dinsdag 22 december 2020

Sssst ;-)

Stilte in dualiteiten

stel je een stil leeg landschap voor
wat zie je dan … niets
niets dan wit

elke smet vloekt, raast en tiert
verstoort de stilte

stel je een stil leeg landschap voor
wat zie je dan … niets
niets dan zwart

zwart dat alles absorbeert
en de stilte presenteert

stilte is een roerloos stilzwijgende figuur
die oplost in een raadselachtige leegte

stilte wie verlangt er niet naar
om er even niet te zijn

Geïnspireerd door De stilte van het licht, Joost Zwagerman 

zondag 20 december 2020

Gedicht

 

In huis

is het donker, vormloos en stil

zacht licht van buiten
strijkt vage kleuren

een klavier verschijnt
wit, zonder klanken

gedempt kleurt een klik
de kamer in tinten van pastel

gapen en rekken, voeten
schuiven in sloffen, schrijden

over treden die kraken
een deur piept, slaat dicht

geuren van vers brood,
spiegelei en earl grey

zijn hand wrijft zacht en wekkend
over haar wang, ’t is tijd

later na de koffie samen
gaan beiden hun weg

hij schrijft wat hem bezighoudt
zij kneedt beelden van klei

zo verloopt dag van schemerlicht
naar schemerdonker

dan, laat in de avond
slaat een deur, kraken treden

schuiven voeten uit sloffen en
kleurt een klik de kamer duister

is het in huis donker, vormloos en stil

 

woensdag 9 december 2020

Pink Tink

Eerder schreef ik over de baardmannen, Nico en Hans. Vandaag leg ik de echte baardmannetjes onder de loep.

Ergens langs het Haringvliet ligt een ruigte waarin veel riet groeit. Dé biotoop van de baardman. Niet dat ik eropuit was hen te zien, ik wilde simpelweg van het landschap genieten en al wat zich aan vogels zou aandienen was een krent in de pap.

Om negen uur rijd ik de kleine parkeerplaats op. Er staan al wat fietsen en een enkele auto. Op weg naar de kijkhut komen twee mannen mij tegemoet. Druk pratend kijken zij naar elkaars camera: vogelfotografen. Ook een mooie manier om te vogelen. Genieten van de vangst en later thuis de buit tot in detail bestuderen. Het ultieme doel is dan denk ik, zoveel mogelijk soorten, zo perfect mogelijk vast te leggen.

Zelf fotografeer ik niet. Ik jaag met telescoop en verrekijker. Het nu moment en de bestudering van de vogel beleef ik dan intensiever. Later graaf ik dan in mijn herinnering, of lees een verhaal terug over wat ik zag.

Na een tijdje struinen hoor ik bij herhaling het op een belletje gelijkend pink tink. Baardmannetjes! Voor mij langs vliegen er een tiental voorbij. Ik volg ze met mijn kijker en vang wat kleur en vorm op, that’s all. De vogeltjes duiken verderop in het riet. Ik heb ze niet vast kunnen leggen op mijn harde schijf. De fotograaf verderop wel. Trots laat hij mij enkele plaatjes zien.

Foto: Kees van 't Zelfde



De vogel, een mannetje, was net geland in het riet. Goed te zien zijn de zwarte bakkebaarden die fel afsteken tegen de grijze kop. Zijn pootjes klemmen stevig om een stengel riet. In het najaar en de winter doet hij zich tegoed aan het zaad van riet en rietachtige grassen. In de zomer eet hij voornamelijk insecten.

Naar mate de ochtend vordert, kom ik steeds meer fotografen tegen. Social media heeft zijn werk gedaan, want zij zijn allen op zoek naar de baardmannen die op meerdere plekken te zien blijken te zijn. Het is wel grappig om bij dit gegeven stil te staan, dat speuren naar één soort en haast geen oog te hebben voor al het andere moois. Sommigen gaan zelfs zover dat als het plaatje geschoten is, zij met spoed naar elders verkassen.

