zaterdag 1 mei 2021

Thuis voelen

De zee is kalm en grijs. De lucht grauw. Aan de horizon vervagen de kleuren. Op die flauwe grens varen tientallen schepen richting de havens van de metropool. Met dit tableau in gedachten vergelijk ik een pastelblauw schilderij van Niels, dat hij pas gemaakt heeft. Het lijkt of er over het blauw een lichte nevel ligt. Het blauw, zo stel ik mij voor, is zowel zee als lucht. De grens tussen beiden is onherkenbaar. Met iets dikker blauw zijn huizen aangezet. Een klein huis en een groot huis.

Thuis ga ik in gedachten terug naar de huisjes in het blauw. Als ik in trance de huisjes voor mij zie, lijkt het of iemand op mijn schouder tikt. Ik kijk om. Naast mij staat een ijle en mystieke figuur. Hij vraagt mij in welk huis ik wil wonen. In het grote of in het kleine. Ik vraag mij af waar hij heen wil. ‘In het grote,’ zegt hij ligt veel kennis opgeslagen, in het kleine weinig. Echter de kennis in het kleine huisje is het groots van kwaliteit; het is ware kennis.’ ‘Dan kies ik voor het kleine huisje,’ zeg ik. Op dat moment verdwijnt het cryptische beeld voor ogen.





De grens voor wat waar of niet-waar is, is wankel. Veel kan weinig zijn en weinig veel. Een oordeel is subjectief en zegt vaak meer over wie jezelf bent, dan over een situatie of persoon. Hoe goed ken ik mijzelf? Om dat te weten te komen, zal ik het kleine huis binnen moeten gaan, maar waar vind ik dat? En, hoe comfortabel is het in dat kleine huisje?

 

Niels schreef een gedicht over zijn schilderijen. Het is te lezen op:

 

http://gedichtenvanniels.blogspot.com/2021/04/het-grote-en-het-kleine-huis.html

 


dinsdag 27 april 2021

Duivels lachje

Het is half in de ochtend als Siem met gebogen hoofd door de wijk loopt. Zo vriendelijk als het weer is, zo somber is Siem. Terwijl hij daar zo wandelt, groet hij sommige voorbijgangers, anderen ontloopt hij op slinkse wijze omdat hij bang is om aangesproken te worden; daar heeft hij nu totaal geen zin in. Hij kiest het voetpad dat langs het spoor naar de rivier loopt. Daar ligt ook het wijkpark. Was dat eerst een standaard plantsoen zoals je dat in elke stad tegenkomt, sinds het op de schop is gegaan en ecologisch beheerd wordt, onderscheidt het zich van vele andere stadsparken. Er is zelfs plaats ingeruimd voor een klein arboretum. Op een van de weinige bankjes gaat hij zitten, zakt iets onderuit en legt zijn onderarmen op de rugleuning. Vooraleerst zet hij zijn gedachten op een rijtje en volgt wat trimmers en hondenuitlaters. Op het moment dat hij een gelezen, maar op het oog nog gave krant uit de prullenbak naast de bank wil pakken, komt er een meisje van een jaar of zeven naast hem zitten. De grote teddybeer die zij met zich meedraagt, zet zij pontificaal tussen hen in.

 

  ‘Goedemorgen meneer.’

  ‘Goedemorgen meisje, dag beer.’

  ‘Hoe weet u dat hij Beer heet?’

Siem haalt met een glimlach zijn schouders op. In de stilte die volgt, ‘tovert’ het meisje een boekje tevoorschijn, slaat wat bladzijden om en begint voor te lezen aan Beer. Het verhaal gaat over een konijnenfamilie, waarvan de vader op een dag niet meer thuiskomt. Een jager heeft hem waarschijnlijk neergeschoten.

 

  ‘Wat een droef verhaal zeg. Waarom vertel je dat aan Beer?’

  ‘Ik heb dit boekje van de teriepeut gekregen.’

  ‘Teriepeut?’ vraagt Siem. ‘Bedoel je niet therapeut?’

