde dat onder
de versluierende bedding ligt

en de wind blaast
haar rok, het witte sjaaltje
zacht omhoog

donderdag 9 juli 2026

 

Een hoofd vol mogelijkheden — en toch, toch weet hij niet wat te doen. Dan maar op de bank zitten. Staren. Althans, daar lijkt het op. Subtiel, en misschien wel onbewust, wacht hij op wat komt. Schrijven! In zijn hoofd doet hij het al. Starend naar de grond voor hem dringt zich een haiku op.

zon en wind spelen
schaduw van takken beweegt
op verlichte vloer

Eerst fietsen. Het bolletje leegtrappen.  Wat op het papier het licht wil zien, dringt zich op — totdat ook dát aan zijn stutten trekt en ongemerkt mee pedaleert.

Glimlachend denkt hij aan een anekdote. De vierjarige probeert een citroen te persen, maar het lukt niet. ‘Dat kreng doet het niet,’ klinkt het door de keuken. ‘Wat zeg je nou? Wie zegt dat nog meer?’ ‘Opa. Hij zegt dat vaker.’ Ja opa: oppassen met wat je zegt.

En zo fietst hij verder: met de wind schuin op kop, de woorden verscholen in de luwte en een glimlach die de weg naar huis al kent.

dinsdag 7 juli 2026

 

Hand in hand lopen ze langs het speeltuintje, waar de nacht nog tussen de toestellen hangt, en langs het gebouw waar op zaterdagen de fanfare oefent. Opa en zijn kleinzoon, samen op weg naar school. Het kleine handje ligt warm in het zijne. Eens kijken, denkt opa, of hij de weg al kent. ‘Waar moeten we straks het hoekje om?’ vraagt hij. ‘Bij de bakker.’ ‘Die is er niet meer, hè. Waarom niet?’ De jongen kijkt niet op of om. ‘Die is ziek en moet in bed liggen, slapen tot hij beter wordt.’

In de straat kijken zij om zich heen en praten wat, over van alles en nog wat. Af en toe versnelt opa ongemerkt zijn pas. Anders komen we niet op tijd, denkt hij, terwijl hij doet alsof er alle tijd van de wereld is. Op een hekje zit een vogeltje. ‘Kijk eens, een mus.’ De jongen blijft staan, volkomen een met het ogenblik. Van alle kanten ziet opa kinderen naderen: met een vader of moeder, alleen, lopend of slingerend op de fiets, allemaal op weg naar het schoolgebouw. ‘We moeten doorlopen, hoor,’ zegt hij zacht. ‘Anders komen we te laat.’

Op het schoolplein kolkt het van stemmen, jassen, rugzakken en haastige groeten. Eerst de grootste bups maar laten voorgaan, vindt opa; hij weet dat sommige drukte vanzelf minder wordt als je even wacht. Bij de ingang van het plein staat een juf die iedereen welkom heet, alsof elk kind afzonderlijk binnen mag stappen in een nieuwe dag. Ook bij de voordeur staat er een. Later zullen ze wel schor zijn van al dat groeten. De kleine jongen loopt voorop, ineens zeker van zichzelf. Hij weet precies waar hij wezen moet. Aan een plank langs de muur hangt een haakje, met daarboven een sticker met zijn naam. Daar mag de rugzak hangen, net iets te hoog voor de kleine knaap.

Bij het klaslokaal worden ze opnieuw begroet. Zoveel goede wensen op één ochtend. Een jongetje schuift de stoel van de kleinzoon naar achteren, alsof hij hem verwacht. Daar mag hij zitten. Op het tafeltje ligt een wirwar van stokjes en kleurtjes klaar. Hier ga ik een toren van bouwen. Opa staat nog even in de deuropening. Dan merkt hij dat hij al niet meer nodig is. Stilletjes, sluipt hij ervandoor.

Buiten is de stoep bij de school inmiddels te smal geworden voor alles wat tegelijk wil vertrekken en aankomen. De hogere klassen stromen toe; grotere kinderen, grotere fietsen, grotere gebaren. Dan maar een stukje over de straat. Fietsen scheren rakelings voorbij, met bellen en tassen, en opa wijkt net op tijd uit. Thuis doet hij zijn verhaal. Het was hartstikke leuk, zegt hij, maar ook wennen. En om dit elke dag te doen … petje af voor al die pappa’s en mamma’s. Later denkt hij terug aan vroeger, en aan nu, aan handen die hij ooit vasthield en aan dit kleine handje van vandaag. Hij kan het nog. Hij mag het nog. En misschien is dat wel het mooiste van de hele ochtend.

