Voor de
vogelaar
De
handen diep in de zakken, de kraag van mijn jas hoog opgeritst, ogen en oren gefocust
op alles wat beweegt en geluiden voortbrengt, loop ik door Polder Simonshaven,
zo genoemd naar een dorp op Voorne Putten even verderop; de sound van een
vallend blikje of iets dergelijks trekt mijn aandacht, een zwarte kraai worstelt
met een plastic verpakking van een Danone of zoiets.
Honderd
meter verderop, ik ben juist een brug overgestoken, loopt een grote zilverreiger met gestrekte hals en gele snavel
priemend naar de hemel te wijzen, alsof hij tegen een soortgenoot op een
belendend perceel, zijn spiegelbeeld in doen en laten zeggen wil, ‘daarboven is
jouw plaats, niet hier op aarde’.
Langs
slootkant, tussen pollen gras en rietpluimen, existeert een koppeltje
roodborsttapuit, dat mij nauwlettend in de gaten houdt, want telkens als ik te
dichtbij kom, voor hen althans, vliegen zij op naar verderop gelegen
uitkijkpost, alwaar zij mij nog meer argwanend gadeslaan dan ik hen,
ondertussen pikken zij stoïcijns passerende vliegjes of anderszins uit de
lucht; of doen zij alsof?