zaterdag 22 juli 2017

Dwalen door Schiedam - (Voor Kees)


Met mijn gedachten bij de zinnen die ik straks ga schrijven, staar ik door de ramen van de Metro in het ‘niets’. De stem van de vrouw uit de luidspreker haalt mij terug in het heden. Even moet ik mij heroriënteren, maar dan weet ik weer waar de Metro zich bevindt: Station Tussenwater. Nog een paar minuten en dan rijd ik langs Pernis, het dorp waar ik geboren ben. Het doel van mij reis is Schiedam. Op station Parkweg stap ik uit. Bij de Noordvest houd ik halt en schiet enkele plaatjes van de torenhoge molens langs de vest. Vroeger werden de molens ingezet als brandersmolens en maalden gemout graan voor de branders, die moutwijn stookten voor de jeneverindustrie. Als ik de Lange Haven ben overgestoken, sta ik middenin het oude centrum. Door steegjes en smalle straten met de mooiste poëtische namen wandel ik het Stedelijk Museum binnen, waar een expositie is over Pierre Jansen. Hij was een van de eerste kenners die kunst in Jip-en-Janneke taal aan de man bracht. Op het uur dat hij voor de AVRO een schilderij besprak, was het muisstil op straat, iedereen zat gekluisterd voor de televisie. In het museum is een huiskamer uit de jaren zestig nagebootst. Ik ga in een van de luie stoelen uit die tijd zitten en kijk naar een programma in zwart-wit op een oude televisie. Ik vergeet de tijd. Pierres verteltrant is pakkend en als hij klaar is met zijn verhaal, kijk ik met andere ogen naar het schildrij wat hij zojuist besprak.


Met een knapperig Frans stokbroodje rosbief loop ik richting de B.K. laan. Al eerder wilde ik een wandeling maken door de wijk die zuidelijk langs de laan ligt, vandaag is het daar een uitstekende dag voor. De wijk is rijk aan groen en regelmatig sta ik stil om van de huizen en de tuinen te genieten. Dan ineens sta ik voor een van de ingangen van het Juliana park. Vrolijk met deze verrassing wandel ik het park in, over een bruggetje dat twee vijvers met elkaar verbindt. Een asfaltpaadje slingert zich tussen groene gazons door, waarin grote bomen voor de nodige schaduw zorgen. Her en der staan bankjes. Op een van hen ga ik zitten, naast een man die zojuist een middagdutje doet. Als hij wakker wordt groet ik hem en nog suf van de slaap groet hij mij terug. Hij pakt de taak op waarmee hij eerder bezig was; met een klein potloodstompje schrijft hij zinnen op een vodje papier. Zou het een dichter zijn, denk ik. Zal ik hem aanspreken? Ik kijk nog even de kat uit de boom. Een merel op zoek naar een worm leidt mij af. Nog een keer observeer ik de man. Zal ik?  Dan staat hij op, doet zijn spullen in een tasje, groet mij vriendelijk en wandelt verder. Ook ik verlaat het park en wandel door het verderop gelegen Volkspark, een honderdeneen jaar oud park waarin zelfs nog een boswachterswoning van weleer staat. Nog een kleine kilometer en dan ben ik bij Vijfsluizen en kan ik met al het goede in gedachten, wegdromen in mooie zinnen.



dinsdag 4 juli 2017

Over Wegen


Het eerste weekeinde van juli ’17 was gereserveerd om een weekeindje Wapse (Drenthe) te vieren
samen met de familie van mijn vrouw.
Mijn plan is om met de racefiets naar Houten te fietsen, daar pikt José mij op, om verder met de auto naar Drenthe te rijden.

Vrijdagochtend rijd ik om ‘even over elf’ Spijkenisse uit richting de Krimpenerwaard om langs de Lek naar Nieuwegein te fietsen, daar steek ik de rivier over en zoek met behulp van een fietsrouteplan mijn plaats van bestemming: De sportvelden van Houten. Op de een of andere manier ben ik toch verkeerd gereden en om onnodig wachten van José te voorkomen bel ik haar op. Een sms bericht van haar vertelt mij dat zij in de file staat bij lunetten, waar een ongeluk heeft plaatsgevonden. Op een plattegrond bepaal ik het laatste stukje van tocht, die eenvoudig lijkt te zijn, ik hoef alleen de rondweg maar te volgen. In de praktijk is het echter zo makkelijk niet, de rondweg is verboden voor fietsers. Zuchtend probeer ik mijn weg door een doolhof van straten pal naast de rondweg te vinden. Voor de zekerheid vraag ik verderop de weg en dan rijd ik de parkeerplaats van de sportvelden op. José is er nog niet. Moe en hongerig rijd ik naar de kantine, waar ik wat te eten wil bestellen. De man achter de bar maakt echter net aanstalten om te gaan sluiten. Ik vertel hem mijn verhaal van de tocht en vriendelijk stelt hij voor om een broodje voor mij te maken.  Enkele minuten later krijg ik een warm en knapperig broodje kaas voorgeschoteld. Als ik die heb verorberd, bel ik José. Zij is inmiddels op de parkeerplaats gearriveerd. Ik zoek wat kleingeld om de man te betalen, maar dat hoeft niet. Verrast bedank ik hem en verlaat tevreden de kantine. Vriendelijke en behulpzame mensen, zij bestaan nog.

Zaterdagochtend word ik wakker van een druppelende lekke dakgoot. Een druilige regen waait bij vlagen over het Drentse land. Half in de ochtend lijkt het op te klaren en samen met René en Femke rijden José en ik naar Lhee om vandaar naar het Dwingelderveld te wandelen. Ik ben daar bekend van een eerder bezoek. Ter plekke lijkt het juiste pad vinden moeilijker dan gedacht en al gauw dwalen wij ‘doelloos’ rond. Niet dat wij sacherijnig zijn, maar vrolijk fluitende wandelaars zijn wij niet meer. Het bos is nat en donker en ook Pluvius plaagt ons opnieuw. Tijd om naar de auto te gaan, maar waar staat hij. Met behulp van een smartphone bepalen wij globaal onze richting. De juiste afslag nemen op elk kruispunt dat wij tegenkomen blijft min of meer een gok. Uiteindelijk komen wij bij een verhard pad en niet veel later bij onze auto. In de middag breekt de zon door. Tijd voor spelletjes en samenzijn met de familie in de tuin. Langzaam kabbelt de dag de avond in.

Tegen twaalf uur stap ik mijn ‘mandje’ in. Morgenochtend wil ik een grote tocht door Noordwest Drenthe fietsen. Van slapen komt het eerste uur niet veel, telkens word ik wakker van een piepende deur, gelach of toiletbezoek. Pas na enen als ook José naar bed gaat val ik in slaap. Het bioritme van thuis houd ik aan en al vroeg maak ik als eerste mijn ontbijt klaar, wandel een klein stukje over de weg voor ons vakantieadres heen en weer en maak mij niet veel later klaar voor mijn tocht.

Om negen uur rijd ik weg richting Vledder om vandaar via het bos en de hei naar Appelscha te rijden. Fietsen door Drenthe valt niet mee, althans over de verplichte bospaden. Deze zijn bochtig, stijgen en dalen te pas en te onpas en bovendien groeien er her en der wortels van bomen onder het asfalt. Niet echt comfortabel dus. Haast gaat het mis als een groepje tegenliggers als kamikazepiloten een onoverzichtelijke binnenbocht aansnijdt, ik kan nog net opzij. Bij Appelscha rijd ik via het Fochtelooerveen naar Veenhuizen en vandaar via de buitenwijken van Assen naar Smilde. Ik heb nog ongeveer een uur, dan wil ik terug zijn zoals ik heb afgesproken. Tijd om exact te bepalen waar ik ben, ook al heb ik de route min of meer in mijn hoofd. Ik besluit om via Appelscha naar Diever te rijden en vandaar terug naar Wapse. Een half uur later dan gepland zit mijn tocht van 95 km erop. De middag breng ik door met de familie. Na een lekker maal, die met zorg is bereid door mijn nichtje Lisa, is het tijd om naar huis te gaan. In de auto geniet ik na van twee leuke fietstochten en kan ik het weekeinde nog eens overwegen.

 

    

dinsdag 27 juni 2017

Kunst als intermediair tussen feit en fictie

Een van de eigenschappen van kunst is dat zij inspireert. Het zet degene die bijvoorbeeld een schilderij observeert aan tot creatief denken. Maar ook een onverwachte wending kan inspiratie zijn voor een creatieve geest. Een windvlaag bijvoorbeeld en de gevolgen daarvan. Feit en fictie vinden dan elkaar.

Wat wind vermag

Het strooien hoedje gegrepen door de
wervelende wind, tolt tot op de grond.

Aangewakkerd tot een stevige vlaag
stuwt zij het zoute water van de branding
tegen het canvas omhoog, dat nu tot leven komt.

Zie hoe wonderlijk werkelijkheid en fictie
samenvallen in het brein van de kunstenaar.

23-6 
Tino van Kampen




Woeste Noordzee

Sil van Mil

zo de wind het wil

de hoed waait
kapriolen draaiend
van mijn hoofd
naar het stof
op de boerengrond
voor de oude schuur

het water waait
kapriolen draaiend
in de branding
omhoog tegen het doek
waar zij het
uit haar hart penseelt

waaien feit en fictie
kapriolen draaiend
door elkaar in zijn
en brein – breekbaar
of vrijelijk samenvallend
zo de wind het wil

