rond kerst stond hij als
een fallus rechtop in het mos
de knop
nog gesloten
nu in
het licht
verliest
hij langzaam
zijn
schaamte
Als je wilt weten wie je bent, sluit dan uit wie je
niet bent - .
rond kerst stond hij als
een fallus rechtop in het mos
de knop
nog gesloten
nu in
het licht
verliest
hij langzaam
zijn
schaamte
Als je wilt weten wie je bent, sluit dan uit wie je
niet bent - .
jouw zwijgen
snoerde mij de mond
wij begrepen elkaar zonder woorden
onze lichaamstaal was wat volstond
bij het afscheid nam jij mijn hand
legde de andere op mijn schouder
betekenisvol verstevigde jij onze band
hierdoor aangedaan sloot ik de ogen
en langzaam gleden wij daarna uiteen
we keken om en glimlachten opgetogen
Zie ook: gedicht van de week (email-provider.nl)
Langzaam
korten de dagen. De natuur schakelt over in absolute ruststand. Soms op een
zonnige dag is er wat weerstand, maar dan zakt alles weer in. Vandaag is zo´n
dag. Het is mistig en de zwaarte daarvan gaat over in een lichte miezerregen,
waarin je denkt droog te blijven, maar die stiekem door je kleding dringt. Op
de plas binnendijks langs het Haringvliet is het stil. Er dobberen maar enkele
eenden. Het gros heeft zich verstopt tussen het riet langs de oevers. Zo af en
toe hoor ik het fluiten van de wintertaling. Met de kraag van mijn jas hoog
opgetrokken loop ik verder.
Twee reeën,
die ik schijnbaar heb opgejaagd, zoeken tussen wilgen en elzen hun weg. Ik kijk
ze na met mijn verrekijker en merk dat de glazen bedekt zijn met fijne
regendruppels. Op het glas van mijn bril zitten er nog veel meer. De druppels
lijken te vechten om een plekje en vloeien samen tot een forse parel die
langzaam naar beneden sijpelt. Ik zal ze schoon moeten poetsen wil ik nog iets
zien. Met klamme en haast gevoelloze vingers tast ik in de zakken van mijn
broek. Hebbes. Ik vouw het doekje uit en dep het glas.
Kristalhelder
zie ik de torenvalk op een rasterpaal. Hij plukt een zojuist gevangen prooi. In
de randen langs het griend zijn overal knaagsporen van de bever te vinden. In
grote delen van ons land gaat het goed met hem. Zo goed dat zijn aanwezigheid
wel eens een plaag kan worden. Dit is een heikel punt. Eerst zetten we hem uit
en geven hem de ruimte, totdat het te goed gaat en hij overlast geeft. De
volgende stap is dat we hem gaan bestrijden. Wat wil de mens nu eigenlijk. Zo
hoor en lees ik wel eens dat als de mens naar de sterrenhemel heeft gekeken hij
tot de conclusie komt dat hij nietig is. En toch meent hij de natuur te kunnen
beheren. Soms zit de mens werkelijk in een spagaat.
Omdat ik al
een aantal uurtjes op pad ben en de weersomstandigheden mij niet uitnodigen tot
een langer verblijf buiten, maak ik langzaam een einde aan mijn tocht. Ik
‘jaag’ nog een houtsnip op en dat was het dan.
De volgende dag maak ik mij klaar voor een excursie op Tiengemeten. Als laatste trek ik mijn jas aan. Hij is nog nat van de dag ervoor. Droog zal hij die dag niet worden, want opnieuw miezert het als een neveldouche. Ondanks het waterkoude grijs heb ik het naar de zin. En toch kijk ik uit naar half januari, want dan gaan de dagen zichtbaar lengen.
Leken
de dagen te lengen na de zonnewende, vlagen motregen houden het licht nog even
tegen. Toch trekken Peter en ik eropuit met de fiets voor een rondje Spijkenisse.
