Daar
zit hij, op een bankje in het plantsoen. Naast hem staat een winkelwagen,
waarin een dekbed, een winterjas, een tray met blikjes bier en nog wat
attributen. Hij draagt afgesleten vuile schoenen, een bevlekte broek, een grijs
T-shirt, dat eens wit was geweest en lang sluik ongewassen haar. In een hand
houdt hij een pot aardbeienkwark vast. Met een vrije vinger, waaraan een geel verkalkte
nagel en rouwrand, schraapt hij door de pot kwark. De bekwarkte vinger brengt
hij langzaam naar zijn mond, die hij smachtend opent. Als de zuivel zijn weg
vindt over de smaakpapillen sluit de man zijn ogen en kreunt. Met de afgelikte
vinger herhaalt hij telkens het tafereel totdat de pot leeg is. Dan laat hij
een boer, zoekt een plek in het plantsoen, opent zijn broek en watert. Met
tevreden blik neemt hij plaats op ‘zijn’ bank, sluit de ogen en valt in slaap.
dinsdag 23 februari 2016
maandag 15 februari 2016
De allesgelover
Pal
voor ons vertrek blijkt een portemonnee zoek. “Waarom wil je nu per se een
portemonnee, we hebben toch een bankpas?” “ Ja, maar ik wil wat kleingeld, dat
is altijd handig”. Gehaast zoeken wij in laatjes, kasten en op andere voor de hand liggende
plekken. “Ik heb hem” klinkt het van beneden. Vlug trekken wij de deur achter
ons dicht en lopen in marstempo naar de metro. Wij hebben een klein uur om op
de plaats van onze bestemming te arriveren. Bij het metrotourniquet blijkt een
pasje niet voldoende saldo te bezitten om ons door te laten. Het zal moeten
worden opgeladen. Ook dat nog. In looppas stormen wij even later de roltrap op
naar het perron, waar wij lachend en hijgend een plaats zoeken in een wagon.
Bij de volgende halte gaat een man met een klein knotje in zijn haar voor ons
zitten. In het treinstel achter het onze worden kaartjes gecontroleerd. Langzaam raak
ik in gedachten.
De
controleurs naderen ons. Ik zoek in mijn jaszak naar mijn vervoersbewijs. De
man voor ons blijkt geen plaatsbewijs te kunnen tonen. Hij wringt zich in
allerlei bochten om aan een boete te ontkomen. Omdat hem dat met geen
mogelijkheid lukt, wordt hij agressief. Met stemverheffing grist hij een
steekwapen uit zijn jaszak en bedreigt de controleur. Ik bedenk mij geen moment
en sla een arm om de nek van de zwartrijder, die na een korte draaiende
beweging van mijn arm levenloos ineenzakt.
Een
por in mijn zij trekt mij uit mijn beklemmende dagdroom. “Zit je weer in
gedachten”? Zuchtend doe ik mijn verhaal. Twintig minuten later zijn wij op de
plaats van bestemming, het RO Theater. Bovengronds blijkt het te regenen.
Knarsend neemt een tram de bocht over de natte rails. Opschieten, misschien
kunnen wij nog een kop koffie drinken voordat de voorstelling begint. Wij
slalommen tussen de mensen voor ons door en werpen snel een blik door de ruiten van
enkele cafés waar het warm en behaaglijk is. Nog tien minuten. Vijf voor een
kop koffie en vijf om onze jassen af te geven bij de garderobe. Met een kleine
vertraging worden later de deuren van de toneelzaal geopend. Wij zakken weg in
onze fauteuils. De voorstelling kan beginnen.
De
hoofdpersoon, die in eerste instantie kritisch is over beïnvloeding van banken,
multinationals en politieke ideeën, raakt langzaam verstrikt in zijn gedachten.
Door het geloof in zijn denkbeelden verliest hij zijn zicht op de
werkelijkheid. Volkomen paranoïde lijkt hij af te stevenen op zijn ondergang
waarin hij anderen lijkt mee te slepen. Nog net op tijd weet een geliefde hem
uit zijn zwarte wereld te redden.
De
metro richting huis is halfvol. Schuin tegenover ons zit een obscuur type. Hij
staart naar ons en telkens als ik hem in de ogen kijk, wendt hij zijn blik af.
