woensdag 8 april 2026

Vrijheid van het lot

Laat ik eens langs het kanaal rijden, in plaats van over de snelweg. Het neemt wel wat meer tijd in beslag, maar al met al rijdt het prettiger. Op een kruispunt sta ik achter een vrachtauto, welke het zicht op de stoplichten belet. Dan is het moment daar; de boel komt op gang. Echter, het gevaarte voor mij rijdt door oranje. Ik, zonder zicht, door … rood. Als dat maar geen prent wordt.

Verderop waarschuwen borden mij dat er door wegwerkzaamheden oponthoud voor doorgaand verkeer kan ontstaan. Geldt niet voor mij, denk ik; rechtsaf is mijn rijrichting. Helaas, juist daar is het afgesloten. En dus kom ik uiteindelijk daar terecht, waar het niet mijn plan was.

Niet getreurd; daar is het ook mooi. Wat ik zie en hoor aan natuurschoon vergoed alles wat vooraf ging. Ik geniet volop. Toch, wat vogels betreft, valt het tegen. Het aantal is laag. Ik besluit het strand op te lopen. Oei, dat valt niet mee: de steilte, het mulle zand. Schelpen, wadvogels, de tekening in het zand, gemaakt door de bewegingen van het tij, vergoeden veel van mijn gezwoeg daarnet.

Tijd om weer het duin in te lopen, door het mulle zand. Nu omhoog. Zoek je balans maar vriend. Om vallen te voorkomen, houd ik mij vast aan struikgewas langs het pad. Als dat niet meer lukt, is de enigste optie op handen en voeten. Niet door een gat te vangen - mijn vindingrijkheid is groot - bereik ik de top. Nu nog naar huis.  

  

maandag 6 april 2026

 

Beelden van licht

Op het kruispunt van twee wegen, die van licht en schaduw, staat hij even stil. Een tafereel trekt zijn aandacht. Vanuit zijn jaszak haalt hij een kleine camera tevoorschijn, draait zijn rug vanwaar de zon het landschap streelt met licht. Op composities let hij niet. Hij klikt af. Voor de zekerheid maakt hij nog twee opnames. Pas als hij thuis is kijkt hij naar het resultaat van de opnames. Ergernis met een lach sieren de expressie op zijn gezicht. Dat waar hij de foto van wilde nemen, staat er prima op. In het midden, onder het tableau, wat zijn aandacht  trok, staat hij zelf in schaduwbeeld. Hij moet denken aan wat zijn moeder ooit zei:

waar veel licht is
is veel schaduw
waar veel schaduw is
is er ook ergens licht

je moet beter kijken

vrijdag 3 april 2026

 

Mooie zinnen

Begin eens met vijf, denkt hij bij zichzelf, en hij pakt de pen, wrijft met zijn wijsvinger - die van zijn hand waarin niet zijn pen rust - langs zijn neus, waaruit warme lucht stroomt, voortgebracht uit de diepte van zijn denken. Een mooi intro, die zijn ideeën aanwakkert en soepel schrijft hij de eerste woorden: hij, geboren onder de rookpluimen en eeuwige vlam - die laatste zo genoemd omdat hij dag en nacht brandt - van de petrochemische industrie, stapt die morgen op zijn fiets, rijdt onwrikbaar tegen de noordwesten wind, kracht vier, de weidsheid in, op zoek naar gevederd gespuis; dat was immers een vraag van zijn vogelvriend. En ja, daar vliegt een bruine kiek man, gracieus met kalme vleugelslag, zijn ogen speuren van links naar rechts, dan buigt de vogel ineens af, naar ergens ver weg, wat de hij in dit schrijven doet tasten naar zijn verrekijker, waarvan de prismaglazen een groot nest tonen, waar achter op datzelfde moment een roofvogel met witte heupvlekken kekkerend voorbij vliegt. Een havik denkt de vogelaar en ja niet veel later ziet hij op het nest schuins een gestreepte staart het nest uitpriemen.

woensdag 1 april 2026

 

De waterloop, die enigszins als in een holte, in het landschap ligt, is een pareltje in het landschap. Het water wordt omzoomd met rietkragen, knotwilgen en elzen; een paradijs voor watervogels en bruine kiekendieven, waarvan er elk jaar wel drie paartjes broeden. Ook zangvogels, die zich graag in en rondom het riet ophouden, voelen zich er thuis.

Over een vlonder loop ik dieper het riet in, tuur links en rechts over pluimen en naar struiken en bomen. Niets te zien of te horen. Totdat er vanonder het plankier waarop ik loop, een ree als een verdwaald profiel schiet. Hevig  schrikken doe ik niet. Ook vanaf het plateau, waar de houten vloer naartoe loopt, is niets te zien of te horen, of toch? Hoog in de verte, een schim, die zich telkens schuilhoudt achter boomkruinen: een bruine kiekendief, man.