Vogels zijn minder actief en dus focussen wij ons meer op het landschap en wat
wij elkaar te vertellen hebben.
Op
die plaatsen waar het kan, zetten wij de fiets aan de ketting en lopen de
ruigte in om toch, al is het maar even, het struingevoel te ervaren. Als we
terugkomen bij onze fietsen, loopt een man van half in de zeventig ons voorbij.
We groeten hem en op dat moment keert hij om voor een praatje.
Ik
hoor aan zijn accent dat hij uit de buurt van Amsterdam komt. Als ik hem ernaar
vraag, blijkt dat te kloppen. Hij komt uit de Zaan. Vroeger was hij
scheepswerktuigbouwkundige in Amsterdam, maar omdat het werkaanbod stagneerde
verhuisde hij naar … Vierpolders. Dat lijkt vreemd: verkassen vanuit de stad
naar een agrarisch gehucht op Voorne Putten. In de Botlek was echter een
overvloed aan werk in die tijd. Hij vond een baan en ging bij de Akzo werken.
Laat nu juist daar ook mijn oom gewerkt hebben.
Hij
vertelde dat zijn dochter een collega/vriendin was van mijn nichtje, de dochter
van mijn oom die bij de Akzo werkte. Hoe wonderlijk toch, dat er op dat moment
allerlei lijntjes samen kwamen.
Volgens
de man zou mijn oom op klompen naar zijn werk gegaan zijn in die tijd. Dat
lijkt in strijd met het ‘gebod’ van mijn oom aan mijn opa, een man op klompen
en pet. De pet hield hij zelfs vaak op in huis. De klompen hield hij graag aan
als hij boodschappen ging doen in het dorp en dat mocht nu juist niet van mijn
oom.
Het is inmiddels vier uur en het begint te schemeren. Het moment om naar huis te fietsen. Thuis geniet ik na van onze tocht en het verhaal van de man. Die ontmoeting gaf licht aan de door het sombere weer overheerste dag. Als ik van mijn thee slurp, appt Peter dat hij op de valreep nog een vuurgoudhaan zag. Ik gun het hem van harte.
Zo’n
dertig jaar geleden liep ik regelmatig in mijn uppie door het polderlandschap
achter mijn huis. Dat beeld van een mens die graag buiten is, past al sinds mijn vroege jeugd
bij mij; ik was en ben geen binnenmens. In die dagen kwam ik regelmatig mensen
tegen die hun hond uitlieten. Een van hen verwoordde wat anderen van mij
dachten: ’Is het niet wat voor jou om een hond te nemen, het lijkt mij eenzaam
zo alleen?’ Hun innerlijk spiegelde hen een beeld voor van hoe ik mij zou
kunnen voelen, aan de hand van een uiterlijk beeld. Mijn uiterlijk, gedrag en
houding, verraadt dus iets van hoe of wie ik ben.
Nu dertig
jaar later maak ik nog steeds mijn wandelingen langs de weilanden. Alleen, of
met een bekende. Soms stop ik voor een praatje met een passant, of een dier op
het land. Eenzaam voel ik mij nooit.
Tijdens die
tochten kom ik regelmatig een jonge man tegen van naar ik denk Chinese afkomst,
maar dat laatste terzijde. In eerste instantie liep hij op met, denk ik, zijn
vader. Ik zei hen gedag en de vader knikte vriendelijk terug. Van de jonge man
waren de lippen strak gespannen en lagen de kaken op elkaar geklemd. Het leek of
hij mij niet zag, of wilde zien.
De laatste
tijd loopt hij dus alleen en telkens groet ik hem. Op die momenten versnelt hij
zijn pas, alsof hij bang voor mij is. Het geeft mij een onprettig gevoel, want
wie wil dat iemand bang van hem is. Ik volhard echter in mijn groeten en kijk
hem telkens met open blik in de ogen. Eigenlijk wil ik verbaal contact met hem;
wie is die eenzame?
