zondag 4 juni 2017

(kinder)spel


Als kleine jongen kleedde ik mij

in een geel shirt en waande dat ik

de koploper was in de Tour de France.



Op een tweedehands jongensfiets

trok ik sprints, beklom ik heuvels

en demarreerde ik in de volle wind.



Eenmaal groot hield ik koers op een

echte racefiets en hing het shirt van mijn held

Claude Criquielion om mijn schouders.



De shirts hangen aan de wilgen

in casual kleding speel ik vandaag de dag mijn spel:

Die van Flandrien zoals Tommeke Boonen.


vrijdag 2 juni 2017

Gedicht

Windvlagen
spelen donker en licht
met de bladeren van de beukenhaag.

berustend
de blik van het meisje,
als was zij echt; het lijkt alsof zij

sorry
zegt: 'kon ik je maar helpen
maar ik kan het niet, misschien is morgen alles anders'.

Gekras
van hongerige kauwen
klinkt uit een oude schoorsteen.


dinsdag 30 mei 2017

En hij vloog met mij mee


Vandaag wil ik De Muur oprijden. Ter ere aan mijn vader, die een groot wielerliefhebber was. Dwars door de fraaie Zwalmstreek rijd ik naar Roborst, vandaar wil ik over het Mijnwerkerspad naar Nederbrakel rijden. Bij Roborst is de weg echter afgesloten. Ik zal om moeten rijden. Na een half uur zoeken blijk ik hopeloos verdwaald. Ik vraag de weg aan een vrouw, maar zij kan mij alleen via hoofdwegen de juiste route wijzen. Of, ik moet de Paddeweg, een lange weg vol kasseien, nemen. Dat is voor mij geen optie gezien mijn eerdere onaangename ervaringen. Terug dus naar Roborst en vanaf daar mijn pad zien te vinden. Na drie kwartier vertraging rijd ik eindelijk ‘en route’ naar Nederbrakel. Daar ligt het volgende obstakel te wachten, de Ten Bosse. Een steile lange straat dwars door een dorp waar menig Flandrien zijn slag heeft geslagen, om uiteindelijk Vlaanderens mooiste te winnen. Relatief makkelijk neem ik de hindernis. Dit is nog eens wat anders dan die malle keitjes. Tijd om te recupereren heb ik nauwelijks, want na een korte afdaling ligt de Fayte te zinderen in de zon. Als die bedwongen is, daal ik af richting Geraardsbergen. Vanuit het centrum is het dan ongeveer anderhalve kilometer omhoog richting de voet van De Muur. Zo hard mogelijk, maar in het zadel, stuiter ik over de kasseien naar boven. Halverwege, in een bocht, dreig ik stil te vallen. Vliegensvlug duw ik mijn been uit een pedaal en stap af. Een tiental meters verder op een relatief vlakke parkeerplaats stap ik op om de laatste meters alsnog fietsend af te leggen. Een roodborst, waarvan ik er in heel deze week niet een gezien of gehoord heb en die symbool staat voor mijn overleden vader, lijkt mij vanuit een ligusterhaag aan te moedigen. Ik ga het halen Pa! Bij de kapel rust ik op een bankje uit. Mijn vrouw komt naast mij zitten en vertelt háár verhaal.

‘Om even voor twaalf uur ben ik de kapel ingelopen en heb een kaarsje voor mijn moeder gebrand. Het was een emotioneel moment, maar ik hield het droog. Precies op het moment dat ik de kapel verliet, sloegen de klokken twaalf en stroomden alsnog de tranen over mijn wangen’.

Terwijl zij dit mooie verhaal vertelt kijk ik haar aan en zie dat zij nog steeds is aangedaan. Wij praten nog wat en dan ga ik verder. Wij spreken bij af bij Michelbeke een uurtje rijden vanaf hier. Met een hoofd vol gedachten fiets ik verder. Deze dag is voor mij zo bijzonder, dat ik hem opdraag als herinnering aan José haar moeder en aan mijn vader, die langs de route met mij is meegevlogen.


vrijdag 26 mei 2017

Zomerjurkjes


Zacht zoevend zakt de garagedeur omlaag. De rugzak bungelt om een van mijn schouders, een man verlaat met een krant onder zijn arm de kiosk. Het is al warm als wij naar het station lopen, waar die morgen werkmannen hun laatste klussen klaren; de overgang wordt herbestraat. Omdat wij het spoor niet over mogen steken, moeten wij enkele honderden meters lopen naar een volgende overgang en vandaar over het tegenoverliggende perron teruglopen. Nog maar net op tijd bereiken wij de instapplaats, een kaartje kopen wij in de trein.

