zaterdag 2 januari 2021

Een onverwachte opdracht

Vandaag was ik begonnen aan een verhaal dat ik vooralsnog De romanticus noem. En terwijl ik schreef hoorde ik het geluid van een appje op mijn mobiel. Vanuit het niets kreeg ik het verzoek, of eigenlijk was het een opdracht om een verhaal te schrijven waarin de woorden oud, nieuw(e), wortel(tje)(s), maan en zon moesten voorkomen. Eens kijken of ik die trefwoorden in kan voegen. Het verhaal is immers al onderweg.

*

De romanticus

De jongeman loopt met rechte rug, het hoofd lichtjes gebogen. Af en toe staat hij stil en kijkt naar het roze in de donkere zwaarbewolkte lucht. Wat mooi toch, denkt hij, dat de zon ook achter de wolken schijnt. Verderop staat hij nogmaals stil. Het roze is verdwenen. De lucht lijkt te klaren. Hoewel links van hem hangt in de verte een donkerte, waaronder een sluier van regen hangt. Wat een verschil met gisteren, schiet het door zijn hoofd…

Mild warm ligt de dag aan zijn voeten. Pen en papier heeft hij even opzij gelegd. Schrijven kan later nog. De deur van zijn huisje dat aan de rand van het duin ligt, heeft hij op slot gedaan. De sleutels liggen nu diep in een zak van zijn groene outdoor broek. Goed geluimd struint hij over een schelpenpad het duin in. Het is mei en enkele boomleeuweriken laten van zich horen. Af en toe ziet hij er een landen in de top van een meidoorn. Morgen de verrekijker maar eens meenemen denkt hij. Tegen een verhoging van zand, bijeengehouden door bosjes mos en ander groen, bukt hij zich om het duinviooltje te bestuderen. Zo teer en vrolijk van driekleur. Ongewild dwaalt hij van het pad af. En daar in de luwte van een duinpan, ziet hij haar wederom zitten. Op een gespreid kleedje dit keer, waarop een tasje en lectuur zo te zien. In haar hand houdt zij een boek.

*

 

Zij, begin twintig, heeft het plekje onlangs ontdekt. Het instituut waaraan zij studeert ligt in het dorp vlak bij het duin. Elke ochtend of middag, wanneer het weer en de colleges het toelaten trekt zij het duin in. Was het eerst voor een wandeling, nu heeft zij daar haar plekje gevonden om te studeren, of even te ontspannen.

Dit is al de derde keer dat ik haar zie, denkt de jonge man. Ik zal haar toch eens benaderen. Voorzichtig loopt hij naar haar toe. Hoe zal ik haar eens aanspreken? Een zin over het weer lijkt mij zo cliché. Wacht, ik weet het al. ‘Hallo juffrouw, wat brengt u hier zo afgelegen?’ De vrouw kijkt op en denkt: Wat een malloot om mij zo aan te spreken. Ik speel het spelletje mee. ‘Dag jongeling. Ik zoek wat lering en genot, hier zo fijntjes in het duin.’ ‘Aha u studeert. Mag ik vragen aan welke faculteit?’ ‘Humaniora. En u?’ ‘Na een studie Nederlandse letteren, ben ik gaan schrijven. En als ik zo vrij mag wezen, ligt daar niet een roman verscholen naast uw elegant gevouwen leden.’ ‘Ach ja, ‘t is een debuut van een nieuwe schrijver. Het lijkt mij wel wat. Ik heb al één hoofdstuk gelezen.’ ‘Wat is de naam van de auteur?’ ‘Lowie Kroes is zijn naam. Is hij u welbekend?’ En zo converseren zij nog een stief kwartiertje verder en spreken zij af om elkaar nog eens te ontmoeten.

*

 

