Een
mens kan nog zoveel uitstippelen wat hij van plan is; het lot, of het leven
zelf, kan een spelbreker zijn. Fit in het hoofd, niet in het lijf, stapt hij
die morgen uit het bed. Nevel hangt over het land. In alle rust wacht de zon aan
de hemel. Zijn tijd komt wel, zo krachtig weet hij zich.
Alsof
hij de avond ervoor zwaar gedronken heeft, loopt hij - de balans zoekend, een
tas onder de arm - naar de supermarkt. De inhoud van het boodschappenbriefje probeert
een plekje onder de hersenpan te vinden.
Het lijkt wel of we ons in een
draaimolen bevinden. Elk mens loopt voorop, zit ook de ander achterna.
Grappig: De kont van de ander najagen,
zonder dat er iemand voorop gaat, of het hek achter zich dicht doet. Voor geluk,
het lot, is er nu eenmaal geen rangorde.
De
schuin geschreven gedachten laat hij achter zich, gaat de winkel binnen, pakt
een mandje, kijkt op zijn briefje en zoekt de producten die hij nodig heeft. Alles
is te vinden, behalve de chocoladevlokken. Even zoeken dan maar. In vragen
heeft hij geen zin. Waar staan die krengen toch? Dan maar niet. Nu nog
afrekenen bij de zelfscan. Eigenlijk wil hij naar de kassa. Die is onbemand. Het
scannen lukt.
Op
weg naar huis knoopt een bekende een praatje met hem aan. Het land is te vol met
mensen, er is te weinig drinkwater. Al pratend staan ze ook nog in de weg –
althans, zo lijkt het. Een fietser neemt met het oog op haar veiligheid het
voetpad in plaats van het fietspad. En hij luistert, wacht op wat hem in
gedachten komt, doet zijn woord. De vrouw wijst naar de zon; die lijkt door te
breken. Glimlachend, zeggen zij elkaar gedag.
Wat brengt de dag nog meer?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten