vrijdag 15 september 2017

Nostalgie


Pernis jaren zeventig
Op knetterende brommers rijden zij door de straten van Pernis, jongens van net zestien jaren oud. Met hun Zündapp, Kreidler of Yamaha verzamelen zij zich bij de plaatselijke sigarenboer en pikken daar hun meisjes op, voor een tochtje door en rond het dorp.
In die tijd had ik weinig belangstelling voor meisjes en al helemaal niet voor brommers. Toch om in de vaart van mijn vrienden mee te gaan, kwam ik in het bezit van een brommer; een heuse Sparta, de DAF onder de bromfietsen. Hij was voorzien van een klein JLO-motortje dat mij zelden in de steek liet. Een keer stond ik zonder benzine en pieste ik in de tank, schudde het vehikel heen en weer en haalde nog net een vijf kilometer verder gelegen benzinepomp.
Nu jaren later zie ik regelmatig mannen van mijn leeftijd ritjes maken op bromfietsen uit mijn jeugd. Als ik hen dan zie sleutelen aan hun Zündapp en later door de straten zie rijden, is dat voor mij een waar genoegen. Eigenlijk zou ik best ook een ritje willen maken.
Onderweg tijdens een wandeling vraagt een oude bekende of ik nog aan de Mozartweg woon. ‘Jawel’ antwoord ik. ‘En jij, sleutel jij nog aan je Zündapp?’ ‘Jazeker’ zegt hij. Wij raken aan de praat over zijn leuke hobby en voordat wij er erg in hebben zijn wij in de jaren zeventig beland.
In de avonduren sleutelt mijn zoon zo nu en dan met vrienden aan een oude Thomos. Ik vind het allemaal prachtig en wie weet rijd ik binnenkort opnieuw rond op een volautomatische Sparta.       

woensdag 13 september 2017

Gedicht


Verveling

In die eindeloze stroom van lege uren,

vanaf het prille ochtendgloren
via het klaren van de bewolkte lucht
tot het flonkeren van de sterren,

ligt het verlangen naar een nieuwe dag
gevuld met het zachte zoemen van mijn muze.

dinsdag 8 augustus 2017

Komkommertijd


In augustus, wanneer u dit stukje in de krant leest, is de vogelwereld in rust. De zang is allang over zijn hoogtepunt heen en territoria worden niet of nauwelijks meer verdedigd. Jonge vogels zwerven uit en sommige vogels verzamelen zich al voor de naderende najaarstrek. Voor vogelaars is het een rustige tijd. Omdat roofvogels zich het hele jaar door laten bewonderen, ligt daar mijn aandacht. Echter ook zij laten het vandaag afweten. En al fietsend onder een mild zomerzonnetje laat ik mijn gedachten gaan over vroegere avonturen.   
Aan de oever van een kreek ga ik zitten in het gras. Enkele al bijna volwassen kluten zeven met hun opgewipte snavels voedsel uit het ondiepe water. Dichter en dichter naderen zij een onzichtbare grens die mij van hen scheidt. Een oudervogel houdt de scheidingslijn nauwkeurig in de gaten. Bij overschrijding alarmeren zij de jongen met een scherp kluu-iet, kluu-iet. Haast onbeweeglijk geniet ik van het tafereel. Later sta ik op en wandel naar mijn fiets. Een argeloze haas loopt over het grindpad naar mij toe, stopt even en staart mij aan, om vervolgens alsof ik niet besta mij tot op zes meter te naderen, dan draait hij zich kalm om en verdwijnt in het hoge gras. Dit doet mij denken aan een bijzonder tafereel bij de vogeltelpost in Breskens. Met anderen was ik daar om de voorjaarstrek te ervaren. De eerste golf van doortrekkers leek achter de rug en omdat er in een naastliggend veld een rode wouw bivakkeerde was onze aandacht daarop gericht. Tot het bericht kwam van een zuidelijker gelegen telpost dat er een boomvalk onderweg was en inderdaad nog geen kwartier later vloog de roofvogel pal voor ons langs over het helmgras. Even had ik oogcontact met hem en voelde ik verbondenheid. Een vlucht boerenzwaluwen maakte het helemaal bont, zij trokken zich niets van ons vogelaars aan en vlogen tussen de poten van de opgestelde statieven door. Haast is blijkbaar niet alleen een menselijke eigenschap.        
Bij een poel parkeer ik mijn fiets tegen een bankje voor een lekkere lunch. Terwijl een sperwer druk op jacht is naar een zangvogel als prooi, vangt een futenpaar kleine visjes voor hun kroost. De nog spartelende visjes worden de jonge futen in het water aangereikt. Vliegensvlug moeten zij het visje opnieuw zien te vangen. Als dit niet lukt, vangt een ouder het visje nog een keer, en reikt het dit keer direct aan. Verwonderd kijk ik naar deze bijzondere vertoning. En zo vult zich de tijd, met afwachten wat zich aandient. Het is een samenvallen met de natuur om mij heen, dat maar een klein deel is van een nog groter geheel.