Eigenlijk, ik chargeer, parasiteer ik op de inspanningen van de fotograaf, want regelmatig leen ik een foto van hen. Zo ook bij dit stukje. Vooruit maar. Na een mooie ochtend verlaat ik het gebied. De parkeerplaats is aardig gevuld. De volgende dag als ik langsrijd op mijn racefiets zijn alle plekken bezet. De baardmannen, ergens langs het Haringvliet zijn een hotspot.

 

 

  

dinsdag 24 november 2020

Op het uiterste puntje

 

Al een tijdje wilden Peter en ik samen naar de Maasvlakte. De plek waar welzijn en welvaart bij elkaar komen. Omdat corona ons tegenhield om in één auto te rijden, reden wij apart en spraken ter plekke af.



Meetingpoint: Bosjes van Jans. ‘Hoever is het lopen naar het kijkscherm?’ ‘Vijf minuten denk ik.’
Vliegtuigstrepen wijzen naar de duinen.



De Stadsvogelaar, de stad ontvlucht, ligt op ‘het balkon van Nederland’. Waarnaar tuurt hij? Vogels zijn immers ver weg op zee.



Het is het lijnenspel dat fascineert. Krom, recht en ruw. Zij zijn een grens tussen vlakken gevuld met kleur.



De Westplaat bij laagwater. Water dat zijn eigen weg zoekt. Evenals de met het blote oog onzichtbare strandlopertjes.



De lucht lijkt rechts aan de horizon uiteen te spatten.
Beslist geen zwart gat.














woensdag 4 november 2020

Herfst anekdote

Het zal eind jaren negentienhonderdtachtig geweest zijn toen er nog voor de ochtendschemer werd aangebeld. Onderweg naar de voordeur schoot ik mijn jas aan en kauwde de laatste resten brood weg. Voor de deur stond een enigszins gezette man met walrussnor en een onvergetelijke grijns op zijn gezicht: Ari Stolk.

Ari was in die tijd tekenaar van Vogels, het lijfblad van de Vogelbescherming. In elk nummer stond er een column van, naar ik dacht, Nico de Haan. Juist, een van de Baardmannetjes! Ari schetste bij het verhaaltje lange tijd een leuke tekening.

Die herfst en winter trokken wij maandelijks naar de kust om samen met anderen de spreeuwen- en vinkentrek te observeren en de aantallen te tellen. Het was een groots opgezet project van de Vogelwerkgroep Voorne. Men hoopte antwoord te krijgen op de vraag: Wat zou de invloed van een tweede Maasvlakte zijn op het duin langs de kust met betrekking tot de flora en fauna en daarmee samenhangend de vogeltrek?

Half in de ochtend zat onze opdracht er meestal op en als wij tijd hadden trokken wij er nog samen een paar uurtjes op uit.

‘Wat ga jij doen vanmiddag?’ vraagt Ari.
‘Ik denk dat ik eerst een tukkie ga doen, daarna zie ik wel.’ antwoord ik.
‘Zet dan ondertussen geen vlees op.’ zegt hij.

En hij vertelt over die keer dat hij een rollade op het vuur had gezet en in slaap gevallen was. Hij werd gewekt door een brandlucht. In zijn keuken hing een vette walm. Van zijn rollade was niets meer over dan een zwarte knol ter grootte van een kleine kroot.

Hoe het met de Maasvlakte en zijn infrastructuur is afgelopen is bekend. Nog steeds is het een eldorado voor de vogelaar. Al is het minder dan voorheen. Zeker tijdens de herfsttrek is het een komen en gaan van diverse en soms bijzondere vogelsoorten.


Sperwer belaagt groep spreeuwen. Foto: Peter Ganzeboom

Op de Kwade Hoek is de spreeuwentrek ook goed te zien. Vaak golven zij mee met de glooiingen van de duintoppen; een betoverend schouwspel. Bovendien zijn de koperwieken en kramsvogels weer in het land. Zij doen zich te goed aan de rijpe duindoornbessen, rozenbottels en lijsterbessen. Als de bessen tegen de winter opgegeten zijn en de vogels opgevet, trekt het gros verder. Maar grote aantallen blijven ook achter. Roofvogels zoals havik en sperwer trekken vaak mee met de kleinere trekvogels, voor hen is het ‘tafeltje dekje’ als de zangertjes even niet opletten wanneer zij zich te goed doen aan de bessen, of als zij na hun maal zachtjes en verzadigd indommelen.

