donderdag 8 juni 2017
zondag 4 juni 2017
(kinder)spel
Als kleine jongen kleedde ik mij
in een geel shirt en waande dat ik
de koploper was in de Tour de France.
Op een tweedehands jongensfiets
trok ik sprints, beklom ik heuvels
en demarreerde ik in de volle wind.
Eenmaal groot hield ik koers op een
echte racefiets en hing het shirt van mijn held
Claude Criquielion om mijn schouders.
Claude Criquielion om mijn schouders.
De shirts hangen aan de wilgen
in casual kleding speel ik vandaag de dag mijn spel:
Die van Flandrien zoals Tommeke Boonen.
Die van Flandrien zoals Tommeke Boonen.
vrijdag 2 juni 2017
Gedicht
Windvlagen spelen donker en licht met de bladeren van de beukenhaag. berustend de blik van het meisje, als was zij echt; het lijkt alsof zij sorry zegt: 'kon ik je maar helpen maar ik kan het niet, misschien is morgen alles anders'. Gekras van hongerige kauwen klinkt uit een oude schoorsteen.
dinsdag 30 mei 2017
En hij vloog met mij mee
Vandaag
wil ik De Muur oprijden. Ter ere aan mijn vader, die een groot wielerliefhebber
was. Dwars door de fraaie Zwalmstreek rijd ik naar Roborst, vandaar wil ik over
het Mijnwerkerspad naar Nederbrakel rijden. Bij Roborst is de weg echter
afgesloten. Ik zal om moeten rijden. Na een half uur zoeken blijk ik hopeloos
verdwaald. Ik vraag de weg aan een vrouw, maar zij kan mij alleen via
hoofdwegen de juiste route wijzen. Of, ik moet de Paddeweg, een lange weg vol
kasseien, nemen. Dat is voor mij geen optie gezien mijn eerdere onaangename
ervaringen. Terug dus naar Roborst en vanaf daar mijn pad zien te vinden. Na
drie kwartier vertraging rijd ik eindelijk ‘en route’ naar Nederbrakel. Daar ligt
het volgende obstakel te wachten, de Ten Bosse. Een steile lange straat dwars
door een dorp waar menig Flandrien zijn slag heeft geslagen, om uiteindelijk
Vlaanderens mooiste te winnen. Relatief makkelijk neem ik de hindernis. Dit is
nog eens wat anders dan die malle keitjes. Tijd om te recupereren heb ik
nauwelijks, want na een korte afdaling ligt de Fayte te zinderen in de zon. Als
die bedwongen is, daal ik af richting Geraardsbergen. Vanuit het centrum is het
dan ongeveer anderhalve kilometer omhoog richting de voet van De Muur. Zo hard
mogelijk, maar in het zadel, stuiter ik over de kasseien naar boven. Halverwege,
in een bocht, dreig ik stil te vallen. Vliegensvlug duw ik mijn been uit een
pedaal en stap af. Een tiental meters verder op een relatief vlakke
parkeerplaats stap ik op om de laatste meters alsnog fietsend af te leggen. Een
roodborst, waarvan ik er in heel deze week niet een gezien of gehoord heb en
die symbool staat voor mijn overleden vader, lijkt mij vanuit een ligusterhaag
aan te moedigen. Ik ga het halen Pa! Bij de kapel rust ik op een bankje uit.
Mijn vrouw komt naast mij zitten en vertelt háár verhaal.
‘Om even voor twaalf uur ben ik de
kapel ingelopen en heb een kaarsje voor mijn moeder gebrand. Het was een
emotioneel moment, maar ik hield het droog. Precies op het moment dat ik de
kapel verliet, sloegen de klokken twaalf en stroomden alsnog de tranen over
mijn wangen’.
Terwijl
zij dit mooie verhaal vertelt kijk ik haar aan en zie dat zij nog steeds is
aangedaan. Wij praten nog wat en dan ga ik verder. Wij spreken bij af bij
Michelbeke een uurtje rijden vanaf hier. Met een hoofd vol gedachten fiets ik
verder. Deze dag is voor mij zo bijzonder, dat ik hem opdraag als herinnering
aan José haar moeder en aan mijn vader, die langs de route met mij is
meegevlogen.
vrijdag 26 mei 2017
Zomerjurkjes
Zacht
zoevend zakt de garagedeur omlaag. De rugzak bungelt om een van mijn schouders,
een man verlaat met een krant onder zijn arm de kiosk. Het is al warm als wij
naar het station lopen, waar die morgen werkmannen hun laatste klussen klaren;
de overgang wordt herbestraat. Omdat wij het spoor niet over mogen steken,
moeten wij enkele honderden meters lopen naar een volgende overgang en vandaar
over het tegenoverliggende perron teruglopen. Nog maar net op tijd bereiken wij
de instapplaats, een kaartje kopen wij in de trein.
