maandag 4 juli 2016

Jazz Round Town



Er is een klein verschil in letters en hun volgorde wanneer je de plaatsnamen Hoogeveen en Heerenveen nader bekijkt. Als je daar onbewust aan voorbij gaat. Bijvoorbeeld op een kruispunt van wegen, dan kan je zomaar in de verkeerde plaats arriveren.

In Rotterdam start volgend weekeinde het North Sea Jazz Festival. Voorafgaande aan het feest vinden op diverse plekken in de stad optredens plaats. Oud-Charlois, is één van die locaties. Aan de Kerksingel, achter de kerk is een podium gebouwd. Een vis -, patat -, en drankwagen fleuren het plein op. Charlois, of op zijn Rotterdams Sjaarloos, lijkt in letters een beetje op Charleroi, een vliegveld bij Brussel. Als buitenstaander zou je op het verkeerde been gezet kunnen worden.

Twee geliefden maken het plan om naar Charlois te gaan. Samen rijden zij zondagmiddag in vrolijke stemming naar Zuid. Onderweg vraagt hij haar waar de optredens precies zijn. “Aan de Kerkwerfsingel”, zegt zij. “Mmm, die weet ik wel, die loopt vanaf Zuidplein richting Dorpsweg”, zegt hij. Als de auto geparkeerd is, lopen de twee door het Zuiderpark richting het Zuidplein. “Dit moet de Kerkwefsingel zijn”, zegt hij later. Echter er zijn geen muzikanten te zien of te horen. Een straatnaambord biedt uitkomst. “Carnissesingel, wij zijn verkeerd”. “Ach, nu weet ik het weer” zegt de man. “De Kerkwerfsingel ligt in Pendrecht, niet ver hier vandaan”. Niet uit het veld geslagen wandelt het tweetal naar Pendrecht. Maar ook daar geen Jazzy klanken. “Ik vond het al zo raar. Pendrecht is geen Charlois, al ligt het dicht bij elkaar, zegt de man. Kom we gaan naar de auto en rijden naar de plek waar ik denk dat het is”. Na een korte rit door de wijk en nog steeds in opperbeste stemming ziet het tweetal een geel spandoek met daarop de woorden Jazz Round Town. Het plein aan de Kerksingel is gevonden.


woensdag 29 juni 2016

Terug naar de basis



Het weer voorafgaand aan het weekeinde was niet best. Voor ons kampeertochtje, drie nachtjes, was beter weer voorspeld. Vooral maandag zou aangenaam warm en zonnig zijn vertelde weerman Gerrit Hiemstra; met dat gegeven in het vooruitzicht stond ik dan ook in optimistische stemming gepakt en gezakt paraat. Om kwart over acht belde Peter, mijn reisgenoot, aan. Samen rangschikten wij onze bagage in zijn auto. Alleen het fietsenrek hoefde nog maar gemonteerd te worden. Onverwachts diende zich een kleine tegenvaller aan; wij hadden geen rekening met de spoiler gehouden. Wat nu? Demonteren natuurlijk, hij was immers maar met drie bouten bevestigd. Nadat ik gereedschap had gevonden, draaiden wij snel de bouten uit de spoiler. Die gaf echter geen krimp en bleef onwrikbaar op zijn plaats. Wat bleek? Aan de onderzijde was hij met nog eens drie bouten bevestigd. Twee daarvan hadden hun domein op haast onbereikbare plaatsen. Wij gaven het op en wilden weg, dan maar geen fietstochtjes. Iets later dan gepland maar in een vrolijke bui reden wij in lichte regen naar Lhee, plaats van onze bestemming.