Ook in zijn
innerlijk gaat het een en ander om want als hij mij van verre aan ziet komen,
versnelt hij drastisch zijn pas en zwaait ter ondersteuning met zijn armen krachtig
langs zijn lichaam. Heel soms als wij elkaar passeren meen ik dat hij mij
toeknikt.
Wie is dat
toch die jongere die ik op uiterlijk gedrag probeer te doorgronden? Is hij
bang, boos, of autist, of misschien wel niets van dat alles?
Wie ben ik
als ik in de spiegel kijk? Ben ik die man zoals anderen mij zien en denken te
kennen? Ben ik wel die man zoals ik mijzelf zie? Is mijn buiten het buiten van
mijn binnen? En die ander, wat denk ik van hem of haar te weten?
Zal het ooit
tot een gesprek komen tussen hem en mij? Of lopen we beiden verder, ieder in
zijn eigen universum?
Het
doel van het schaakspel is om te voorkomen dat jouw koning omvalt en niet dat
de koning van je tegenstander omvalt. Ik zal dat uitleggen.
Stel je
staat voor een wild stromende rivier en je wilt naar de overzijde. Hoog boven
de rivier ligt een boomstam en de enige weg is om die zo geconcentreerd
mogelijk over te lopen, zodat je niet valt en verdrinkt. Op zeker moment, je
bent al over de helft, stapt er een ander op de stam met precies hetzelfde idee
als jij hebt. Je nadert elkaar en voor beiden is er geen weg terug. Denk aan je
doel: Niet vallen! Nu is het zaak om mee te gaan in de bewegingen van de ander
en het is te hopen dat hij een ander doel heeft, namelijk jou te laten vallen
en niet om zelf overeind te blijven…
Dit is
natuurlijk een parabel. De diepere betekenis geeft een ander inzicht. En met
oefening kan het zeker werken in momenten van de dag.
Training is
dus de weg. Het is een training in discipline en concentratie. Een voorbeeld:
de taak die iedere ochtend voor je ligt is om het aanrecht schoon achter te
laten als je de dag inwandelt. Geconcentreerd en met je gedachten alleen bij je
taak vergeet je geen enkel vlekje of kruimeltje … Doe dit elke dag opnieuw
zonder het per se te willen; want waar geen wil is, is een weg!
Een tweede
voorbeeld: Kijk eens naar een boom. Selecteer een enkel blad en bekijk dat. Zie
daarna de boom en al zijn bladeren in zijn geheel. Er gebeurt meer om je heen
dan dat ene aspect waar je uit gewoonte je aandacht bij hebt.
Goed, dan nu
terug naar het schaken. Het doel is te voorkomen dat mijn koning valt. Laat de
aanval(len) van de tegenstander maar komen. Ga mee in de bewegingen van zijn
stukken en wie weet valt zijn koning om, net zoals de aanvaller om zal vallen
op de boomstam – al is voor beiden wel training nodig zoals gezegd.
Betekent dit
nu dat je zelf niet mag aanvallen? Ja! En heel dat proces van aanvallen en
niet-aanvallen vergt discipline en inzicht. Dat is de weg, een weg vol
leermomenten.
Schaken is
een spel. Maar ik zie het ook als een parabel van het leven. Een voorbeeld:
Ik geef
regelmatig vogelexcursies. Wat wil ik daar mee bereiken, wat is het doel
daarvan? Wil ik de deelnemers zoveel mogelijk leren in een zo’n goed mogelijke
sfeer? Of … ?
Ik bedenk
mij nu, dat het beter is om niet te willen. Waar geen wil is, is een weg! Met
andere woorden ik ga met open mind op pad. Vertel verhalen en geef informatie.
Concentreer mij op details zonder het grotere geheel uit het oog te verliezen
en ga mee met de bewegingen van de groep en de mensen afzonderlijk. Er is geen
doel, er is geen wil, er is een weg.