In de volle zon zoeken wij onze weg naar het centrum. Bij het plaatselijke VVV bespreken wij de plannen voor vandaag. Omdat ik twee ochtendjes kan fietsen, is Gent voor José. Haar keuzes komen op de eerste plaats, ik zal braaf en zonder protesteren volgen. Na een stadswandeling bezoeken wij Oer in het Caemerklooster. Befaamde Vlaamse schilders hebben in deze expositie de wortels van Vlaanderen weergegeven. Wij genieten volop. Wandelen maakt hongerig en bij een friettent, die volgens een viertal oorkondes aan de muur behoort tot de beste van Vlaanderen, bestellen wij een patatje stoof. De frieten zijn inderdaad uitzonderlijk lekker en ook de stoof is prima. Nadat de vette handen met een servet zijn schoongepoetst stelt José voor om een tochtje in een rondvaartboot te maken. Bij dat idee breekt het zweet mij uit, ik houd daar hélemaal niet van. Nog net voordat ik wil gaan klagen en José mij veelzeggend aankijkt, bedenk ik mij dat het haar dag is. En zo dobber ik later tussen Italianen, Fransen en een enkele Duister over de Leie. Al met al valt het mij mee. De kades zijn druk bevolkt met leuke meisjes en jonge vrouwen, waarvan de meeste zomerjurkjes dragen. Ik geniet daar stiekem meer van dan van de vervallen middeleeuwse grachtenpanden.

Op het station, bij het loket, bestelt José de kaartjes voor de terugreis. Als ik haar de naam van onze bestemming vaag hoor noemen en later meelees op de ticket ben ik op mijn qui vive. Zij heeft de verkeerde bestemming opgegeven. Zichem in plaats van Zingem. Zij vertelt de lokettist dat zij een vergissing heeft gemaakt. Het blijkt geen probleem en na enige administratieve handelingen maakt de man een nieuw kaartje aan. Op de vraag waar de reis dan heen gaat, blijft José het antwoord schuldig. Vertwijfeld kijkt zij mij aan. Ook ik kan zo snel niet op de naam komen. Ik kijk om mij heen en op een informatie bord, zie ik de naam en geef die door aan de man achter het loket. Opgelucht wandelen wij even later naar het perron, waar wij na een klein half uur wachten moe maar voldaan op de trein naar Zingem stappen.