Op de tweede dag dat zij hebben afgesproken en genieten van een picknick in het duin, begeven zij zich in de namiddag naar het strand. Het is warm en de zon schijnt nog volop. Ineens staat hij stil en brengt zijn wijsvinger naar de lippen. ‘Ssst, hoort u die ritsel?’ Zij buigt haar hoofd lichtjes opzij, naar de plek vanwaar de jonge man meende dat de ritseling vandaan kwam. Hij duidt de plaats en zegt: ‘Kijk daar! Een hagedis laaft zich in de zon. Je kan zijn hartslag in het keeltje zien kloppen. ‘O wat aardig. Hoe heet dat schepsel?’ ‘Dat wezen is een zandhagedis. Die zijn vrij zeldzaam en laten zich alleen aanschouwen als het weder warm is.’ Aan het strand zoeken zij later een fijn plekje, praten en luieren wat en gaan pootje baden. Als zij honger krijgen breken zij op en vraagt hij haar ten eten bij zijn huisje. ‘Hoe lang is het nog gaan?’ vraagt zij. ‘Mmm, een half uurtje, drie kwartier. Vanwaar uw vraag?’ Wel, ik word een beetje flauwtjes. Heeft u wat etenswaar voor mij?’ Hij voelt in de zakken van zijn broek en tovert een oud en slap gerimpeld worteltje tevoorschijn. Op slag is de romantiek die de twee dagenlang hebben volgehouden verdwenen. Zij schieten onbeheersbaar in de lach.

*

 

Aan tafel gezeten met een goed glas wijn (zij) en een kelkje dubbelbier (hij) buiken zij uit na een copieuze pasta carbonara met spinazie. ‘Zeg’ zegt zij. ‘In heel ons spel hebben wij ons nog niet voorgesteld’. ‘Ik heet Isabel en jij?’ Er viel een pauze. ‘Voordat ik je dat vertel, wil ik eerst weten wat jij van dat boek vindt. Dat van die nieuwe auteur. Weet je nog?’ Isabel, krijgt een plagerig trekje op haar lippen. ‘Dat valt tegen.’ ‘ Hoezo?’ ‘Nou, die schrijver dat ben ik’ zegt de jonge man beteuterd.

Later in de door een volle maan beschenen avond, pakt zij zijn beide handen en kijkt hem liefdevol aan. ‘Dat van dat boek dat was een grapje. Het was aardig en aangenaam. Volgens mij gaan wij nog veel van de schrijver ‘horen’.’ ‘Ach juffrouw u raakt mijn teer gemoed’. En hij geeft haar een innige kusje op haar hand.

#


 

  

 

  

  

maandag 28 december 2020

Panta Rhei

Alles stroomt. Het bloed door de aderen, de sapstroom door planten en bomen, het water naar de zee. Stromen is pure energie. Energie die constant zoekt naar balans. Zelfs de voor het oog stilstaande objecten bewegen. Neem maar een blokje metaal voor ogen. Dat wat het blokje bijeenhoudt, dat wat het blokje het blokje maakt is niets dan een beweging, een aan- en afstoten van moleculen onderling.

De vraag is, was er altijd al beweging en zo ja, zal die beweging oneindig lang duren. Aristoteles sprak van een onbewogen beweger die alles in gang zette. Laat ik zijn theorie eens als startpunt nemen. Bewegen is ontstaan van. Bewegen is veranderen. Bewegen is vergaan. Bloed stroomt en houdt de mens vitaal. Na jaren van sapstromen, degenereren planten en bomen tot dor hout. Water verdampt, een rivier droogt uit. Het is de cyclus van het bestaan. Het heeft daarom geen zin om ertegenin te gaan.

Op deze manier kan je ook naar menselijke emoties kijken, zoals vreugde en verdriet, geluk en ongeluk. Ook die ontstaan, veranderen en lossen als vanzelf op. Ineens was daar het covid-virus. En ook dit virus beweegt en zal veranderen (verzwakken) en uiteindelijk verdwijnen.

Het virus veroorzaakt, naast ziekte, een stroom aan emoties in en tussen mensen onderling. Angst, woede, frustratie en ook saamhorigheid, begrip en empathie zijn overal te zien. Mensen staan tegenover elkaar met verschillende meningen. Staan in diversiteit tegenover de regering, die nog enigszins de nare toestand onder controle tracht te houden. Het begrip solidariteit is wankel. Logisch, want er is niet één waarheid. Er is wel een wijsheid. Een wijsheid waarop dit stukje geïnspireerd is.

In de Ashtavakra Gita (Hfd. 11) las ik:

Wie eindelijk geleerd heeft
dat het in de aard der dingen ligt
te ontstaan, veranderen en verdwijnen,
vindt in onthechting rechtstreeks vrede
en verlossing van gemis.

