donderdag 25 mei 2023

Denken over kennis en ervaring

Ooit was ik lid van een filosofische nieuwsgroep, waarin veel discussie was. Toen hij zou worden opgeheven, vroeg de organisatie of mijn vriend en ik hem wilde voortzetten. Wij hebben dat met plezier gedaan. Onderstaand stukje zou daarop geplaatst kunnen worden, als de nieuwsgroep nog betond.  

Veel van onze kennis gaat uit van een (zintuigelijke) ervaring. Neem de zomerzon bijvoorbeeld. Wij zien de zon aan een wolkeloze hemel. Er is weinig wind. Het voelt aangenaam warm aan. Later op de dag wordt het warmer, wat benauwder en dus minder aangenaam. Omdat dit vaker voorkomt, hebben wij kennis van een dergelijke indruk.

Er zijn voorwaarden voor een ervaring, noodzakelijke verbanden die eraan vooraf gaan. Benauwdheid ervaren bijvoorbeeld. De zon staat in de zomer dichter bij de plaats op aarde waar wij leven. Het is dan dus warmer. De warmte verdampt het vocht en verplaatst het naar de atmosfeer om ons heen. De damp neemt plaats in, zuurstof wordt verdrongen. Het wordt benauwder.

Iets wat veel op een ervaring lijkt is een gewaarwording, een verschijnsel. Een gewaarwording is een ding (object) op zichzelf. Er gaat (voor diegene die het voor zich ziet) op dat moment niets aan vooraf. Het is gewoon benauwd, basta. Kennis van de gewaarwording, is extern en zeker niet van dat moment.

Het leuke is, vind ik zelf, je krijgt door (deze) filosofie heel andere ideeën over wat je voor je ziet. Is het een ervaring, of een verschijnsel. En wat weet ik daarover …

Dit stukje is gebaseerd op het denken van Simone Weil.

      

dinsdag 23 mei 2023

Meeuwen - In de krant (Groot Goeree Overflakkee)

Naast enkele eendensoorten, waren de meeuwen de eerste vogels die ik leerde kennen. Wat handig  was voor mijn wintertellingen langs de Oude Maas. Op zeker moment nam mijn aandacht voor hen af. Zij boeiden mij niet meer, met uitzondering van nieuwe meeuwensoorten. Ik heb het afgelopen winter weer eens opgepakt.

Nu het lente is parkeer mijn fiets op een dam langs een polderweg, loop naar het hek en tuur over het weiland. Langs een sloot in het gras, scharrelen enkele meeuwen rond. Sommige herken ik direct. De zilvermeeuw bijvoorbeeld. Herkenbaar aan zijn grijze zilverkleurige mantel, het verenkleed op de rug en flankzijden.

Nu ik het toch over een mantel heb, er zijn ook mantelmeeuwen en wel de grote en de kleine mantelmeeuw. Bij hen is het genoemde verenkleed donkergrijs tot bijna zwart. Ver weg en solitair in het veld is het lastig om ze op naam te brengen. De kleur van de poten geeft uitsluitsel. Zoek dat maar eens op in een goede vogelgids, of op het internet.

Na een tijdje pak ik de fiets weer op en loop er wat meters naast. Net als ik op het zadel wil gaan zitten klinkt een hard ‘tsissip’. Achter mij op een hek zit een graspieper. Hij kijkt naar mij. Ik doe net of ik hem niet zie, ergens anders naar kijk en wandel intussen zogenaamd ongeïnteresseerd naar hem toe. Dan richt ik mijn kijker en geniet in detail van zijn verenkleed. Nog maar wat dichterbij proberen te komen. Het beestje is niet van gisteren, ruikt onraad en maakt zich uit de voeten. Verderop landt hij karakteristiek als een parachute in het gras en raak ik hem kwijt.

Een akker van een vogelvriendelijke boer is mijn volgende stop. Hier geen kruidenvrije weide van Engels raaigras, maar een soort van wetlandje. Zonder drainage dus. Op de oever van een nat stukje perceel lopen jonge kieviten en scholeksters. Hoor ik daar niet een tureluur? Wat ik zeker zie en hoor zijn zilvermeeuwen. De kannibalen proberen de jonge vogels te snaaien. Alerte volwassen kieviten vliegen en duiken als ware gevechtsvliegtuigen achter de meeuwen aan.

Zo wordt mijn ochtend op een ouderwetse manier gevuld. De meeuwen en hun gedrag hebben mij weer gegrepen. Een kennis vraagt hoe het met mij gaat en ik wijs hem, na mijn antwoord op zijn vraag, op wat ik in het weiland zie. Tureluurs en scholeksters, in al hun kleedvariaties, van jong tot oud. Helaas heeft hij daar geen oog voor, al is hij wel liefhebber van de weidsheid, ruimte en rust.

Meer dan tevreden fiets ik huiswaarts. Waarbij de meeuwen opnieuw mijn aandacht trokken en belevenissen hebben gebracht.


Kleine mantelmeeuw (foto Peter Ganzeboom)


 

 

  

zondag 21 mei 2023

De wil, het doel en de weg

Vandaag ga ik naar onze volkstuin. Het plan is gisteren gesmeed. José gaat eerst naar het Zweedse woonwarenhuis Okéja. Haar idee is om daar een buitentafel voor op de tuin, te kopen. Ik ga met de fiets. De weg daarheen is min of meer recht toe recht aan en heeft geen obstakels. Op één na dan : de Spijkenisserbrug. Hij gaat net omhoog voor een vrachtschip. Terwijl ik moet wachten kijk ik over de reling en voel ik de angst voor de dwang om te springen. Dat heb ik daar wel meer. Ik zwem goed. Maar nu? Na een kwartier gaat de brug omlaag. Even later stap ik op de fiets en manoeuvreer met ander fietsverkeer over het pad.

Een paar honderd meter hoef ik haast geen trap te doen. De weg loopt immers omlaag. Dat is het voordeel van een hellinkje beklimmen, je moet hem ooit weer af. Dat principe geldt ook voor tegenwind. Is dat niet positief? In wat mogelijk lastig is een voordeel zien.

Als ik eigenlijk linksaf moet slaan om naar de tuin te gaan, fiets ik rechtdoor, langs de Oude Maas richting Poortugaal. Waar mijn fietspad een ander kruist, rijd ik naar mijn bestemming. Op de fiets heb ik het prima naar mijn zin. Dat gevoel moet ik zien vast te houden op de tuin.

Samen schrapen wij het niet gewenste groen tussen de tegels vandaan. Dan is het tijd voor een boterham. Daarna komt de tafel tevoorschijn.  Het blijkt een hele klus van tekening lezen, passen en meten. Dan kan hij in elkaar gezet worden. Wat blijkt: onderdelen zijn niet goed genoeg uitgezocht, en op de juiste plaats gelegd. Ons humeur zakt. Mijn vermoeidheid stijgt. Maar uiteindelijk lukt de klus.

Terwijl ik aan het einde van de middag naar huis fiets en tot rust kom in een fijne omgeving, ruimt José nog wat op en rijdt op de terugweg langs een snackbar. Een patatje plus hebben wij wel verdiend.