Bij elke station raakt onze wagon leger. De man is intussen achter ons gaan
zitten. Nu kan hij ons in de gaten houden zonder dat wij hem kunnen zien. Ik
voel zijn ogen in mijn nek priemen. Een rilling van kou en angst strijkt over
mijn rug. Eindstation. Wij stappen uit de bijna lege coupé, lopen de trap af en
verlaten het station. De man volgt ons. Mijn vrouw haakt haar arm in die van
mij en lijkt de man niet op te merken. Een vlaag waterkoude regen strijkt langs
onze wangen als wij langs de schaars verlichte buitenwijk lopen. Nog vijf
minuten dan zijn wij thuis. Bij het naderen van de voordeur kijk ik nog eenmaal
achterom. De man is er nog steeds en lijkt zijn pas te versnellen. Snel, denk
ik, open de deur. Kalm, wordt gezocht in jas en broekzakken. Het licht bij de
voordeur schijnt in de handtas. De sleutel van het huis blijkt te zijn
vergeten.
dinsdag 2 februari 2016
Verloren arbeid
In
de kruiwagen die hij voortduwt, liggen een vijftal elzenboompjes. Ze zijn niet
groter dan een halve meter. Hij heeft ze met noeste arbeid uitgegraven tussen
het puin van een oude ruïne. Zelf heb ik vijf kleine gaten gegraven waarin de
boompjes worden herplant. Als ik twee boompjes ingegraven heb, neemt hij de spa
van mij over. “De ruimte tussen de laatste gaten is te groot”, zegt hij. Hij
graaft een nieuw gat en gooit de grond in de kuil ernaast. “Wat doe je nu?” vraag
ik. “Nu moet je opnieuw een al eerder gegraven gat graven”. “Dat is niet erg”,
zegt hij bezweet. En hij herhaalt zijn handeling bij het volgende te planten
boompje. Lachend maan ik hem tot een pauze. “Luister, ik weet een mop”.
Een grondwerker die
om werk verlegen zit gaat naar zijn voorman en vraagt om een klusje. “Werk die
berg aarde maar weg”, zegt hij. De grondwerker denkt na en vraagt, “Prima, maar
waar moet ik de grond laten?” “Graaf daar maar een nieuwe kuil voor”.
Mijn
maatje kijkt mij waterig aan. Hij begrijpt de mop niet.
zondag 31 januari 2016
donderdag 28 januari 2016
Vrije gedachten
Naast
schrijver ben ik ook een verwoed lezer van zowel fictie als non fictie. Voor
mij is literatuur een nabootsing van de werkelijkheid en daardoor vaak
herkenbaar, zodat ik mijzelf kan identificeren met personen uit het verhaal.
Literatuur, een roman, kan daardoor ook therapeutisch werken, het reinigt de
zielenroerselen.
Vriend
Peter houdt misschien daarom niet van romans, met name sommige Nederlandse
schrijvers kan hij niet waarderen. Te zwaarmoedig en stoffig allemaal. Ik ben
het niet altijd met hem eens, maar nu ik geprobeerd heb De Onderwaterzwemmer
van P.F. Thomése te lezen, ben ik het ten volle met hem eens. Ondanks dat het
boek goed is geschreven, er staan prachtige zinnen in, druipt de beklemming van
het boek af, zoals het vet van een zojuist gebakken makreel. Nog een dergelijk
verhaal uit die categorie is Knielen op een bed violen. Verschrikkelijk. Het
lijkt of de schrijver al zijn traumatische angst voor hel en verdoemenis van
zich af heeft proberen te schrijven. Wat hem overigens niet is gelukt, zoals uit
een interview bleek. Misschien lukt het hem met een volgend boek, maar ik ga
het zeker niet lezen. Wie is die lezer die dergelijke literatuur voor zijn
plezier leest, vraag ik mij oprecht af?
Vriend
Niels, is wel een groot liefhebber van romans. Hij maakt zelfs aantekeningen in
de kantlijn, om die later te overdenken of te gebruiken voor een van zijn
gedichten. Van hem lees ik momenteel het boek Ter Wereld Gekomen. Met als
subtitel (citaat), Liefde is sterker dan de dood, maar het leven is sterker dan
de liefde. Dat klinkt al heel wat vrolijker. Ter Wereld Gekomen, of zoals een
Duitse filosoof ooit schreef: In de wereld geworpen, verwijst naar de mens en
zijn existentie, een geliefd onderwerp van schrijvers. Ik ben
benieuwd waar het boek mij brengt.
woensdag 20 januari 2016
De oerplons
Langs de waterkant gezeten
pak ik een kiezelsteen
en werp hem in de vijver.
Om het stille midden ontstaan
ringen, zij omsluiten elkaar.
Op een van die ringen ligt
ons universum, is het leven
ver van de plons ontstaan.
In de toekomst geboren,
naar het hiernamaals gericht
is de weg die ik ga.
Waarom dan zoeken, naar
Die ene verre echo-
Abonneren op:
Posts (Atom)