Als Ari nog had geleefd, had hij vast op zijn eigen wijze een pracht tekening van het tafereel gemaakt.   

woensdag 28 oktober 2020

De kat

Hij troont als een vorst op de zetel, de staart om de achterpoten gevouwen. Zijn oren zijn gespitst en zijn groene ogen priemen door de ruimte. Stil en onbewogen.

*

 

In het centrum van de oude stad staat bij de haven een statig pand. In vroeger tijden deed het dienst als woning van een handelsman, een deftige patriciër. Nu woont er de vermogend filosoof Ludwig W. In een van de vertrekken staat Suzanne, de geliefde van Ludwig, voor het raam. Zij kijkt vanuit de hoogte uit over de struiken in tuin en de rivier erachter. In haar handen draagt zij een kistje waarin een borstel, een poetslap en een blikje boenwas liggen. Zij zet het kistje in een hoek van het vertrek en steekt de ruimte diagonaal over. Daar in de hoek, achter een klassieke stoel met rieten zitting, hangt een paars gordijn van velours. Hij bedekt een klein deel van de wanden. Zij pakt het koord, schuift de stoel opzij en bindt de lap stof op, zodat hij vrij van de vloer hangt. Dan loopt zij over de soms krakende vloer naar de plek waar zij het kistje heeft achtergelaten. Zij wipt met haar duim de deksel van het blikje boenwas open en brengt een toef van het goedje op de punt van de borstel. Noest zet zij de eerste vierkante meter van de vloer in de was om hem later op te poetsen met de lap uit het kistje. De geur van de was en het kraken van de vloer geven haar een goed gevoel dat het midden houdt tussen nostalgie en romantiek. Terwijl zij daar zo bezig is komt de kat  onhoorbaar binnengeslopen. Hij kijkt wat rond en tippelt naar de stoel in de hoek bij het doek van velours. Zo zwaar als hij gebouwd is, zo soepel springt hij op de stoel en alsof hij de waarde van de stoel weet, laat hij het na om zijn nagels te scherpen aan de biezen zitting. Kalm vouwt hij zijn staart om een achterpoot. Dan begint het stille observeren.

*

 

Ludwig slaat zijn studieboek dicht en peinst over wat hij zal aanvangen. Hij heeft zo zijn vaste rituelen. Elke morgen staat hij om zes uur op, mediteert een kwartier om vervolgens ongeacht het weer, een wandeling van een half uur te maken. Daarna wast en scheert hij zich en maakt hij zich klaar voor zijn ontbijt. Om stipt acht uur gaat hij aan het werk, dat uit studeren en schrijven bestaat. Tussendoor drinkt hij koffie en schept een luchtje in de tuin. Om elf uur sluit hij zijn werkochtend af, ontspant wat en bereidt zijn college voor dat hij elke middag geeft aan de Universiteit van dezelfde stad waar hij woont.

Langzaam loopt hij naar de deur van zijn studiekamer, opent hem en loopt al wat kwieker door de gang naar de deur waarachter de trap naar de bovenverdieping leidt. De trap is bekleed met een loper die met koperen roedes op zijn plaats wordt gehouden. Zijn voetstappen worden gedempt door het tapijt, hetgeen niet verhindert dat een enkele trede kraakt. Boven komt de geur van boenwas hem tegemoet. De deur van het vertrek waar Suzanne aan het werk is staat open. Ludwig gaat niet naar binnen maar blijft staan en observeert de kamer zoals die zich toont.

Stel nu, zo denkt hij, dat deze kamer de wereld is. Dan is de wereld alles wat het geval is. Dat wat het geval is zijn de feiten. De wereld valt als het ware in feiten uiteen. En hij denk zich een voorbeeld. De kat (feit) zit (feit van hoedanigheid) op de stoel (feit). Wij maken beelden van de feiten die met elkaar in het beeld verbonden zijn. En het totaal van die connecties is de wereld zoals die zich aan ons toont.

