zaterdag 5 maart 2016

De Brug



Het is vandaag de vierde keer in korte tijd dat ik naar de brug loop. Door omstandigheden was ik in een diepe depressie geraakt, maar daar ben ik nu vanaf. Wat resteert zijn kleine angsten op momenten van stress, die ik volgens mijn therapeut alleen op deze manier kan overwinnen. Ik voel mij sterk als ik de brug oploop. Het is een oude brug van stalen binten die doormiddel van klinknagels met elkaar verbonden zijn. Hij verbindt het moderne stadscentrum met de oude oorspronkelijke stad. De brug bolt in het midden. Op dat punt sta ik stil. De rivier stroomt krachtig. Wier en water golven woest langs de poeren van de brug als ik mij over de lage reling buig. Even voel ik angst. Als die overwonnen is, loop ik verder. In de verte langs de oever waar het water kalmer stroomt, roeien studenten in ranke boten hun wedstrijd. Een man geeft met een soort van toeter vocaal het ritme aan. Als in een impuls sta ik stil. Een onweerstaanbare drang brengt mij op de gedachte terug te keren naar het midden van de brug. Daar steun ik op de reling. Een gevoel van leegte valt over mij heen. Het is alsof ik niet besta. Pas als een auto met piepende remmen stopt, de bestuurder zijn portier opent en naar mij toe komt lopen, besef ik in welke benarde positie ik mij bevind; als in een trance ben ik op de reling geklommen. Ik schrik en draai mij om naar de man die pratend op mij toe komt lopen. Een enorme angst overvalt mij. In paniek zuig ik snel en diep mijn longen vol. Langzaam verlies ik het bewustzijn. Een hand grijpt om mijn schouder, doch ik val. Tomeloos diep draai ik om mijn as door het donker. Een koude waterstroom voert mij mee. Boven mij schakeert licht en donker. Dan zink ik weg in een caleidoscoop van kleuren.

Het is nu vier maanden geleden dat mijn zusje is begraven. Haar lichaam is kilometers stroomafwaarts gevonden nadat zijn van de brug is gevallen. Gevallen, vraag ik mij af? Of was het een verkapte zelfmoord, zoals haar therapeut het aan ons vertelde? Het blijft onduidelijk. Om haar dood te verwerken loop ik over de brug naar de plek waar zij in het peilloze diepe water viel. Even houd ik stil en ga dan verder. In gedachten loop ik langs de markthal pal bij de brug en over de rotonde de oude binnenstad in. Bij een banketbakker houd ik halt. Ik ga de winkel binnen en bestel koffie met een klein gebakje. Vanuit het raam kijk ik naar de gevels aan de overkant. Eén pand daarvan heeft dubbele deuren. Naast de deuren staat een man, een dakloze. Telkens als er iemand het pand naar binnen wil gaan, opent de man vriendelijk de deuren. Als de bezoeker later naar buiten komt legt deze een muntstuk in de hand van de dakloze. Na mijn laatste slok koffie ga ik naar buiten, nog eenmaal besluit ik het pand, dat een kerk is, binnen te gaan. Ik wil het moment dat ik samen met mijn zusje had, een paar dagen voordat zij gegrepen werd door zware melancholie, herbeleven. Ik vind mijn rust, maar wat geweest is, is voorbij. Ik kan het gevoel van destijds niet meer terughalen. Buiten geef ik de man wat geld en loop naar de brug, over de rotonde en langs de markthal die nu links van mij ligt. Op de plek waar mijn zusje in het water gevallen is, buig ik over de reling en raak in een intense stroom van gedachten. Het water kolkt, de diepte zuigt. Het lijkt alsof een stem mij roept. Pas als een man tegen mij praat schrik ik op uit mijn gedachten. Ik wankel en val.

zondag 28 februari 2016

De vlucht van de speer



Ondanks dat het winter is, dringt de lente zich op. Donkere wolken jagen elkaar na en daartussen vechten felle opklaringen om hun plek. Naast mij in de auto zit een goed gesoigneerde atleet - geknipt en geschoren. Om dit seizoen niets aan het toeval over te laten zijn wij op weg naar Nieuwersluis om daar een goede speer te kopen. Ik heb mij goed voorbereid. De route is uitvoerig bestudeerd. Elke afslag staat in mijn hersens gegrift. Voor de laatste kilometers heb ik een topografische kaart bekeken en deze als het ware gefotografeerd. Ter plekke hoef ik dan alleen maar door mijn geheugen te bladeren.