Niettegenstaande het gegeven dat ik op dit ogenblik besta, dringt het verleden zich op. Hier, op dit mooie stukje aarde, heb ik mooie momenten beleefd. Vergeet dat niet vriend, klinkt een stem in mijn hoofd. Met een fotograaf maak ik een praatje. Plotseling een por in mijn rug en een groet. ‘Wie is die vent?’ denk ik, als ik mij omdraai. Een Rotterdammer, zo te horen. Nog een praatje. Hoewel ik er op zijn tijd ook van houd - bespiegelingen over natuur en milieu - heb ik er nu geen zin in. Ik nok af met een min of meer Rotterdamse groet: ‘De mazzel’, en vervolg mijn pad overdekt met grind, modder en kuilen. Wat gaande is in de wereld, knaagt. Zelfs, of juist dan, als ik mijn rust zoek, dringen nare situaties zich op.

 

 



 

 

zondag 15 maart 2026

Over toeval en ontmoetingen

Nieuwsgierig dwalen mijn ogen over kunst in allerlei vorm en stijl in het vertrek. Een man van een ouder echtpaar zet een creatief ontwerp van een stamboom tegen de muur. Het trekt mijn aandacht, die afgeleid wordt door een donderslag en een enorme hagelbui die erop volgt.

Gewend aan de situatie buiten dwaalt mijn blik opnieuw naar de stamboom. Ik knoop een praatje aan met de man die het werk tegen de muur gezet heeft. Op het werk staat een kerktoren die verdacht veel lijkt op de Brielse Dom. Die is het echter niet. Het is de kerktoren van Goederede. Daar ben ik bekend. Ik vertel over Havenhoofd, De Kwade Hoek en de Oostdijk.   

Over die dijk praat ik verder. Ik kon daar een dichter, en vertel het echtpaar daarover. 'De woordkunstenaar hing vaak een vlag buiten zijn huis die symboliseerde wat hem bezig hield in de wereld waarin hij leefde, als ik mij niet vergis. Telkens een andere.' ‘Ja’ zegt de vrouw, ‘en hij is op een nare manier om het leven gekomen.’ Ik bevestig dat. Wat een ets bij een stamboom, een gesprek vol interesse en een overleden niet vergeten, dichter al niet naar boven tovert.

Hieronder een haiku van René. Ooit deelde en besprak ik met hem en anderen haiku’s bij hem thuis.

          gevallen scharrelt
          het droge blad in asters
          toeval zoekt je niet

 

          

maandag 9 maart 2026

 

Een fietser rijdt op de rechterrijbaan van het door de tijd grijsverweerde roze fietspad. Links een tegenligger. Het midden van de rijbanen wordt gemarkeerd door ooit witte tegels; zij zijn eveneens door ouderdom verkleurd. Rechts ‘immer geradeaus’: vasthouden aan het oude, dat wat gangbaar en afgesproken is. Links, ietwat tegendraads. Je zou kunnen zeggen: naar daar waar rechts vandaan komt. Vooruitstrevend (links) naar het conservatieve. Kan dat? Wat een gedachten bij een simpel fietstochtje van A naar B. Al die denkbeelden, onrust. Wat moet je ermee?

vrijdag 6 maart 2026

 

Het mes

Snijdt aan twee kanten is het spreekwoord, of gezegde. Waar strijkt het vandaag langs? Met Peter de Stadsvogelaar sta ik op de pont naar Nieuw Beierland, onderweg naar de Korendijk. Dat is voor ons een subliem vogelgebied. ‘Geven en nemen’ komen daar samen. We zijn er voor elkaar, de vogels en alles wat daaromheen is. Pure vrijheid en geluk.

Een groep kneus verwelkomt ons. Kneus ook zo’n woord waarvan de betekenis in gebruik twee kanten raakt. Zoek maar eens op. Ze zijn nog niet in zomerkleed, die werkelijk prachtig is. Het rood op de kruin en borst van het mannetje steekt dan af op het verder grijsbruine vogeltje. Peter maakte op Texel ooit een foto die bij mij thuis een wand in de woonkamer siert.

Vogelen kan best vermoeiend zijn: schuifelen op onverhard en ruig terrein met verrekijker, statief, telescoop en fotocamera. De auto en wat proviand biedt uitkomst. Stilzwijgend turen we de omgeving af. Zit daar niet een zeearend op het nest? En daar, waar wel honderden ‘brandjes’ opvliegen, een bruine kiekendief.

Het mes. Het lot en het noodlot. Dan toch nog? Wij staan te wachten bij de pont. Voor ons rijdt een voertuig, waarop een Belgisch kenteken pronkt, de pont, die drie rijbanen heeft, op. Een ieder kiest bij het oprijden de middelste baan, dan kan je er als eerste af. Hij niet. Dat wordt lastig bij het afrijden. De middelste mag eerst. Weet hij dat? Nee dus.

‘Kijk uit. Hij snijdt ons!’ In de remmen dus, en bijsturen. ‘Wat doet-ie nou?’ Nog meer uitwijken, bijna tegen tegemoetkomend verkeer. Achter hem rijden wij langzaam naar het kruispunt voor doorgaand verkeer. Weer twijfel bij onze voorganger: waar moet ik heen, denkt hij vast. En dan … een diepe zucht. We hebben het gered. Op naar huis, in de drukte van de stad, waar een tiental verkeersregelaars een opleiding krijgen. Het mes, de vraag: gaat dat wel goed?