In
de volle zon zoeken wij onze weg naar het centrum. Bij het plaatselijke VVV
bespreken wij de plannen voor vandaag. Omdat ik twee ochtendjes kan fietsen, is
Gent voor José. Haar keuzes komen op de eerste plaats, ik zal braaf en zonder
protesteren volgen. Na een stadswandeling bezoeken wij Oer in het
Caemerklooster. Befaamde Vlaamse schilders hebben in deze expositie de wortels
van Vlaanderen weergegeven. Wij genieten volop. Wandelen maakt hongerig en bij
een friettent, die volgens een viertal oorkondes aan de muur behoort tot de
beste van Vlaanderen, bestellen wij een patatje stoof. De frieten zijn
inderdaad uitzonderlijk lekker en ook de stoof is prima. Nadat de vette handen
met een servet zijn schoongepoetst stelt José voor om een tochtje in een rondvaartboot
te maken. Bij dat idee breekt het zweet mij uit, ik houd daar hélemaal niet
van. Nog net voordat ik wil gaan klagen en José mij veelzeggend aankijkt,
bedenk ik mij dat het haar dag is. En zo dobber ik later tussen Italianen,
Fransen en een enkele Duister over de Leie. Al met al valt het mij mee. De
kades zijn druk bevolkt met leuke meisjes en jonge vrouwen, waarvan de meeste
zomerjurkjes dragen. Ik geniet daar stiekem meer van dan van de vervallen
middeleeuwse grachtenpanden.
Op
het station, bij het loket, bestelt José de kaartjes voor de
terugreis. Als ik haar de naam van onze bestemming vaag hoor noemen en later
meelees op de ticket ben ik op mijn qui vive. Zij heeft de verkeerde bestemming
opgegeven. Zichem in plaats van Zingem. Zij vertelt de lokettist dat zij een
vergissing heeft gemaakt. Het blijkt geen probleem en na enige administratieve
handelingen maakt de man een nieuw kaartje aan. Op de vraag waar de reis dan
heen gaat, blijft José het antwoord schuldig. Vertwijfeld kijkt zij mij aan. Ook
ik kan zo snel niet op de naam komen. Ik kijk om mij heen en op een informatie
bord, zie ik de naam en geef die door aan de man achter het loket. Opgelucht wandelen wij even later naar het perron, waar
wij na een klein half uur wachten moe maar voldaan op de trein naar Zingem
stappen.
woensdag 24 mei 2017
Schoon Vlaanderen; Geen genade
Waar blijft dat verrekte
viaduct, zodat ik de Schelde over kan steken. Het duurt maar en het duurt maar.
Straks moet ik tot overmaat van ramp nog terugfietsen ook, omdat ik de rivier
niet over kan. Eindelijk, na een flauwe bocht, doemt er een boogbrug op. Voor
de zekerheid vraag ik aan een voorbijganger de weg. Ik rijd goed. De Ronsebaan
op en tussen twee huizen verderop de onooglijk smalle Paddestraat in. Honderden
meters naast mij steekt de kerk van Kwaremont hoog boven het lover uit. Bij de
volgende splitsing draai ik rechtsaf en dan ineens houdt het asfalt op en
balanceer ik op de keien van de gevreesde en de door mij te bedwingen Oude
Kwaremont. Halverwege de klim schiet José wat plaatjes en moedigt mij aan. Dat
laatste is hard nodig, want inmiddels ben ik behoorlijk aan het piepen en
kreunen. Boven op het plein houd ik halt voor een slok water en een kort
praatje met José, dan rijd ik het laatste stuk vals plat van zo´n anderhalve
kilometer. Fietsen over kasseien valt zwaar tegen. Om de vaart erin te houden
zoek ik mijn weg in de berm, die vergeleken met het basalt van asfalt lijkt te
zijn. Als ik de keien achter mij laat kom ik op adem en bereid mij voor op een
lange snelle afdaling naar de Patersberg. Intussen heb ik gezelschap van een
andere renner gekregen. Bij elk kruispunt knijp ik in de remmen, ik ken immers
het parcours niet uit mijn hoofd. Een bord met blauwe pijl stuurt mij naar
rechts. Vloeiend neem ik de bocht op het grote verzet. De renner achter mij,
haalt mij in en roept: ‘Terugschakelen’. Te laat ik sta stil en draai terug
naar beneden. De eerste slag is voor de Patersberg. Ik laat mij echter niet uit
het veld slaan en val de heuvel opnieuw aan. Pas dan besef ik hoe steil 20% is.