woensdag 24 mei 2017

Schoon Vlaanderen; Geen genade


Waar blijft dat verrekte viaduct, zodat ik de Schelde over kan steken. Het duurt maar en het duurt maar. Straks moet ik tot overmaat van ramp nog terugfietsen ook, omdat ik de rivier niet over kan. Eindelijk, na een flauwe bocht, doemt er een boogbrug op. Voor de zekerheid vraag ik aan een voorbijganger de weg. Ik rijd goed. De Ronsebaan op en tussen twee huizen verderop de onooglijk smalle Paddestraat in. Honderden meters naast mij steekt de kerk van Kwaremont hoog boven het lover uit. Bij de volgende splitsing draai ik rechtsaf en dan ineens houdt het asfalt op en balanceer ik op de keien van de gevreesde en de door mij te bedwingen Oude Kwaremont. Halverwege de klim schiet José wat plaatjes en moedigt mij aan. Dat laatste is hard nodig, want inmiddels ben ik behoorlijk aan het piepen en kreunen. Boven op het plein houd ik halt voor een slok water en een kort praatje met José, dan rijd ik het laatste stuk vals plat van zo´n anderhalve kilometer. Fietsen over kasseien valt zwaar tegen. Om de vaart erin te houden zoek ik mijn weg in de berm, die vergeleken met het basalt van asfalt lijkt te zijn. Als ik de keien achter mij laat kom ik op adem en bereid mij voor op een lange snelle afdaling naar de Patersberg. Intussen heb ik gezelschap van een andere renner gekregen. Bij elk kruispunt knijp ik in de remmen, ik ken immers het parcours niet uit mijn hoofd. Een bord met blauwe pijl stuurt mij naar rechts. Vloeiend neem ik de bocht op het grote verzet. De renner achter mij, haalt mij in en roept: ‘Terugschakelen’. Te laat ik sta stil en draai terug naar beneden. De eerste slag is voor de Patersberg. Ik laat mij echter niet uit het veld slaan en val de heuvel opnieuw aan. Pas dan besef ik hoe steil 20% is. Weer dreig ik stil te vallen. Kleiner schakelen kan niet. In de goot langs de kant van de weg maak ik zowaar wat meer snelheid. Dan houdt de goot op. Er is geen berm. Ik krijg een tweede definitieve tik en val tergend langzaam om. Lopend leg ik de laatste meters af. Boven neem ik de schade op. Een geschaafde knie en een scheef zadel, die ik niet meer in positie krijg. In een vervelende houding, ik zit schuin in het zadel, daal ik af naar de voet van de Koppenberg (22%). Daar regel ik een inbussleutel, zet mijn zadel recht en rijd de heuvel tot aan het bos op, vandaar rijd ik terug naar beneden; zelfs dat valt niet mee. Beneden overleg ik met José. Ik fiets nog een klein uurtje en dan pikt zij mij op in Nukerke. Moe maar voldaan steek ik mijn duim op naar José, zij heeft mij toch maar mooi heel de ochtend bijgestaan.        

dinsdag 23 mei 2017

Schoon Vlaanderen; Zingem


Na een week van verdriet, mijn schoonmoeder kwam plotseling te overlijden, vertrekken mijn vrouw en ik op een vrijdag voor een korte vakantie naar de Vlaamse Ardennen. Naast wandeltochten in de natuur en een bezoek aan Gent, wil ik als kers op de taart delen van De Ronde rijden. Een knieblessure en een fikse verkoudheid lijkt echter roet in het eten te gooien.

Als wij in de namiddag Zingem binnenrijden, worden wij hartelijk welkom geheten op ons logeeradres. Een doosje bonbons, frisrank en een echt Vlaams biertje completeren de uitvoerige uitleg over wat er allemaal te bezichtigen is in de streek rond ons appartement. Die dag doen wij niet veel meer dan in de avond een klein rondje kuieren rond de kerk van het dorp. De zaterdagochtend trekken wij eropuit voor een wandeling langs de Schelde en de ernaast liggende plassen en ruigtes. Half in de middag keren wij terug, mijn conditie laat het afweten. De malaise zet zich de volgende dag voort, met lichte verhoging zoek ik in de middag mijn bed op. Fysiek lijk ik geslagen, maar mentaal pep ik mijzelf op; de racefiets heb ik immers niet voor niets meegenomen.

Maandag lijk ik voldoende hersteld voor een wandeling langs de Zwalm. Het smalle pad pal langs het beekje is prima begaanbaar. De oevers zijn rijk begroeid met vele soorten planten, waarvan de bloemen druk bezocht worden door vlinders en andere insecten. Bij een in het groen verscholen uitspanning houden wij een pauze voor een kop koffie. Een gezette vrouw op het terras knikt ons toe vanachter een glas goudgele Duvel. Zij is er vroeg bij zo half in de morgen. Aan een tafeltje in de halfschaduw, bestellen wij onze koffie. Het lijkt of de koffiebonen nog geplukt en gebrand moeten worden zo lang duurt het voordat onze koffie geserveerd wordt. Als wij dan eindelijk het bruine vocht met gesloten ogen door onze mond laten rollen, terwijl de Zwalm nauwelijks hoorbaar langs ons voortkabbelt, beleven wij het ultieme vakantiegevoel. Verderop stoppen wij voor een picknick. Na mijn laatste boterham leg ik mijn hoofd in de schoot van mijn vrouw en doezel in slaap. Een koekoek roept mij vanuit de populieren wakker voor de laatste kilometers naar de auto. Ik voel mij intussen mentaal gesterkt om morgen ‘mijn slag’ te slaan.