  ‘Ja, dat bedoel ik.’… Nieuwsgierig geworden, vraagt Siem naar het boekje van de therapeut.

  ‘Mijn papa is heel erg ziek. Hij slaapt in het ziekenhuis en wordt misschien wel nooit meer wakker.’

  ‘Gossie, wat erg…’ En even weet Siem niet meer wat te zeggen. Dan: ‘Hoe heet jij eigenlijk meisje.’
  ‘Astrid’ klinkt het resoluut. ‘Wil je ook wat tegen Beer zeggen? Dat vindt hij vast fijn hoor.’

 

Wat vervelend allemaal hè Beer? Gelukkig heeft Astrid jou nog als goede vriend. Jij kan goed luisteren. Ik vind het maar een droeve dag Beer. Al toen ik opstond was ik somber. Ik ben schrijver weet je en weet al wekenlang niet wat te schrijven. Telkens sta ik vol goede moed op, pak de pen en probeer wat te schrijven. Het lukt niet, of het is allemaal niet naar mijn zin. Maar dat van jou en Astrid is natuurlijk veel erger. Dat verlies is definitief. Voor mij zal er straks weer een nieuw verhaal zijn, maar voor Astrid is er geen nieuwe vader meer…

 

Na zijn monoloog, kijkt hij op naar Astrid. Zij glimlacht, buigt voorover naar Beer en fluistert iets in zijn oor. Dan pakt zij Beer op en draait hem met zijn kop naar Siem toe. Met een lief stemmetje bromt zij:

  

  ‘U bent een aardige meneer. Ik heb een heel goed idee. Schrijf maar over Astrid en mij.’

  ‘Ja, mag dat?’ vraagt Siem ontroerd door het liefdevolle aanbod. ‘Ja hoor,’ zegt Astrid.’ ‘Als je het mij maar wel voorleest als het af is.’

 

Abrupt wordt hun gesprek verstoord als een man van een jaar of dertig naar hen toe komt lopen. ‘Astrid, kom je mee naar huis?’ ‘Papa, papa,’ roept Astrid en pakt Beer op. Terwijl ze naar haar vader toeloopt kijkt ze nog een keer met een duivels lachje achterom.

 

 

 

vrijdag 9 april 2021

Bijna voorjaar

Ooit had ik een spiegelreflexcamera met tele- en groothoeklens. Veel foto’s maakte ik niet, ik zocht echt speciale ‘plaatjes’ uit. Jarenlang heb ik niet gefotografeerd, maar in het tijdperk van de mobiele telefoon pakte ik het weer op. Onlangs kreeg ik voor mijn verjaardag een digitale camera. Nu nog mijn camera leren kennen. Dat zal nog een hele klus worden.

Een van de mooiste foto’s die ik pas maakte was een close up van een kornoelje. Ik nam hem aan de rand van Abbenbroek, een pittoresk kerkdorp op Voorne-Putten. Al dwalend op de fiets kwam ik daar terecht. De tocht begon langs het Spui, waar ik die dag de eerste grutto’s van dit voorjaar zag rusten; moe na een lange tocht vanuit Senegal en Guinee-Bissau. Tussen enkele kieviten en scholeksters laafden zij zich in de lentezon. Straks zal het grut-o-grut-o-grut-to weer boven de weilanden klinken en zal hij op zoek gaan naar een vette regenworm of emelt.



kornoelje

De week erna maak ik een lange wandeling. De weersverwachting lijkt gunstig. Er is maar een klein buitje voorspeld, die nu zou moeten vallen; echter de zon schijnt en maar weinig schapenwolken drijven in het blauw. In de polder blijkt ook de tureluur terug van weggeweest. Kieviten draaien nestkuiltjes in het gras. Bij het havikperceel houd ik halt. Tijd voor een break en misschien laat ook de havik zich zien. Helaas blijft het bij kekekekek, zijn lokkende roep. Intussen is de lucht asgrauw geworden. Op de dijk zie ik in de verte gordijnen van regen. De wind is aangewakkerd tot kracht vijf á zes. En onvermijdelijk vallen de eerste regendruppels. Razendsnel trek ik mijn regenbroek aan, mijn jas is waterdicht, en loop met de wind in de rug verder.