Waar het ook
om gaat is oplettendheid, want voor je er erg in hebt kun je in ongewenste
situaties belanden. Een discussie kan zomaar omslaan in onmin omdat jijzelf of
de ander zijn mening wilt opleggen. Ook hier geldt ga niet in de aanval, maar
ga mee met de beweging. Zie het als stoeien in een rit op de fiets tegen de
wind. Hou je benen even stil en laat hem uitrazen, uiteindelijk gaat hij
liggen.
Dit is
allemaal te leren. Op het schaakbord, op de boomstam, aan het aanrecht en in
het leven zelf.
Dit zijn
mijn gedachten. Spontaan opgeschreven, zonder wil, zonder doel. Het is kennis
uit vele boeken, gesprekken en van mijzelf. Tot slot:
Er was een
mens die had als doel de top van een berg (een vulkaan) te bereiken. Hij wilde
dat per se en koos een weg. Uit eindelijk was hij boven en besefte dat er
helemaal geen top was. Die was weggevaagd door talrijke uitbarstingen.
Het gure novemberweer houdt mij tegen
om de natuur in te trekken. De onbedwingbare drang om ook in weer en wind op
pad te gaan is met het ouder worden geluwd. Bovendien heb ik het met schrijven
en kleine klusjes in huis prima naar mijn zin. En toch knaagt het; de roodborst
en winterkoning ze vragen onvoorwaardelijk aandacht. Ik ben dan ook blij dat
mijn vriend belt om voorzien van warme kleding en plu een stukje te gaan
fietsen. Schuilen kunnen we onderweg wel ergens, is zijn opportunistische
gedachte.
Het
eerste half uur verloopt prima: het blijft droog. In de verte drijven de
mooiste wolkenformaties en regenbuien langs. Felle opklaringen toveren een
fraaie regenboog tevoorschijn en langs de berm scharrelen kauwen en vinken in
het natte gras; mijn vriend denkt zelfs een keep te zien.
Als
we een bosperceel inrijden begint het te druppen, maar al snel gaat dat over in
fikse regen. Vlug duiken we tussen de struiken, drukken ons tegen een elzenstam
en klappen onze plu’s open. Dachten wij voor even te schuilen, de regen houdt als
een dreinend kind drie kwartier aan. De enige vogel die ons vergezelt, is een
verregende grote bonte specht. Toch hebben wij het prima naar onze zin.
Allerlei gein en ongein halen wij boven water en er ontstaat een sfeer van
oude-jongens-krentenbrood.
De
lucht klaart op en Buienradar laat zien dat het verder de hele middag droog zal
blijven. We fietsen naar een gemaal waar we uitzicht hebben over het
polderlandschap, de rivier en het eiland aan de overkant. Wij pakken warme thee
en boterhammen uit onze rugzakken; een lunch op deze manier en in deze
entourage is er een uit duizenden.
Vrolijk
en tevreden fietsen wij verwarmd en met een goed gevulde maag verder. Op een
rasterpaal droogt een torenvalk haar verenkleed. Mijn vriend maakt een eerste
foto. Hij wil echter een close-up en schuifelt voetje voor voetje naar de valk.
Die heeft hem door, maar blijft stoïcijns doorpoetsen tot het hem genoeg is en
hij op de wieken gaat. Precies op dat moment neemt mijn vriend een foto.
Een
tiental minuten later zijn wij aan de rand van de stad en besluiten wij onze laatste
kilometers door twee fraaie stadsparken te rijden. Er scharrelt van alles
tussen het struweel. Soms blijven wij even staan, maar de kou in onze handen en
tenen laat zich niet weerstaan; het is mooi geweest voor vandaag.
Buiten
zijn inspireert en wint het vaak van binnenblijven. Met plezier schrijf ik dan
ook dit stukje. Ik hoop dat u ervan geniet en wens u het beste voor 2022.