“Jij gebruikt nooit een Tomtom hè?” zegt de atleet.
“Nee, als gewezen landmeter kan ik goed kaartlezen en aan de hand van die gegevens onthouden waar ik mij bevind. Soms gaat het verkeerd, zoals die keer bij Breda, toen miste ik een afslag. Weet je nog?” Hij moet lachen en kijkt voor de zekerheid op zijn mobiele telefoon of wij dit keer wel op de goede weg zijn. Dat blijkt niet het geval. Ik heb geen afslag gemist, maar de verkeerde rijbaan aangehouden. Met behulp van mobiel en geheugen zijn wij tien minuten later wederom ‘en route’.
Als wij van de snelweg afrijden en langzaam de bewoonde wereld verlaten, gaat het knagen bij de atleet; “We rijden toch wel goed, ik zie alleen maar weiland en water”. Ik stel hem gerust, dit keer rijden wij goed.

De deur van het kantoor zwaait open als wij het pand binnengaan. Een man van in de zeventig schudt ons de hand. Pas dan herkent hij mij van een vorig bezoek. Enthousiast biedt hij ons een stoel en koffie aan. Wat volgt is een verhaal over het speerwerpen waarbij voornamelijk de techniek aan de orde komt. Hoe kan het ook anders de man is zelf een uitstekend speerwerper geweest. Om zijn verhaal te ondersteunen, gebruikt hij een serie foto’s aan de wand. Op de foto’s wordt een complete worp in fragmenten verbeeld. Drie fanatieke liefhebbers hebben elkaar gevonden. Na een kleine drie kwartier heeft de man zijn verhaal verteld en tovert hij ‘onze’ speer tevoorschijn. Hij past maar net in mijn auto. Wij nemen afscheid van de man en rijden terug naar huis. 

Nu is het wachten op een goed resultaat. Aan de speer zal het niet liggen, want die heeft al enkele fraaie vluchten gemaakt.
       

dinsdag 23 februari 2016

Intens genot



Daar zit hij, op een bankje in het plantsoen. Naast hem staat een winkelwagen, waarin een dekbed, een winterjas, een tray met blikjes bier en nog wat attributen. Hij draagt afgesleten vuile schoenen, een bevlekte broek, een grijs T-shirt, dat eens wit was geweest en lang sluik ongewassen haar. In een hand houdt hij een pot aardbeienkwark vast. Met een vrije vinger, waaraan een geel verkalkte nagel en rouwrand, schraapt hij door de pot kwark. De bekwarkte vinger brengt hij langzaam naar zijn mond, die hij smachtend opent. Als de zuivel zijn weg vindt over de smaakpapillen sluit de man zijn ogen en kreunt. Met de afgelikte vinger herhaalt hij telkens het tafereel totdat de pot leeg is. Dan laat hij een boer, zoekt een plek in het plantsoen, opent zijn broek en watert. Met tevreden blik neemt hij plaats op ‘zijn’ bank, sluit de ogen en valt in slaap.

maandag 15 februari 2016

De allesgelover



Pal voor ons vertrek blijkt een portemonnee zoek. “Waarom wil je nu per se een portemonnee, we hebben toch een bankpas?” “ Ja, maar ik wil wat kleingeld, dat is altijd handig”. Gehaast zoeken wij in laatjes, kasten en op andere voor de hand liggende plekken. “Ik heb hem” klinkt het van beneden. Vlug trekken wij de deur achter ons dicht en lopen in marstempo naar de metro. Wij hebben een klein uur om op de plaats van onze bestemming te arriveren. Bij het metrotourniquet blijkt een pasje niet voldoende saldo te bezitten om ons door te laten. Het zal moeten worden opgeladen. Ook dat nog. In looppas stormen wij even later de roltrap op naar het perron, waar wij lachend en hijgend een plaats zoeken in een wagon. Bij de volgende halte gaat een man met een klein knotje in zijn haar voor ons zitten. In het treinstel achter het onze worden kaartjes gecontroleerd. Langzaam raak ik in gedachten.



De controleurs naderen ons. Ik zoek in mijn jaszak naar mijn vervoersbewijs. De man voor ons blijkt geen plaatsbewijs te kunnen tonen. Hij wringt zich in allerlei bochten om aan een boete te ontkomen. Omdat hem dat met geen mogelijkheid lukt, wordt hij agressief. Met stemverheffing grist hij een steekwapen uit zijn jaszak en bedreigt de controleur. Ik bedenk mij geen moment en sla een arm om de nek van de zwartrijder, die na een korte draaiende beweging van mijn arm levenloos ineenzakt.