Weer dreig ik stil te vallen. Kleiner schakelen kan niet. In de goot langs de
kant van de weg maak ik zowaar wat meer snelheid. Dan houdt de goot op. Er is
geen berm. Ik krijg een tweede definitieve tik en val tergend langzaam om.
Lopend leg ik de laatste meters af. Boven neem ik de schade op. Een geschaafde
knie en een scheef zadel, die ik niet meer in positie krijg. In een vervelende
houding, ik zit schuin in het zadel, daal ik af naar de voet van de Koppenberg (22%).
Daar regel ik een inbussleutel, zet mijn zadel recht en rijd de heuvel tot aan het
bos op, vandaar rijd ik terug naar beneden; zelfs dat valt niet mee. Beneden
overleg ik met José. Ik fiets nog een klein uurtje en dan pikt zij mij op in
Nukerke. Moe maar voldaan steek ik mijn duim op naar José, zij heeft mij toch
maar mooi heel de ochtend bijgestaan.
dinsdag 23 mei 2017
Schoon Vlaanderen; Zingem
Na een week van verdriet, mijn
schoonmoeder kwam plotseling te overlijden, vertrekken mijn vrouw en ik op een
vrijdag voor een korte vakantie naar de Vlaamse Ardennen. Naast wandeltochten
in de natuur en een bezoek aan Gent, wil ik als kers op de taart delen van De
Ronde rijden. Een knieblessure en een fikse verkoudheid lijkt echter roet in
het eten te gooien.
Als wij in de namiddag Zingem
binnenrijden, worden wij hartelijk welkom geheten op ons logeeradres. Een
doosje bonbons, frisrank en een echt Vlaams biertje completeren de uitvoerige
uitleg over wat er allemaal te bezichtigen is in de streek rond ons
appartement. Die dag doen wij niet veel meer dan in de avond een klein rondje
kuieren rond de kerk van het dorp. De zaterdagochtend trekken wij eropuit voor
een wandeling langs de Schelde en de ernaast liggende plassen en ruigtes. Half
in de middag keren wij terug, mijn conditie laat het afweten. De malaise zet zich
de volgende dag voort, met lichte verhoging zoek ik in de middag mijn bed op.
Fysiek lijk ik geslagen, maar mentaal pep ik mijzelf op; de racefiets heb ik
immers niet voor niets meegenomen.
Maandag lijk ik voldoende hersteld voor
een wandeling langs de Zwalm. Het smalle pad pal langs het beekje is prima
begaanbaar. De oevers zijn rijk begroeid met vele soorten planten, waarvan de
bloemen druk bezocht worden door vlinders en andere insecten. Bij een in het
groen verscholen uitspanning houden wij een pauze voor een kop koffie. Een
gezette vrouw op het terras knikt ons toe vanachter een glas goudgele Duvel.
Zij is er vroeg bij zo half in de morgen. Aan een tafeltje in de halfschaduw,
bestellen wij onze koffie. Het lijkt of de koffiebonen nog geplukt en gebrand
moeten worden zo lang duurt het voordat onze koffie geserveerd wordt. Als wij
dan eindelijk het bruine vocht met gesloten ogen door onze mond laten rollen,
terwijl de Zwalm nauwelijks hoorbaar langs ons voortkabbelt, beleven wij het
ultieme vakantiegevoel. Verderop stoppen wij voor een picknick. Na mijn laatste
boterham leg ik mijn hoofd in de schoot van mijn vrouw en doezel in slaap. Een
koekoek roept mij vanuit de populieren wakker voor de laatste kilometers naar
de auto. Ik voel mij intussen mentaal gesterkt om morgen ‘mijn slag’ te slaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)