Achter een betonnen paal zie ik een bekende vogelaar staan. Zijn fiets leunt tegen het prikkeldraad. De telescoop opgesteld op een statief, weerstaat de regen. Ik loop naar hem toe en groet hem. Om zeven uur die morgen was hij op pad gegaan en nu vijftien kilometers van zijn huis verwijderd, rondt hij de laatste wintervogeltelling af. ‘Wat een diehard ben jij toch’ zeg ik vol bewondering. ‘Ach ja, ik ben het gewend. Trouwens jij mag er ook zijn en nog wel te voet.’ Op een plezierige toon praten wij bij. De striemende regen en de ijzige wind maakt het koud. ‘Zeg ik ga weer verder. Succes!’ verderop kijk ik door mijn verrekijker nog eenmaal achterom. Ook hij is vertrokken. Zijn laatste telling van deze winter zit erop.

Uit mijn zak tover ik een muffin. Energie voor de laatste kilometers. Dan ben ook ik weer thuis.  

  

dinsdag 30 maart 2021

Observaties

I

 

De rivier

 

Donkere golven, enkele opgelicht door de zon, klotsen tussen basaltblokken aan de oever. Hij zit in het klamme gras en slaat voorzichtig zijn handen om een mok, die gevuld is met hete thee. Terwijl hij over het water staart, neemt hij kleine slokjes en snuift de damp van het gouden vocht. Alles valt op dat moment samen: rust, ritmisch kabbelen, geur en smaak, kilte en warmte.





 II

 

De wind ruist door de boomkruinen en is hoorbaar. Of is het de monotone golfslag van het rivierwater erachter? Misschien wel beiden. Zo zwijgend peinzend loopt hij naast zijn maatje. Over groen, langs slik, op kiezels. Een kale grijze tak ligt als kunst op de oever. Als je gaat zitten steekt hij deels schril af tegen de grijze lucht. Die hardheid is ingebed in het zachte ruizen van de wind verderop.

  

maandag 22 maart 2021

Wat ons bezighoudt

 



Tino van Kampen uit Spijkenisse schrijft maandelijks een verhaal in Groot Goeree-Overflakkee over zijn belevenissen rondom het Haringvliet. Daarvoor is hij vaak op stap in de natuurgebieden van Voorne-Putten, de Hoekse Waard en Goeree-Overflakkee. De afgelopen maanden correspondeerde hij met de reizende dichter Niels Snoek uit Dirksland over hun gemeenschappelijke interesses: natuur, litera-tuur en filosofie. Met als resultaat het ‘proza-poëzie-boek’: Wat ons bezighoudt, in de tijd van afgrendeling.

De titel heeft natuurlijk alles te maken met de lockdown als gevolg van de corona-pandemie. Gedachten en gevoelens hierover zijn dan ook terug te vinden in de bundel. De teksten zijn niet of nauwelijks bewerkt, juist om de spontaniteit te bewaren. De afgrendeling kon dan soms lastig zijn, er was ook tijd voor vrolijke verhalen, ook die zijn in de bundel beschreven.

Beide schrijvers zijn vaak vroeg uit de veren, het kan dan ook niet anders dat een verhaal begint met een mooie zonsopkomst, zoals op de cover is te zien. Er is o.a. plaats voor een dubbelgedicht over een kluizenaar, dat verrassend op twee ma-nieren kan worden gelezen. Inspiratie werd gevonden bij de muziek van Arvo Pärt en zijn compositie Salve Regina. Een verdwaalde schoen langs de snelweg, wat doet hij daar, was aanleiding voor de duistere kant van de mens. En als slot ein-digt het boek met een gedicht waarvoor de schrijvers om de beurt twee regels schreven. Al met al een kijkje in het leven en brein van Niels en Tino. Al lezend zult u ze beter leren kennen.

