dinsdag 13 maart 2018

zondag 4 maart 2018

Vogel-gidsen



Van mijn ouders en mijn grootvader heb ik de liefde voor de natuur meegekregen. In mijn jonge jaren was ik vaak op vrije dagen bij mijn opa. Hij had een liefde voor de natuur en in het bijzonder voor vogels. Na zijn pensionering bouwde hij eigenhandig een volière achter zijn huis. Omdat zaad uit de winkel kostbaar was en vers voer gezond, reden wij in het voorjaar en de zomer regelmatig op zijn Berini door de toen nog deels ongerepte Botlek en Europoort.

De aanleg van de Maasvlakte was nog maar net begonnen. Het gebied achter de Brielse Gatdam was ruig en deels opgespoten met zand. Bergeenden maakten in verlaten konijnenholen hun nest. Overal groeiden kruiden en struiken.  Wij sneden vogelmuur, plukten rozenbottels en dorsten koolzaad. Als wij moe waren, aten wij een appel en staarden naar de lucht waar de leeuwerik zijn lied zong. Wat wij verzameld hadden, ging in zakken en vervolgens achterop de brommer, voor mij was nog nauwelijks plaats. Thuis had mijn opa een vogelboek van Thieme, waarin hij noteerde welke vogels hij kweekte en wat het broedresultaat van de diverse soorten was. Ik keek tot op volwassen leeftijd regelmatig in het boekje.

Zonder dat ik het besefte was ik besmet met het vogelvirus geraakt. In de jaren tachtig meldde ik mij bij een projectgroep aan om vogels te tellen die zich op en rond de Oude Maas ophielden. Dit ten behoeve van een onderzoek om een politiek speerpunt, de zesbaksduwvaart, kritisch tegengas te geven. Unieke stukjes natuur zouden wel eens door golfslag en kunstmatige verbreding aangetast kunnen worden, vandaar. Enthousiast vertelde ik de plannen aan mijn vader. “Maar herken jij al die vogels wel”, vroeg mijn vader. “De meeste wel”, zei ik. “Wat ik niet weet zoek ik op in mijn pas gekochte veldgids”: De  Elseviers Gids Van De Vogels Van Europa. Een prima gids, maar niet dé vogelbijbel van die tijd, dat was de Petersons Vogelgids. De streepjes bij de foto’s, die aangaven waar de vogelaar op moest letten om de vogel goed te kunnen determineren, waren een pluspunt in die gids.
Van derden nam ik trouw de streepjes over in mijn eigen gids. Aldus dacht ik goed beslagen ten ijs te komen. Maar theoretische kennis is nog geen praktische kennis en de vraag was dan ook, hoe wetenschappelijk verantwoord te tellen. Ik was een groentje. Gelukkig heb ik veel geleerd van een ervaren en enthousiasmerende vogelaar. Ik pikte het snel op, kocht een Peterson en mocht zelfs na een drietal jaren een verhaal vertellen over ‘mijn’ telgebied.

Het vogelen heeft in de jaren die erop volgden enorm aan vaart gewonnen. Niet alleen ten opzichte van mijzelf, maar ook in zijn algemeenheid. Vogelen is hot. Daarmee is de kennis toegenomen en ook de gidsjes zijn veranderd. Op het ogenblik is, als ik mij niet vergis, de ANWB Vogelgids van Europa populair. Een vogelgids is best lastig in gebruik. Hij is zwaar, past vaak niet in een jas of broekzak en voordat hij tevoorschijn is getoverd is de vogel al gevlogen. Het is dus goed onthouden wat je ziet, desnoods opschrijven in een notitieboekje en thuis de literatuur of ervaren vogelaars raadplegen. De Elsevier is intensief gebruikt, maar die van de ANWB is zelden buiten geweest.
Al de beschreven boeken heb ik bewaard, al is het alleen maar uit respect voor de schrijvers en als herinnering aan de ontberingen en het plezier dat ik heb beleefd bij het op naam brengen van een vogel. Ook de gids van mijn opa heb ik nog. Die reikte hij persoonlijk aan mij uit, als herinnering voor als hij er niet meer zou zijn. 

       

dinsdag 20 februari 2018

Het visserijgriend


In de jaren tachtig telde ik met anderen de wintervogels op en langs de Oude Maas. Het traject dat ik voor mijn rekening nam, liep vanaf de jachthaven van Rhoon tot en met de Spijkenisse brug. Vandaag jaren later besluit ik de route andersom te lopen, naar de Zalmplaat, waar ik een volkstuin heb.

De lucht is grijs als ik de dijk bij de nog nauwelijks herkenbare Meeuwenplaat op loop. Aan de rivierzijde ligt het griend in diepe rust. Over een pad van planken, dat boven de drassige grond en de kreken ligt, loop ik dieper het griend in. Een grote bonte specht vliegt in golvende vlucht tussen de bomen door. Ik volg hem tot bij een pas geknot perceel en besef de waarde van dit unieke stukje cultuurlandschap, hoe klein het ook is.

In vroeger tijden stoomde bij vloed het zoete rivierwater het griend in. Vissers hadden her en der fuiken geplaatst waarin onder andere paling werd gevangen. Het griend werd goed onderhouden en het gesnoeide wilgenhout vond zijn bestemming o.a. als vlechtwerk ter bescherming van rivieroevers; de gevlochten matten gingen afkalving tegen. Nu hebben zware basaltblokken de matten vervangen. Door de dagelijkse werking van eb en vloed is er een bijzondere flora en fauna ontstaan. In het voorjaar bloeit de lisdodde en de spindotter er volop.