Ongemerkt is Ludwig zachtjes gaan bewegen, alsof hij voor een groot gehoor uitlegt wat zijn visie is. Suzanne moet dat gemerkt hebben, want plots kijkt zij achterom en ziet Ludwig in een soort van trance.

‘Wat ben jij aan het murmelen’, zegt zij.’
‘Ik probeer de wereld te vangen in woorden.’
‘Maar dat doen wij toch al?’

Ludwig legt het een en ander uit en formuleert nieuwe gedachten. ‘Het logische beeld van de feiten is de gedachte. In de zin, - De kat zit op de stoel. -, drukt de gedachte zich zintuiglijk waarneembaar uit. Aha, deze gedachte is dus de betekenisvolle zin’… ‘Ja, maar wat wil je nu eigenlijk zeggen. Waar wil je naartoe?’, vraagt Suzanne. Ludwig zucht diep en zegt cryptisch: ‘Zoals er een muze is voor de poëzie, is er een wil tot weten.’ Er valt een stilte. Meeuwen steken fel af tegen de donkere wolken boven de rivier. De wereld toont zich, ook buiten de kamer.

‘Goed, de wereld toont het bestaan, maar hij toont ook het niet-bestaan. De kat zit op de stoel, hij ligt daar niet… er zit geen hond op de stoel… Wat hier nu mee aan te vangen?’ De zin kan de werkelijkheid beschrijven, maar niet de gehele werkelijkheid. De zin is maar ten dele waar. Over een deel kunnen wij dus niet spreken’ …

‘Zeg, ik ga de lunch klaarmaken. Heb je nog wensen?’, vraagt Suzanne nu een tikkeltje ongeduldig.
‘Er ligt nog een stukje makreel van gisterenavond in de koelkast. Dat kan op het brood’, zegt Ludwig likkebaardend. Hij aait de kat, die al die tijd rustig is blijven zitten, over zijn kop. De kat spint en strijkt met zijn snuit over zijn hand. ‘Je bent een goed beestje’. Hij verlaat de kamer en daalt de trap af. De geur van boenwas wordt langzaam verdrongen door het aroma dat vanuit de keuken door de vertrekken van het huis zijn weg vindt. Niet alleen Ludwigs zintuigen zijn geprikkeld, ook die van de kat. Hij roetsjt de trap af en geeft bedelend kopjes tegen de benen van Suzanne.

‘Maar neem nu de zin. Die toont wat hij zegt. Formeel gezien is het mogelijk dat hij waar is. Maar als de zin een tautologie is, heeft zij weliswaar een waarheidsgehalte, maar geen betekenis. Want wat zegt het dat de kat op de stoel zit en op de stoel zit. Of neem de contradictie, deze zin is onwaar: De kat zit op de stoel en zit niet op de stoel. Die zin heeft geen enkele betekenis’. Zo kabbelt de lunch voort en verstrijkt de tijd. ‘Zeg Ludwig je moet zo naar college’… ‘Die ga ik uitstellen’. ‘Uitstellen?’ ‘Ja, ik ben iets belangrijks op het spoor. Als ik dat op papier krijg, is er stof voor een heel collegejaar. Zou jij mij willen aanhoren en wat feedback geven?’ Terwijl Suzanne van haar lunch geniet, banjert Ludwig heen en weer en praat nog onbegrijpelijk voor zich uit. Er is geen samenhang tussen zijn zinnen. Pas als hij gaat zitten en van zijn thee drinkt en een hap van zijn broodje heeft genomen, legt hij zijn handen op tafel en vertelt.