De natuurcamping, wat in dit geval inhield dat het terrein geen elektra en internet bezat, was snel gevonden. Na enig gesteggel met de betaal- en reserveringsautomaat vonden wij een fraai stekje; vlak langs de bosrand met uitzicht op het lichtglooiende campingterrein, waarop als geurend ornament enkele dennen verspreid stonden. Onze naaste buren links waren een moeder met twee kinderen van, ik schat, vier en zes jaar. Met deze kinderen sloot ik al snel vriendschap, zodat zij elke dag wel één of twee leuke praatjes met Peter en mij maakten. De buren rechts, onbekend in aantal, vertrokken na één nacht  naar elders op het terrein. Wellicht maakten wij in de avond- en ochtenduren teveel lawaai. Wie zal het zeggen. Binnen tien tot vijftien minuten was ons kampement klaar voor gebruik. Tijd om de directe omgeving te verkennen.


Half bewolkt en beschenen door een waterig zonnetje ligt het Dwingelderveld aan onze voeten. Langs de rand, waar een fietspad het veld scheidt van een aangrenzend bos, klinkt de zang van een grasmus. Op het veld zelf is vooralsnog beperkte vogelactiviteit. Genietend van het fraaie weidse uitzicht bereiken wij later een vogelobservatiehut. Voor de hut ligt een drassig veld met biezen waarboven een witte kwikstaart op zoek is naar een vette vlieg. Boerenzwaluwen scheren af en aan. Een van hen vliegt onverstoord naast mij de hut binnen en zoekt zenuwachtig zijn weg. Wat blijkt? Ik sta pal onder een nest dat drie jongen bevat. Hun bekken zijn wijd geopend en één voor één krijgen zij een insect toebedeeld. Intussen is het namiddag en krijgen wij trek in een snack en geestrijk vocht. De Bospub blijkt daar prima voor geschikt. Laat de bitterballen en een La Chouffe nu maar aanrukken, denk ik goed gemutst. Terwijl wij ons laven en in een nog vrolijker stemming geraken worden wij aangesproken door mevrouw Boontjes die samen met haar echtgenoot in de omgeving een vakantie geniet. Er ontstaat een fijn gesprek, waarin vooral meneer Boontjes vol humor inhaakt op wat aan gespreksstof ter tafel komt. Een tweede rondje bitterbal en bier is snel besteld en enigszins licht beschonken nemen wij later afscheid van elkaar en zoeken onze weg naar het kampeerterrein, waar wij moe en met trek ons avondmaal bereiden; spekjes, krielaardappeltjes en bietjes, (alles uit blik en in één pan). Het smaakt uitstekend. Na nog een kleine wandeling, dat is goed voor de spijsvertering, maken wij ons op voor de nacht.


Wordt vervolgd.

zondag 29 mei 2016

Oude mannetjes



Het gebeurt regelmatig dat volkomen onbekenden een gesprek met mij aangaan. Vaak hoor ik hen geduldig aan, maar ik heb daar niet altijd zin in. Subtiel probeer ik dan het gesprek te beëindigen.

I
“Ziet u iets bijzonders” hoor ik achter mij. Ik kijk achterom en zie een oude man op een haast versleten fiets leunen. De punt van het zadel helt steil voorover. Hoe kan hij hier fatsoenlijk op fietsen, vraag ik mij af. De man draagt een grauwe wollen muts die ooit wit is geweest, zijn jas is vuil en vettig, zo ook zijn joggingbroek. Het gezicht van de man, dat voor een groot deel verborgen ligt achter een geelwitte baard, is gegroefd door zon, zee en ouderdom. Rode adertjes lopen op en pal langs zijn neus. “Ik dacht even een spotvogel te horen” zeg ik hem en wij raken aan de praat. De man heeft van alles te vertellen en ik voel nattigheid; dit wordt een monoloog die nog minuten lang kan gaan duren en daar heb ik geen zin in. José die bij ons is komen staan, mengt zich in het gesprek. Zij is mijn redding, want er ontstaat geleidelijk een gesprek tussen haar en de oude man. Voorzichtig wend ik mij van hen af, tuur met mijn verrekijker over het riet en sluip bij hen weg.