Terwijl ik langs de oevers loop passeert een kleurig lint van hardlopers mij. Op het water is het stil. Van eenden geen spoor, op een blauwe wc-eend na die hulpeloos tussen aangespoeld wrakhout en ander afval in een drooggevallen kreek ligt. Even waan ik mijzelf op een pelgrimspad als mijn blik op een rode roos valt. Hij is onder een crucifix tegen een boomstam aangeklemd. Ik houd halt en laat mijn gedachten gaan bij dit onverwachte tafereel. Haast ongemerkt nader ik het einde van mijn tocht. Een omgevallen boom verspert mijn pad. Stoer als een woudloper neem ik het obstakel, om niet veel later op de tuin bij te praten over de bijzondere wandeling, die ik iedereen aanraad.




donderdag 8 februari 2018

In de krant (GGO): Het handenwarmertje


Goed verstopt, maar niet vergeten, zocht ik naar mijn oude statief dat tijdelijk het defecte moest vervangen. Ik vertelde daarover in mijn vorige stukje. Via een dealer probeerde ik onderdelen te bestellen, echter die waren niet meer te verkrijgen. Naarstig ben ik op zoek naar een nieuwe gegaan. Eind januari zal die geleverd worden.

Vandaag - het is zeven januari - tijdens de jaarlijkse roofvogeltelling op Voorne Putten lijken wij eindelijk de mistroostige decembermaand, die zelfs de grootste optimist deed verzinken in melancholie, achter ons te laten. De zon schijnt volop. Peter en ik gaan dan ook letterlijk en figuurlijk goed gemutst op pad. Op de Spuidijk waait een snijdende Oostenwind. Om en om steek ik een hand in een van mijn jaszakken, waar het heerlijk warm is. Het ‘handenwarmertje’, een met brandende koolstofstaafjes gevuld metalen doosje, zorgt daarvoor. Het is een attribuut dat mijn vriend vroeger gebruikte bij het vissen. Zo kon hij beter met het tuigje en de vis overweg.

Af en toe duiken wij in de auto om ons op te warmen. Wij zitten nog maar net als een roofvogel langs de auto scheert en in een rietkraag achter ons verdwijnt. Omdat wij hem niet zo snel op naam kunnen brengen, loop ik naar zijn schuilplaats om hem ‘op te jagen’. In een prachtige flyby vliegt hij langs ons heen; het blijkt een vrouwtje blauwe kiekendief. Bij de Spuimonding West, zoeken wij een plekje onderaan de dijk in de luwte, om wat langer te kunnen posten. Door de hoge waterstand verblijven er vele soorten eenden, waarvan hun door de zon beschenen verenkleed als een kunstwerk oplicht. Als bij toverslag vliegt het waterwild op. Wij turen de lucht af naar een mogelijke roofvogel, die wij echter niet kunnen ontdekken. Als de rust is weergekeerd, duikt er een slechtvalk vanachter een met wilgen begroeide slijkplaat op en verdwijnt richting de Korendijk. Wellicht was hij de ordeverstoorder.

Het aanbod van roofvogels is mager vandaag. Qua soorten valt het nog enigszins mee, de aantallen blijven ver achter bij voorgaande jaren. Mijn gedachten dwalen dan ook af naar Sommelsdijk, waar de Reizende Dichters hun jubileum vieren. Ik had daar graag bij willen zijn. Zo nu en dan draag ik namelijk bij als dichter, of als schrijver in hun mooie periodiek: de O-O-GO.

Bij de Hoornse Hoofdjes stappen wij voor de laatste keer uit de auto. Ik stel mijn oude driepoot op en tuur over het Haringvliet naar Middelharnis, dat met het gouden licht van een al wegstervende zon omgeven wordt. Terwijl mijn vriend op een ree wijst die in de verte graast, stop ik een hand in mijn zak. Het vuur in het warmertje blijkt intussen gedoofd. 




zaterdag 3 februari 2018

omkering


schuimend water vouwt zich speels om de kiel
als hij, zijn jeugd voorbij, de haven uitvaart.
meeuwen krijsen boven schuimend zog.
achter hem -

onder een heldere lucht,
nog vaag aan de horizon
zijn thuisland

zo de wind waait, vaart hij; soms is het vlijen
op de kalme zee, dan weer scherp snijden
door huize hoge golven.

daar waar het tij keert en een onderstroom zijn schip
door de branding voert, legt hij aan; zo verglijden
de door hem niet gekende dagen. dan licht hij het anker.
voor hem -

onder een heldere lucht,
nog vaag aan de horizon
zijn thuisland.


zondag 28 januari 2018

De draagtas


Tijdens een fietstocht naar de wekelijkse yogales, componeer ik in gedachten een mooie zin bij een beeld dat ik zojuist zag. Ik ben wat laat en rijd in stevig tempo over wegen die hier en daar zijn aangeslagen door een dunne ochtendnevel. Bij het steile bruggetje over de Boezem zet ik aan en juist dat had ik niet moeten doen, want hij is spekglad. Ik verlies de macht over het stuur, smak tegen de grond en schuif keihard tegen de brugleuning aan. Nadat ik mij geheroriënteerd heb sta ik op en vervolg mijn weg met een stijve knie en heup. Nog net op tijd arriveer ik bij de yogalokatie. De les doet mij goed en al snel ben ik het voorval vergeten.

Nu vraagt u zich wellicht af hoe die volzin nu luidde. Ik zal hem u vertellen al weet ik nog niet wat ik er verder mee aan moet.

Aan de slootkant in een door de storm gehavend bosperceel, ligt verkreukeld als een pas beslapen bed en nog klam van de nacht een linnen draagtas.