        
Dit stukje verscheen eerder in Groot Goeree Overflakee 

vrijdag 4 augustus 2017

Horror Vacui


Voor haar rijden twee fietsers. Een oudere man op een racefiets en een jongen op een mountainbike. Beiden dragen zij kleurrijke kleding. Het jongetje dat haar hoort aankomen, stuurt zijn fiets behendig in de berm. De man schuift op naar de kant van de weg. Voorzichtig rijdt Megan hen voorbij en neemt de afslag naar links. Honderd meter verderop parkeert zij haar auto, en maakt zich klaar voor een wandeling door bos en duin.

Om haar nek hangt een verrekijker, al denkt zij die niet veel nodig te hebben; wat vogels betreft is het komkommertijd. De zware boslucht doet haar goed. Bij een open plek staat zij even stil om te kijken naar de boerenzwaluwen die laag over het veld vliegen. Een oude eik markeert een splitsing. Zij kiest het zandpad in de hoop dat de man met buggy, die al een tijdje achter haar aan sjokt, niet ook op dat idee komt. Piepende wielen en een kierend kind is nu net wat zij zich niet wenst. Zo nu en dan passeert zij een duinhuisje waarover zij fantaseert. Als zij bij een klaphekje het duin inloopt en het bos achter zich laat, trekken enkele kneuen haar aandacht. Met haar kijker bestudeert zij de vogels. In het nattere deel van het terrein geurt het naar watermunt en kwetteren staartmezen tussen het berkenblad. Zij besluit een met zand opgespoten zone, waar de dwergstern broedt, te doorsteken richting het strand. Daar kan zij genieten van de weidsheid en de jagende wolkenformaties boven de zee. Alles is zoals zij zich had voorgesteld. Megan is op en top tevreden.

Nadat zij rond het middaguur op een bankje kort pauze heeft gehouden, besluit zij op haar gemak terug te keren. Op dat moment wordt zij vanuit het niets overrompeld door een gevoel van lusteloosheid. Alsof er een deken van melancholie over haar heen valt. Er ontstaat een strijd tussen haar denken en gevoel. Alles waarvan zij die morgen ten volle genoot, als was het een zoete honigdrank, is er nog, maar lijkt niet meer binnen te komen. De tevredenheid lijkt te zijn verdrongen door onrust en chagrijn. Om te voorkomen dat zij nog dieper in de draaikolk wordt meegezogen, gaat zij tegen het duin liggen en probeert zich te ontspannen. Het lukt en even valt zij zelfs in slaap. Als Megan opstaat om verder te gaan ervaart zij een gevoel van leegte. Vechten hiertegen, weet zij uit ervaring, heeft geen enkele zin. Zij zal moeten wachten tot de droefgeestigheid als een plas regenwater zal verdampen. En zo loopt zij, met haar gedachten en gevoelens die alle kanten opgaan, terug naar de auto. In de dagen daarna, al is zij zichzelf daarvan niet geheel bewust, vult de leemte zich als vanzelf met inzichten over het bestaan en haar rol daarin. Misschien moet zij anders tegen bepaalde zaken aankijken en als gevolg daarvan anders handelen. Zo vult het horror vacuüm zich langzaam in haar voordeel. Het is als het ware een grote schoonmaak. Rommel wordt opgeruimd en gedachten en voornemens gerangschikt. In de ruimte die is ontstaan, is ook tijd voor de zang van de muze en creativiteit, die zij samen met haar gevoelens uit in een gedicht.