‘De wereld toont zich, maar hij toont niet alles. Van dat wat zich toont maken wij zinnen. Echter de zinnen zijn begrensd. Niet alles is te zeggen. En verder, in samenhang daarmee; wat wij niet denken kunnen, kunnen wij niet denken … Wij kunnen dus ook niet zeggen, wat wij niet kunnen denken’ …

Suzanne staat op mompelt wat en ruimt de tafel af. ‘Begrijp je mij Suzanne?’ Zij knikt. ‘Maar ik zou toch willen dat je jouw hoofdpunten op papier schrijft, want ik heb het gevoel dat het hier en daar niet klopt. Wat is je eindconclusie nu eigenlijk?’ Ludwig staat op loopt naar het raam en staart in de tuin. Ineens draait hij zich om. En terwijl het op de rivier drukker is geworden wat de scheepvaart betreft, de meeuwen niet meer contrasteren met een overtrekkende donkere wolk, want die is inmiddels uiteen gewaaid en de studenten inmiddels moedeloos wachten op Ludwig die vergeten is zijn college te verzetten, stapt hij monter naar voren en zegt enthousiast:

                                         

 


‘Waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’.


Na een korte stilte komt er niets dan een peinzend mmm over de lippen van Suzanne.
‘Juist ja’, zegt Ludwig. ‘Dat is het enige wat je formeel kunt zeggen’.

#

Dit verhaal is gebaseerd op: Studie van een kat van M. C. S. Valadon.
                                              De Tractatus Logico-Philosophicus van de filosoof L. Wittgenstein

        

 

donderdag 15 oktober 2020

Het mag weer - uit Groot Goeree Overflakkee

Corona, de plaaggeest, veroorzaakte dat ik een half jaar inactief was als vogelgids bij Natuur Monumenten. Nu is dat geen ramp natuurlijk, want vogelen kan ik heel goed alleen, maar ik miste het wel. Half september mocht het weer.

Tegen negen uur in de morgen snoeren de deelnemers en ik de witte elastiekjes van de blauwe mondkapjes achter onze oren. Pas daarna vaart de pont in rustig tempo uit. Aan wal op Tiengemeten stel ik mij nogmaals voor en heet de bezoekers welkom. De excursie ’op zoek naar roofvogels’ kan beginnen.

Al direct is het raak. Een torenvalk bidt boven speelnatuur. Voor mij een ideaal moment om ook iets over het natuurlijk aangelegde speelterrein te vertellen, ik werk daar immers als vrijwilliger in het onderhoud. Een wandeling door het gebied zou helemaal mooi zijn, dus klimmen wij met zijn allen over het hek. De plantenrijkdom ter plekke is, ondanks dat de bloei haast voorbij is, het waard om er informatie over te geven.

In aantal laten de roofvogels het afweten, maar qua soorten is het feest. Bijna al de gehoopte soorten laten zich zien. Van de roofvogels die verstek laten gaan weet ik smeuïge verhalen te vertellen, zodat zij toch acte de préséance geven.

Opgewonden en wijzend roept een jongen. ‘Wat is dat voor een grote roofvogel Tino’. Terwijl ik de vogel observeer, passeren de namen van de geleerde soorten een voor een de revue. ’Een zeearend’, zeg ik. Nog even is er twijfel. De vogel heeft namelijk een relatief snelle vleugelslag. Als er later een gans onder de arend doorvliegt, is de determinatie klip en klaar. Een gans past namelijk makkelijk twee tot drie keer in een zeearend.

foto: Peter Ganzeboom

Om in te haken bij het enthousiasme van de deelnemers, las ik een koffiepauze in en vertel anekdotes over de grootste roofvogel van ons land. Daarna vervolgen wij onze excursie naar de aardappelloods. De naam zegt het al, hier werd een deel van de aardappeloogst in vroeger tijden bewaard. Ter plaatse wist ik tussen de wortels van een populier nog een nest van een wilde bijensoort te vinden. Omdat het warm was, waren de beestje actief.

Op de terugweg naar de pont, laten zich ook nog enkele kleinere vogelsoorten zien, zoals de graspieper en de putter. Het leuke is dat de deelnemers het geleerde in de praktijk brengen, want telkens wijst men op vogels en plantjes en brengt ze op naam. Moeilijk blijkt de chicorei. Een oudere deelnemer weet te vertellen dat daar in de oorlog surrogaatkoffie van gemaakt werd. Hij trekt een vies gezicht. De verhalen komen los. Een mooi moment om de excursie af te sluiten.

Inmiddels en dat zeker niet terzijde laait corona weer op en liggen ook de excursies weer stil en is de titel dus gedateerd.