Het boek (ISBN 978-94-6406-653-1) is te bestellen bij de boekwinkel

of via  https://www.boekenbestellen.nl/boek/wat-ons-bezighoudt

 

vrijdag 12 maart 2021

De masseuse

Ik heb de keuze. Linksom door de tunnel over Noord, of rechtsom via de brug over Zuid. Ik kies voor Noord. Het stormt namelijk. Op de brug zou het wel eens gevaarlijk kunnen zijn. Het blijkt de juiste keuze. Op het moment dat ik wegrijd, zegt de man van de verkeersdienst dat er op de brug een vrachtwagen is gekanteld. Het verkeer wordt omgeleid. Laat die omleiding nu precies op mijn route liggen. De masseuse waarmee ik een afspraak heb zal ik een kwartier moeten verzetten. Vertwijfeld zoek ik naar mijn mobiel. Bellen in de auto mag niet. Bovendien kan ik slecht multitasken. Toch waag ik het erop. Langzaam rijdend in een file moet het kunnen. Er wordt niet opgenomen. Geïrriteerd spreek ik de voicemail in. Voor mij zoekt het verkeer over drie banen de juiste weg. Ik sla af en rijd de wijk van mijn bestemming in.

Ik bel aan. Een reusachtige vrouw die stevig in het vlees zit doet open. Ze draagt een witte slagersjas. De jas maakt indruk. Ineens besef ik dat mijn blaas op springen staat. ‘Mag ik...’ vraag ik. In het kleinste kamertje, ik vraag mij af hoe de vrouw hierin past, doe ik mijn plas. Alsof er een anderhalve literfles water langzaam leegloopt, zolang sta ik daar. Ik geneer mij, want nu lijkt het alsof ik uitgebreid mijn behoefte doe. Iets waarvoor ik mij altijd schaam als ik bij een vreemde ben. ‘Zo dat was een fikse plas’ zegt de vrouw cynisch. Ik zwijg.

In de massageruimte staat een vitrinekast vol met medisch gereedschap uit vervlogen tijden: tangen, een cystoscoop enz. enz. Om bang van te worden. De masseuse wijst mij naar de behandeltafel. ‘Gaat u maar liggen. Wilt u een stevige of ontspannende massage.’ Ik kies voor het laatste. Het laat zich raden waarom. Weer maak ik de juiste keuze, want vol overgave stort zij zich op haar werk. Na tien minuten gaat de slagersjas uit en verhult een wit T-shirt niets van haar volumineuze boezem. Wat een vrouw. Onverwacht begint de tafel te piepen en kraken. Als hij dan ook nog beweegt op kritieke punten breekt het zweet mij uit. ‘Kan het niet iets rustiger?’, vraag ik met een keutelig stemmetje. Ze lijkt het niet te horen. Dan gebeurt het. Als een boot op drift, beweegt de tafel van voor naar achter op het ritme van de masseuse en zakt ineen in de branding. Zeker honderdvijfentwintig kilo aan lellend vlees laat mij snakken naar adem. ‘Help’ roep ik keihard. ‘Wat is er, wat is er?’ vraagt mijn vrouw. Verdwaasd word ik wakker tussen de resten van een ineengezakte lattenbodem van mijn bed. Het matras ligt half op mij.

Als ik later achter mijn bureau zit en mijn agenda voor de dag doorneem, zie ik dat ik een afspraak met de sportmasseuse heb staan. Nog getraumatiseerd van de nacht bel ik af.       

zondag 7 maart 2021

Gedicht

O Bergamo.

Je moet haar ruiken.
Je moet haar proeven.

Ik vouw het goud uiteen,
open het grijs en ruik het
zwart dat verdrongen wordt
door de geur uit de oude stad in Lombardije.

Daar moet de vrucht zijn gerijpt
tussen de cipressen op een helling achteraf;
die frisse geur en smaak - zo zal zondagmorgen vroeg
ooit Earl Grey het als ritueel hebben genoten, net als ik.

Ruiken moet je het.
Proeven moet je het.
O bergamot