zaterdag 31 maart 2012

De Mensch


In een bijna sombere stemming overdenk ik mijn ‘zonden’. Dan begint mijn mobieltje te trillen. Met mijn wijsvinger druk ik op de luistertoets. Haast onverstaanbaar, door gekraak en geruis, klinkt De Stadsvogelaar. "Ga je mee vogelen", vraagt hij. Ik twijfel, maar diep van binnen laait een vonk op tot een heus vreugdevuur. Dus rijden we samen in de vroege middag richting kust. De Stadsvogelaar is een echte vriend. Bijna al mijn zielenroerselen zijn bespreekbaar met hem. En dat is wederzijds. Stil zitten in de luwte van een duinpan kunnen we ook. Voor ons dansen enkele boompiepers over een ven. De struik langs de oever dient als uitkijkpost voor de roodborsttapuit. Wij zwijgen en begrijpen elkaar. Als we later de rand van de stad naderen wijst hij op een alleen door hem ontdekt kraaiennest. Bijna niets ontgaat hem. Daar is hij dan ook stadsvogelaar voor.




zijn scherpe blik spiedt
niet een veertje ontgaat hem
de stadsvogelaar

1 opmerking:

  1. Zo veel eer, maar het is waar, het zijn bijzondere tochten, dan weer diepzinnig, dan weer ingetogen en dan weer melig lachend om alles. Het is fijn om zo´n vriend te hebben.

    BeantwoordenVerwijderen