Bezorgdheid brengt niets dan ellende;
wie hiervan goed doordrongen is
laat elk verlangen varen
en vindt in plaats ervan geluk

Wie eindelijk geleerd heeft. Het duurt dus nog even voor je het doorhebt. Maar niet getreurd, oefening baart kunst. Geen zorgen dus. Wellicht komt er in 2021 een nieuw normaal. Een jaar van geluk voor ons allemaal. Ik wens het u als lezer in ieder geval toe. 

dinsdag 22 december 2020

Sssst ;-)

Stilte in dualiteiten

stel je een stil leeg landschap voor
wat zie je dan … niets
niets dan wit

elke smet vloekt, raast en tiert
verstoort de stilte

stel je een stil leeg landschap voor
wat zie je dan … niets
niets dan zwart

zwart dat alles absorbeert
en de stilte presenteert

stilte is een roerloos stilzwijgende figuur
die oplost in een raadselachtige leegte

stilte wie verlangt er niet naar
om er even niet te zijn

Geïnspireerd door De stilte van het licht, Joost Zwagerman 

zondag 20 december 2020

Gedicht

 

In huis

is het donker, vormloos en stil

zacht licht van buiten
strijkt vage kleuren

een klavier verschijnt
wit, zonder klanken

gedempt kleurt een klik
de kamer in tinten van pastel

gapen en rekken, voeten
schuiven in sloffen, schrijden

over treden die kraken
een deur piept, slaat dicht

geuren van vers brood,
spiegelei en earl grey

zijn hand wrijft zacht en wekkend
over haar wang, ’t is tijd

later na de koffie samen
gaan beiden hun weg

hij schrijft wat hem bezighoudt
zij kneedt beelden van klei

zo verloopt dag van schemerlicht
naar schemerdonker

dan, laat in de avond
slaat een deur, kraken treden

schuiven voeten uit sloffen en
kleurt een klik de kamer duister

is het in huis donker, vormloos en stil

 

woensdag 9 december 2020

Pink Tink

Eerder schreef ik over de baardmannen, Nico en Hans. Vandaag leg ik de echte baardmannetjes onder de loep.

Ergens langs het Haringvliet ligt een ruigte waarin veel riet groeit. Dé biotoop van de baardman. Niet dat ik eropuit was hen te zien, ik wilde simpelweg van het landschap genieten en al wat zich aan vogels zou aandienen was een krent in de pap.

Om negen uur rijd ik de kleine parkeerplaats op. Er staan al wat fietsen en een enkele auto. Op weg naar de kijkhut komen twee mannen mij tegemoet. Druk pratend kijken zij naar elkaars camera: vogelfotografen. Ook een mooie manier om te vogelen. Genieten van de vangst en later thuis de buit tot in detail bestuderen. Het ultieme doel is dan denk ik, zoveel mogelijk soorten, zo perfect mogelijk vast te leggen.

Zelf fotografeer ik niet. Ik jaag met telescoop en verrekijker. Het nu moment en de bestudering van de vogel beleef ik dan intensiever. Later graaf ik dan in mijn herinnering, of lees een verhaal terug over wat ik zag.

Na een tijdje struinen hoor ik bij herhaling het op een belletje gelijkend pink tink. Baardmannetjes! Voor mij langs vliegen er een tiental voorbij. Ik volg ze met mijn kijker en vang wat kleur en vorm op, that’s all. De vogeltjes duiken verderop in het riet. Ik heb ze niet vast kunnen leggen op mijn harde schijf. De fotograaf verderop wel. Trots laat hij mij enkele plaatjes zien.

Foto: Kees van 't Zelfde



De vogel, een mannetje, was net geland in het riet. Goed te zien zijn de zwarte bakkebaarden die fel afsteken tegen de grijze kop. Zijn pootjes klemmen stevig om een stengel riet. In het najaar en de winter doet hij zich tegoed aan het zaad van riet en rietachtige grassen. In de zomer eet hij voornamelijk insecten.

Naar mate de ochtend vordert, kom ik steeds meer fotografen tegen. Social media heeft zijn werk gedaan, want zij zijn allen op zoek naar de baardmannen die op meerdere plekken te zien blijken te zijn. Het is wel grappig om bij dit gegeven stil te staan, dat speuren naar één soort en haast geen oog te hebben voor al het andere moois. Sommigen gaan zelfs zover dat als het plaatje geschoten is, zij met spoed naar elders verkassen.