 

donderdag 2 juli 2026

Traag schuift de schemering de zon achter de horizon. Wij lopen ons vertrouwde rondje. Beneden ons lossen de huizen langzaam op in vage contouren; boven ons zoekt een laatste vlucht spreeuwen naar een slaapplaats. Gaandeweg verstomt ons spreken. De vragen die wij nog in ons dragen, lijken door de wereld om ons heen beantwoord te worden — niet met woorden, maar met haar zwijgende aanwezigheid. Wanneer wij gaan zitten, beseffen wij beiden, bijna gelijktijdig, dat de wereld op zichzelf onverschillig is. Misschien maakt juist dat elke vraag die wij haar stellen overbodig. Onze antwoorden onthullen uiteindelijk minder van de wereld dan van onszelf. 

maandag 29 juni 2026

Laat in de middag gaat hij zitten op een bankje midden in de zaal. Ik observeer hem. Tientallen bananen kleven onder stroken ducttape aan de wanden. Vaag herinner ik mij er één: Comedian van Maurizio Cattelan. Levensecht. Zo zal wellicht ook dit verhaal overkomen. En toch: het beeld — niet de tekst — is geprogrammeerd met AI. Komisch, niet?

                                                                                        #

 

‘Wees tevreden,’ klinkt het in de stroom van mijn gedachten. Een klein woordje van twee letters — te — houdt de denkbeelden even tegen, alsof het hun heftige voortgang wil temperen. ‘Overal waar te vóór staat … wees daar voorzichtig mee. Te veel, te vaak. Maar hoe zit dat met tevreden?

Een klein gedachte-experiment: als er alleen maar vrede is, als je jezelf voortdurend vredig voelt en tevreden bent, zou dat dan niet spoedig gaan vervelen? Moet er niet, hoe stil ook, een innerlijk conflict bestaan om de balans te kunnen vinden — om vrede überhaupt als vrede te herkennen? Onbewust voltrekt zich dat, denk ik. Ook bij hen die nergens tegenin lijken te gaan en tevreden rusten in een toestand van permanente vrede.

Ik laat mijn gedachten stilvallen bij de laatste twee begrippen die zich aandienen: dankbaarheid en acceptatie. Pas daar de betekenis van dat kleine woordje te maar eens op toe. 

woensdag 24 juni 2026

Het verborgen gewone

Van niets naar iets
alsof het eerste
stappen zijn

Passie, even
gedoofd als vuur
in mist
Een kauwtje bukt
in het gras, kijkt
opzij

Het verborgen gewone
toont zich, schijnbaar
ongewoon
De ware ik blijft
stil, spreekt niet
is meer dan dat

vrijdag 19 juni 2026

 

Monoloog

‘Het landschap: gemaaid gras, vlas. In de verte, langs de weg: bomen als afbakening van een perceel. De zon schijnt genadeloos — fel en warm. Als ik het niet zie; sterker nog, als het niet wordt waargenomen en als het ware op zichzelf is, is het zonder betekenis. Pas als ik mijn gevoelens over wat ik ervaar onder woorden breng — al is het in gedachten — krijgt het betekenis; is het niet meer op zichzelf. Het landschap als spiegel van de ziel.’

dinsdag 26 mei 2026

 

Of het door het warme weer komt, door de zon die haar warme stralen onbarmhartig naar de aarde stuurt, door de La Trappe — een alcoholrijk bier —, of door beide: waar zij over spreken is nauwelijks te volgen.

‘Goed, laten we stellen dat er een beginsel was van al wat is. Dan is er volgens mij ook een beginsel van het bewuste leven. Dat waaruit onze driften en bedoelingen voortkomen. Dit beginsel laat zich met woorden verder niet omschrijven. Laten wij het Dat noemen.’

Een van hen schiet een ober aan en vraagt naar hun bestelling. Het duurt wel erg lang. Die verontschuldigt zich en trekt aan zijn stutten. Overvol is het restaurant.
Buiten rijden zuchtend fietsers voorbij. Propvol is ook het buitenterras.