24-6 

Niels Snoek






woensdag 21 juni 2017

Kijken vanuit een sperwerperspectief


Van ver hoor ik ze aankomen. Onzeker verlaat ik het nest en verwissel van boom. Nu zie ik ze ook: Twee mannen met camouflagehoed. Op hun buik dragen zij apparaten waar zij zo nu en dan doorheen turen. Ik ken ze van de vorige keren en als waren zij stalkers beloerden zij minutenlang mijn doen en laten op het nest. En ook nu stelt een van hen zich op achter een driepoot terwijl de ander schijnbaar stoïcijns op gepaste afstand rondom mijn nest loopt. Vanuit de verte hoor ik mijn man roepen en niet veel later scheert hij met een prooi over mij heen. Ik zal uit mijn dekking moeten komen wil ik de prooi kunnen aannemen. Op dat moment is ook de man die rondscharrelt op zijn qui-vive. Als de prooi is overgedragen, vliegen mijn partner en ik razendsnel ieder een andere kant op. De man laat zich niet van de wijs brengen en seint geruisloos en effectief naar zijn maatje achter de driepoot. Op het nest wacht ik nog even met het opdelen van de prooi aan mijn vier donsjongen, dan vul ik de hongerige magen. De mannen kunnen mij niet deren, blijkbaar hebben zij geen kwaad in de zin. Als de prooi is opgedeeld en ik het nest verlaat en de mannen geheel in hun nopjes de capriolen van mijn kroost bewonderen, lijkt er een soort van vriendschap tussen ons te zijn ontstaan. Onopvallend verlaten zij later hun stekje, alsof ik er niet ben. Op een ander moment zullen zij vast terugkomen en wij gunnen ze dan opnieuw een kijkje in ons bestaan.      

vrijdag 16 juni 2017

Valken in hun lentelandschap


Zondagmorgen om kwart over vijf zoek ik na een nacht met weinig slaap de knop van mijn wekker, die modern als ik ben ligt verborgen achter het glas van mijn smartphone. Grommend omdat ik hem zo snel niet kan vinden, schuif ik mijn vinger over het venster en dan eindelijk houdt het irritante deuntje op. Ik stap uit bed en trek in vloeiende beweging mijn kleding aan, die ik de vorige avond heb neergelegd, loop naar de wastafel en houd mijn hoofd onder een koude waterstraal. Klaarwakker, fris en fruitig maak ik mijn ontbijt en wacht op mijn vriend Peter, om samen met hem naar een paartje boomvalken te gaan.

In de luwte van een knotwilg turen wij over een graanveld en wachten af wat komen gaat. Pas na anderhalf uur, als ik mijn benen strek en een groene specht die golvend langs vliegt volg, hoor ik het kek-kek van een mannetje boomvalk. Direct zoek ik oogcontact Peter, hij wijst naar een hoge rij populieren voor hem. Ik richt mijn kijker en ja hoor de valk doorkruist speels het gebladerte. Dan ineens is daar ook het vrouwtje, die na enkele manoeuvres in een beukenhaag haar gemak neemt. Het mannetje blijft korte tijd weg en keert terug met een prooi die hij aan het vrouwtje geeft. Op afstand kijkt hij toe hoe zij het vogeltje plukt en oppeuzelt. Met uitzondering van het verenpak verdwijnt de prooi geheel in de maag van de valk. Daarna veegt zij haar snavel af, poetst en fatsoeneert haar verenkleed en produceert een kleine braakbal. Na een klein kwartier neemt zij een horizontale houding aan, het sein voor het mannetje om op te vliegen en haar te bestijgen. Wat volgt is een korte maar liefdevolle copulatie, want na de geslachtsdaad blijft het paartje innig en liefkozend naast elkaar zitten. Dit bijzondere tafereel herhaalt zich deze morgen nog eenmaal, waarna wij als een kind zo blij onze optische instrumentaria inpakken en langzaam huiswaarts keren.

Later die week loeren wij bij een verlaten boerderij naar een boomnest waarin zich vier jonge torenvalken die bijna vliegrijp zijn, bevinden. Op zich is dit al bijzonder, want torenvalken broeden meestal in nestkasten. Wij vallen met onze neus in de boter. Twee jonge takkelingen* springen en fladderen over dikke takken en keren later, na de afstand tot het nest te hebben ingeschat, terug naar het nest. Dit inschatten doen zij door met hun kop van links naar recht te knikken. Het gehele proces is een vliegoefening. Het zal dan ook niet lang meer duren voordat de valken ‘op eigen vleugels gaan vliegen’.

Denk nu niet dat wij ‘alleen maar’ geluk hebben gehad. Nee, het vinden van de locaties vergt een lange en intensieve voorbereiding, die al in het vroege voorjaar begint. Het is er een van waarnemen en soms uren en vaak voor niets observeren. Dat is wat ons vogelaar maakt, het is voor ons meer dan het jagen naar zoveel mogelijk soorten. Het resultaat mag er deze lente zijn.

* Takkeling, jonge vogel die leert vliegen.        

   


zondag 4 juni 2017

(kinder)spel


Als kleine jongen kleedde ik mij

in een geel shirt en waande dat ik

de koploper was in de Tour de France.



Op een tweedehands jongensfiets

trok ik sprints, beklom ik heuvels

en demarreerde ik in de volle wind.



Eenmaal groot hield ik koers op een

echte racefiets en hing het shirt van mijn held

Claude Criquielion om mijn schouders.



De shirts hangen aan de wilgen

in casual kleding speel ik vandaag de dag mijn spel:

Die van Flandrien zoals Tommeke Boonen.