Eigenlijk, ik chargeer, parasiteer ik op de inspanningen van de fotograaf, want regelmatig leen ik een foto van hen. Zo ook bij dit stukje. Vooruit maar. Na een mooie ochtend verlaat ik het gebied. De parkeerplaats is aardig gevuld. De volgende dag als ik langsrijd op mijn racefiets zijn alle plekken bezet. De baardmannen, ergens langs het Haringvliet zijn een hotspot.

 

 

  

dinsdag 24 november 2020

Op het uiterste puntje

 

Al een tijdje wilden Peter en ik samen naar de Maasvlakte. De plek waar welzijn en welvaart bij elkaar komen. Omdat corona ons tegenhield om in één auto te rijden, reden wij apart en spraken ter plekke af.



Meetingpoint: Bosjes van Jans. ‘Hoever is het lopen naar het kijkscherm?’ ‘Vijf minuten denk ik.’
Vliegtuigstrepen wijzen naar de duinen.



De Stadsvogelaar, de stad ontvlucht, ligt op ‘het balkon van Nederland’. Waarnaar tuurt hij? Vogels zijn immers ver weg op zee.



Het is het lijnenspel dat fascineert. Krom, recht en ruw. Zij zijn een grens tussen vlakken gevuld met kleur.



De Westplaat bij laagwater. Water dat zijn eigen weg zoekt. Evenals de met het blote oog onzichtbare strandlopertjes.



De lucht lijkt rechts aan de horizon uiteen te spatten.
Beslist geen zwart gat.














woensdag 4 november 2020

Herfst anekdote

Het zal eind jaren negentienhonderdtachtig geweest zijn toen er nog voor de ochtendschemer werd aangebeld. Onderweg naar de voordeur schoot ik mijn jas aan en kauwde de laatste resten brood weg. Voor de deur stond een enigszins gezette man met walrussnor en een onvergetelijke grijns op zijn gezicht: Ari Stolk.

Ari was in die tijd tekenaar van Vogels, het lijfblad van de Vogelbescherming. In elk nummer stond er een column van, naar ik dacht, Nico de Haan. Juist, een van de Baardmannetjes! Ari schetste bij het verhaaltje lange tijd een leuke tekening.

Die herfst en winter trokken wij maandelijks naar de kust om samen met anderen de spreeuwen- en vinkentrek te observeren en de aantallen te tellen. Het was een groots opgezet project van de Vogelwerkgroep Voorne. Men hoopte antwoord te krijgen op de vraag: Wat zou de invloed van een tweede Maasvlakte zijn op het duin langs de kust met betrekking tot de flora en fauna en daarmee samenhangend de vogeltrek?

Half in de ochtend zat onze opdracht er meestal op en als wij tijd hadden trokken wij er nog samen een paar uurtjes op uit.

‘Wat ga jij doen vanmiddag?’ vraagt Ari.
‘Ik denk dat ik eerst een tukkie ga doen, daarna zie ik wel.’ antwoord ik.
‘Zet dan ondertussen geen vlees op.’ zegt hij.

En hij vertelt over die keer dat hij een rollade op het vuur had gezet en in slaap gevallen was. Hij werd gewekt door een brandlucht. In zijn keuken hing een vette walm. Van zijn rollade was niets meer over dan een zwarte knol ter grootte van een kleine kroot.

Hoe het met de Maasvlakte en zijn infrastructuur is afgelopen is bekend. Nog steeds is het een eldorado voor de vogelaar. Al is het minder dan voorheen. Zeker tijdens de herfsttrek is het een komen en gaan van diverse en soms bijzondere vogelsoorten.


Sperwer belaagt groep spreeuwen. Foto: Peter Ganzeboom

Op de Kwade Hoek is de spreeuwentrek ook goed te zien. Vaak golven zij mee met de glooiingen van de duintoppen; een betoverend schouwspel. Bovendien zijn de koperwieken en kramsvogels weer in het land. Zij doen zich te goed aan de rijpe duindoornbessen, rozenbottels en lijsterbessen. Als de bessen tegen de winter opgegeten zijn en de vogels opgevet, trekt het gros verder. Maar grote aantallen blijven ook achter. Roofvogels zoals havik en sperwer trekken vaak mee met de kleinere trekvogels, voor hen is het ‘tafeltje dekje’ als de zangertjes even niet opletten wanneer zij zich te goed doen aan de bessen, of als zij na hun maal zachtjes en verzadigd indommelen.

Als Ari nog had geleefd, had hij vast op zijn eigen wijze een pracht tekening van het tafereel gemaakt.