Ik kan de zee voor jou beschrijven
de golven, het zout, de branding
toch is het beter dat je zelf ziet.

Het begrip zee zegt toch genoeg -
Kijk ook niet hoopvol achterom
met een gevormd beeld voor ogen,

want dan zal de zee verdwijnen
zoals de geliefde van Orpheus.

vrijdag 28 juli 2017

haiku



          de laatste regels
          wonderlijk mooi geschreven
          droeve zwanenzang

zaterdag 22 juli 2017

Dwalen door Schiedam - (Voor Kees)


Met mijn gedachten bij de zinnen die ik straks ga schrijven, staar ik door de ramen van de Metro in het ‘niets’. De stem van de vrouw uit de luidspreker haalt mij terug in het heden. Even moet ik mij heroriënteren, maar dan weet ik weer waar de Metro zich bevindt: Station Tussenwater. Nog een paar minuten en dan rijd ik langs Pernis, het dorp waar ik geboren ben. Het doel van mij reis is Schiedam. Op station Parkweg stap ik uit. Bij de Noordvest houd ik halt en schiet enkele plaatjes van de torenhoge molens langs de vest. Vroeger werden de molens ingezet als brandersmolens en maalden gemout graan voor de branders, die moutwijn stookten voor de jeneverindustrie. Als ik de Lange Haven ben overgestoken, sta ik middenin het oude centrum. Door steegjes en smalle straten met de mooiste poëtische namen wandel ik het Stedelijk Museum binnen, waar een expositie is over Pierre Jansen. Hij was een van de eerste kenners die kunst in Jip-en-Janneke taal aan de man bracht. Op het uur dat hij voor de AVRO een schilderij besprak, was het muisstil op straat, iedereen zat gekluisterd voor de televisie. In het museum is een huiskamer uit de jaren zestig nagebootst. Ik ga in een van de luie stoelen uit die tijd zitten en kijk naar een programma in zwart-wit op een oude televisie. Ik vergeet de tijd. Pierres verteltrant is pakkend en als hij klaar is met zijn verhaal, kijk ik met andere ogen naar het schildrij wat hij zojuist besprak.


Met een knapperig Frans stokbroodje rosbief loop ik richting de B.K. laan. Al eerder wilde ik een wandeling maken door de wijk die zuidelijk langs de laan ligt, vandaag is het daar een uitstekende dag voor. De wijk is rijk aan groen en regelmatig sta ik stil om van de huizen en de tuinen te genieten. Dan ineens sta ik voor een van de ingangen van het Juliana park. Vrolijk met deze verrassing wandel ik het park in, over een bruggetje dat twee vijvers met elkaar verbindt. Een asfaltpaadje slingert zich tussen groene gazons door, waarin grote bomen voor de nodige schaduw zorgen. Her en der staan bankjes. Op een van hen ga ik zitten, naast een man die zojuist een middagdutje doet. Als hij wakker wordt groet ik hem en nog suf van de slaap groet hij mij terug. Hij pakt de taak op waarmee hij eerder bezig was; met een klein potloodstompje schrijft hij zinnen op een vodje papier. Zou het een dichter zijn, denk ik. Zal ik hem aanspreken? Ik kijk nog even de kat uit de boom. Een merel op zoek naar een worm leidt mij af. Nog een keer observeer ik de man. Zal ik?  Dan staat hij op, doet zijn spullen in een tasje, groet mij vriendelijk en wandelt verder. Ook ik verlaat het park en wandel door het verderop gelegen Volkspark, een honderdeneen jaar oud park waarin zelfs nog een boswachterswoning van weleer staat. Nog een kleine kilometer en dan ben ik bij Vijfsluizen en kan ik met al het goede in gedachten, wegdromen in mooie zinnen.