‘Maar wat is nu de eigenlijke essentie, de grond van het fundament van deze aandrijvende wil? De wil tot het gevoel: ik heb dorst, ik wil drinken; de sturende wil van: ik moet drinken, anders krijg ik een dorstgevoel. De wil die het gevoel stuurt en/of de ratio.’

De bestelling wordt afgezegd. Aangeschoten wandelen de twee in vaste tred, dat wel, dwalend door het bos. Libellen zweven voorbij, een koekoek speelt verstoppertje, een kijkscherm lokt hen naar een vijver waar een reiger, nog onzichtbaar maar al hoorbaar, schreeuwend overheen vliegt.

‘De wil is het ding op zichzelf. We kunnen het niet kennen, tenzij we het zelf zijn.’
‘En nu weet ik het niet meer. Laten we stoppen.’

‘Nee, wacht nog even. Zijn wij het niet zelf? Je noemde het beginsel Dat. Stel dat wij Dat zijn. Stel dat alles Dat is, dan zijn we er toch uit?’

Zwijgzaam lopen ze verder. Een specht vliegt over, landt in een stam van een boom, kruipt uit het zicht, loopt om de stam heen, kijkt of de kust veilig is. Zo eindigt dit verhaal en sukkelt u als lezer vast in slaap, of juist niet.   

donderdag 21 mei 2026

 

Op een zonwarme donderdagavond rijden twee vrienden over de snelweg naar het zuiden van de stad. Aan de rand van een park dat een buffer vormt tussen industrie en woongenot parkeren zij de auto. Een wandeling door het groen zal hen goed doen. Langs het wandelpad voert een steiger hen naar het plateau bij de vijver, met adembenemend uitzicht.

Waterlelies staan in bloei, terwijl daartussen een paartje futen elkaar kopschuddend het hof maakt. Stelletjes wilde eenden, sommigen met jongen, vullen het tafereel aan en versterken de landelijke sfeer. Terwijl ze met elkaar praten over wat hen bezighoudt, verdwijnt het doel van hun reis steeds meer naar de achtergrond: de bezichtiging van de stad.


‘Heb jij deze week nog iets bijzonders gelezen?’
‘Ja. Het was zó moeilijk te begrijpen dat mijn brein ervan uit elkaar viel. Niet zomaar in twee stukken, maar in kleine oerdeeltjes. Die proberen nu langzaam weer samen te klonteren. Ik wacht alleen nog op een oerknal, zodat alles uiteindelijk weer uiteen kan vallen in woorden die wél begrijpelijk zijn.’
‘Vertel. Ik heb nog wel wat buskruit om de boel op te blazen en daarna weer samen te voegen tot iets moois.’
‘Ik las het volgende.’

“Hij bezit de psychologische kwaliteit om in de weerkaatsingen van zijn eigen innerlijk het zielenleven van de meest uiteenlopende mensentypen tot klinken te brengen, evenals de ethische hartstocht voor de waarde van de mens als type.”

Rimpels verschijnen op het voorhoofd van zijn vriend. Een nachtegaal die net nog vrolijk zong, zwijgt plotseling en fladdert haastig weg naar een veiliger plek. Dan valt er een doodse stilte.
‘Tsja, misschien is het zo begrijpelijker?’


“Hij heeft het vermogen om in de weerspiegelingen van zijn eigen innerlijk het gevoelsleven van zeer verschillende mensentypen tot uitdrukking te brengen. Ook bezit hij een sterke ethische gedrevenheid voor de waarde van de mens als type.”

Langzaam breekt de stilte, alsof de dageraad actief wordt. Stel je die voor: een nog actieve nachtvlinder fladdert zijn laatste vlucht, een roodborst verdringt de nacht met enigszins melancholische tonen. Denkrimpels lossen langzaam op. Tijd om actief deel te nemen aan een nieuwe dag. ‘Ik weet het. Wat denk je hiervan?’

“Hij kan zich diep in verschillende mensen verplaatsen en voelt sterk de waarde van de mens.”

Op dat moment lijken de twee vrienden volledig op één lijn te zitten. De laatste schemering begeleidt hen naar de auto, die sputterend tot leven komt. Hun tevredenheid krijgt een kleine knauw: de tank is leeg.