Een por in mijn zij trekt mij uit mijn beklemmende dagdroom. “Zit je weer in gedachten”? Zuchtend doe ik mijn verhaal. Twintig minuten later zijn wij op de plaats van bestemming, het RO Theater. Bovengronds blijkt het te regenen. Knarsend neemt een tram de bocht over de natte rails. Opschieten, misschien kunnen wij nog een kop koffie drinken voordat de voorstelling begint. Wij slalommen tussen de mensen voor ons door en werpen snel een blik door de ruiten van enkele cafés waar het warm en behaaglijk is. Nog tien minuten. Vijf voor een kop koffie en vijf om onze jassen af te geven bij de garderobe. Met een kleine vertraging worden later de deuren van de toneelzaal geopend. Wij zakken weg in onze fauteuils. De voorstelling kan beginnen.



De hoofdpersoon, die in eerste instantie kritisch is over beïnvloeding van banken, multinationals en politieke ideeën, raakt langzaam verstrikt in zijn gedachten. Door het geloof in zijn denkbeelden verliest hij zijn zicht op de werkelijkheid. Volkomen paranoïde lijkt hij af te stevenen op zijn ondergang waarin hij anderen lijkt mee te slepen. Nog net op tijd weet een geliefde hem uit zijn zwarte wereld te redden.



De metro richting huis is halfvol. Schuin tegenover ons zit een obscuur type. Hij staart naar ons en telkens als ik hem in de ogen kijk, wendt hij zijn blik af. Bij elke station raakt onze wagon leger. De man is intussen achter ons gaan zitten. Nu kan hij ons in de gaten houden zonder dat wij hem kunnen zien. Ik voel zijn ogen in mijn nek priemen. Een rilling van kou en angst strijkt over mijn rug. Eindstation. Wij stappen uit de bijna lege coupé, lopen de trap af en verlaten het station. De man volgt ons. Mijn vrouw haakt haar arm in die van mij en lijkt de man niet op te merken. Een vlaag waterkoude regen strijkt langs onze wangen als wij langs de schaars verlichte buitenwijk lopen. Nog vijf minuten dan zijn wij thuis. Bij het naderen van de voordeur kijk ik nog eenmaal achterom. De man is er nog steeds en lijkt zijn pas te versnellen. Snel, denk ik, open de deur. Kalm, wordt gezocht in jas en broekzakken. Het licht bij de voordeur schijnt in de handtas. De sleutel van het huis blijkt te zijn vergeten.

    


dinsdag 2 februari 2016

Verloren arbeid



In de kruiwagen die hij voortduwt, liggen een vijftal elzenboompjes. Ze zijn niet groter dan een halve meter. Hij heeft ze met noeste arbeid uitgegraven tussen het puin van een oude ruïne. Zelf heb ik vijf kleine gaten gegraven waarin de boompjes worden herplant. Als ik twee boompjes ingegraven heb, neemt hij de spa van mij over. “De ruimte tussen de laatste gaten is te groot”, zegt hij. Hij graaft een nieuw gat en gooit de grond in de kuil ernaast. “Wat doe je nu?” vraag ik. “Nu moet je opnieuw een al eerder gegraven gat graven”. “Dat is niet erg”, zegt hij bezweet. En hij herhaalt zijn handeling bij het volgende te planten boompje. Lachend maan ik hem tot een pauze. “Luister, ik weet een mop”.



Een grondwerker die om werk verlegen zit gaat naar zijn voorman en vraagt om een klusje. “Werk die berg aarde maar weg”, zegt hij. De grondwerker denkt na en vraagt, “Prima, maar waar moet ik de grond laten?” “Graaf daar maar een nieuwe kuil voor”.



Mijn maatje kijkt mij waterig aan. Hij begrijpt de mop niet.


zondag 31 januari 2016


Binnenkort zijn er in het Watersnoodmuseum te Ouwerkerk gedichten te lezen bij de diverse objecten. Ook ik mocht een bijdrage leveren. In een speciale rijk geïllustreerde editie van o-o-go zijn alle gedichten te lezen. De editie is te koop bij: oogo@cultuurpleingo.nl