II
“Dat was maar net”, hoor ik een man op leeftijd zeggen als ik uit de auto stap. “Wat was maar net?” vraag ik hem. De man die van zijn fiets is gestapt, doet verward kond over een onoplettende automobilist die hem zojuist bijna omver heeft gereden. Wij wisselen wat zinnen uit en dan wijst de man naar zijn rechterbeen. “Dit been is nog goed”, zegt hij. “Het andere is minder”. Wat volgt is een onsamenhangend verhaal over zijn linkerbeen dat niet meer zo soepel beweegt als zou moeten. “Mijn rechterbeen is sterker en doet al het trapwerk, eigenlijk beweegt mijn linkerbeen alleen maar mee”. Oprecht geïnteresseerd luister ik naar hem. Ik geef blijk van begrip door in te gaan op wat hij vertelt. Omdat de man in herhaling begint te vervallen en ik alleen nog maar luister, stokt het gesprek. “Kom ik ga maar weer eens op huis aan” zegt hij en stram stapt hij op zijn fiets. Harder dan verwacht rijdt hij weg. Met de snelheid die hij vervolgens ontwikkelt, zou hij zomaar op één been een etappe van een willekeurige wielerkoers kunnen winnen.
      
III
De Mokbaai stroomt langzaam vol met zeewater. Strand- en wadvogels verzamelen zich en zoeken drogere plekken op. Zojuist hebben José en ik een ronde langs de Horsmeertjes gelopen die in het duin liggen. De oever van de baai is een uitstekende plek om uit te rusten en wat te eten. Langs de rietkraag stel ik mijn statief met telescoop op, terwijl José onze boterhammen tevoorschijn haalt. Ik tuur de baai af, wanneer naast mij een man van middelbare leeftijd stopt op zijn fiets. Direct begint hij tegen mij te praten. “Wel duur zeker zo’n telescoop?” “Ik zag laatst op internet dat ze wel meer dan tweeduizend euro kosten”. Ik kijk de man zwijgend aan. Hij is gekleed alsof hij in de jaren tachtig van de twintigste eeuw is blijven hangen. Zijn pilotenbril en middellange sluike haar versterken dit beeld. “Daar kan je zeker wel ver mee kijken?” “Ja, bij helder weer kan je op vijf kilometer afstand zien hoe laat het is, als je hem op een kerktoren met klok zou richten”. “Zo, dan is dit zeker wel een dure?” vraagt hij mij opnieuw. “Dat val wel mee” antwoord ik hem. Op zijn volgende vragen antwoord ik niet, of nauwelijks geïnteresseerd. Na een korte stilte groet de man mij en stap op zijn fiets. Even verderop zit een fotograaf met een enorme telelens, zijn volgende ‘slachtoffer’. Heel even lijken de twee met elkaar te spreken. Als de fotograaf zich over zijn camera buigt stapt de man weer op zijn fiets en kijkt achterom. Hij ziet dat ik naar hem kijk en lijkt te twijfelen. Hij zal toch niet terugkomen, denk ik in lichte paniek.
        

maandag 23 mei 2016

Aan de vloedlijn



Al dagen was er een weeromslag voorspeld. De temperatuur zou zeker tien graden gaan dalen en ook de wind zou toenemen tot hard. Dat beloofde niet veel goeds voor onze vakantie op Texel.

Op vrijdagochtend plaatsen Jose en ik de aluminium fietsendrager tegen de achterkant van onze Peugeot. Dat is altijd even tobben omdat wij hem maar zelden gebruiken. Als de fietsen stevig zijn vastgesjord, zijn wij klaar voor vertrek. De temperatuur is op dat moment opgelopen tot boven de tweeëntwintig graden. Niets wijst op een temperatuurdaling. Toch als Zuid-Holland al enige tijd achter ons ligt en wij Alkmaar naderen, is de temperatuur flink gedaald, ook de wind is aangetrokken. De kop van Noord-Holland ligt er mooi bij. Aan de horizon midden in het duin is de kerncentrale van Petten ons herkenningspunt. Nu is het niet ver meer naar Den Helder.


Op de veerpont is het ronduit koud, zodat wij ons vertier binnen zoeken bij een warme kop koffie. Langs Den Burg en over de Hoofdweg rijden wij later de laatste kilometers naar het oostelijk deel van het eiland. Dit is niet het mooiste stukje van Texel. Lange kaarsrechte wegen lopen langs eveneens strak aangelegde akkers. Dit beeld verandert als wij laat in de middag naar de Waddenzee fietsen. 


het wad, windkracht vijf
onmetelijke ruimte
een schreeuw van puur geluk


Op de geasfalteerde dijk trotseren wij de harde wind. Rechts van ons stroomt het wad langzaam vol met het opkomende zeewater. Langs de vloedlijn dribbelen ‘drieteentjes’ driftig heen en weer, op zoek naar voedsel. Ook onze magen beginnen te knorren. Tijd voor een tussenstop in het meest noordelijke plaatsje van Texel. De hoofdstraat ligt er op dit uur verlaten bij. Maar een enkeling waagt zich nog buiten en ook in de plaatselijke horeca lijkt het stil. Aan het einde van de straat prikkelt de geur van versgebakken vis onze zintuigen.


De Cocksdorp, verstild
twee fietsen leunen tegen
de houten viskraam


Dit is het ware leven. Vette vingers, wind. Volhardend verdrijven wij onze vermoeidheid en honger.

zondag 22 mei 2016

Patatje Stoof



Mijn vriend Peter is een liefhebber van culinaire hoogstandjes. Regelmatig gaat hij uit eten. Zelf weet hij ook smakelijke gerechten te bereiden. Althans dat vermoed ik, als ik hem aanhoor of één van zijn recepten uitprobeer. Zo nu en dan gaan wij samen uit eten als wij op stap zijn. Vooral snacken staat hoog op zijn lijst. Ik houd in die gevallen vaak de boot af, omdat ik mijn fraaie sportlijf in conditie wil houden. Je bent een Adonis, of je bent het niet. Toch twijfel ik wel eens aan zijn smaak wat ‘goed’ eten betreft.
Zo herinner ik mij dat wij ons in Breskens bogen over een Wiener Schnitzel. Hij vond hem voortreffelijk smaken, terwijl ik naarstig onder mijn schoen keek, of de kok daar de zolen niet vanaf had gesneden. Wat waren die krengen taai en smakeloos. Laatst in België leek Peter door de mand te vallen. Meerdere malen wilde hij graag met mij een patatje stoofvlees verorberen. Dit keer kwam ik hem als vriend tegemoet en ging op zijn uitnodiging in.
Een frituur was snel gevonden. Eentje met terras zelfs. Toen ik de borden las waarop vermeld stond wat er werd verkocht, zakte de moed mij in de schoenen. De artikelen waren van producent Mora. Geen echte, verse en door de patatboer zelf gesneden Vlaamse frieten dus. Enfin, Peter nam de bestelling op en ik zocht een plekje op het terras onder een parasol. Even later kwam mijn vriend glunderend met twee bakken eten naar mij toegelopen. Wat voor mij op tafel stond leek meer op een patatje oorlog dan op een patatje stoof. De jus was door de friet heengelopen, wat het geheel tot een aardappelbrij maakte. Een grote klodder zure mayonaise, die als een toef slagroom op het gerecht prijkte, maakte het er niet aantrekkelijker op. Voorzichtig viste ik een stukje vlees uit het bakje en zocht naar een nog heel patatje. Ik moet zeggen het smaakte niet slecht, maar ik had er meer van verwacht. De sfeer en het feit dat Peter met volle teugen van zijn ‘maaltijd’ genoot maakte echter alles goed. En ondanks dat ik die avond geen buikkrampen en zure oprispingen heb gekregen, nam ik voor de zekerheid bij het naar bed gaan een extra maagzuurremmer in - je weet immers maar nooit.

Dit verhaal is een ‘vervolg’ op de Rambobrug van 10-05-2016. Hoe Peter de dag ervoer  is te lezen op zijn blog: www.peterdestadsvogelaar.blogspot.com