maandag 11 januari 2016

Valse beelden




Mijn ogen scannen de kale elzen.
Half verscholen achter een dode tak
drukt een kerkuil zich tegen een stam.

Ik nader, hij blijft roerloos naar mij staren.
Pas wanneer ik vlak bij hem ben, zie ik de lichte,
haast ronde noest op de verweerde boom.



donderdag 7 januari 2016

Parkeermannetjes



Carmona is een oud historisch stadje ten Noordoosten van Sevilla. Een bezoek waard. Daarom rijden wij vol goede moed het moderne stadsdeel binnen op zoek naar een parkeerplaats. Al snel vinden wij er één, pal naast de poort die toegang geeft tot het oude centrum. Klein als hij is, blijkt hij bijna vol. Een parkeerwachter in geel hesje, wijst ons op een nog open plaats. Als wij geparkeerd staan en onze spullen hebben gepakt, komt hij op ons afgelopen. Een bonnenboekje houdt hij tussen duim en wijsvinger omhoog. In het Spaans wijst hij op het bedrag van 1 Euro. Na een korte discussie in gebarentaal en weinig Spaanse woorden van onze kant, blijkt dat het bedrag voor de gehele dag geldt. Een koopje. Als wij aan het einde van de middag terug komen bij de parkeerplaats blijkt die op enkele auto’s na leeg te zijn. Het bonnetje dat onder onze ruitenwisser was geplaatst is verdwenen, evenals de parkeerwachter. Een collega van hem, zonder hesje, vraagt of wij ‘problems’ hebben. Dat is niet het geval. Nog even blijft hij om ons heen hangen. Om dan terug te lopen naar waar hij vandaan kwam. Met zijn vertrek verdwijnt onze gedachte dat wij meer dan die ene Euro moeten betalen.
In de drukke buurt van ons appartement lopen ook parkeerwachters rond. Elke automobilist wordt vaak door twee of meerdere mannen naar een vrije parkeerplaats geloodst. Zouden de automobilisten hen betalen voor hun diensten, vragen wij ons af? Dat willen wij niet en dus negeren wij hen. Vanaf dat moment knaagt er iets. Zouden wij niet ‘opgelicht’ zijn in Carmona?

dinsdag 29 december 2015

Drift, bloed en passie



I


Over het algemeen staan Spanjaarden bekend als temperamentvol. In het verkeer blijkt niets van deze eigenschap. Alsof wij in een rij van computergestuurde auto’s rijden, glijden wij door het verkeer. Niemand kleeft bumper, of snijdt anderen de weg af. Stressloos naderen wij dan ook de vierbaansrotonde op de meest linkse baan. Wij moeten echter naar rechts, de Puente del Alamillo over. Ik besluit een extra ronde te rijden, om het verkeer niet te hinderen. De Spanjaard doet dit niet, die neemt en krijgt zonder enige strubbeling voorrang om zijn weg te vervolgen. Als ik dat later ook probeer, wordt er geclaxonneerd. Niet één keer, maar diverse keren. “Trek je daar maar niets van aan pa” zegt Femke. “Claxonneren is hier gewoon. Men toetert elkaar gedag”. Rare jongens die Spanjaarden denk ik. Overmoedig rijd ik de andere dag een verkeersplein op. Een auto links achter mij remt hard en claxonneert. Ik toeter terug en wuif vriendelijk naar hem. Mijn reactie is olie op het vuur. Druk gebarend wijst de automobilist op mijn fout, ik had voorrang moeten verlenen.



II



Terwijl ik mij over mijn tapas buig, een zacht gestoofde ossenstaart, valt mijn blik op een enorme stierenkop aan de wand. El Torro, zijn kop als trofee, nadat het laatste leven uit zijn kolossale lijf is genomen door een toreador. Spanjaarden lijken in enig opzicht op de Romeinen uit de oudheid. De Romeinen hadden een arena waar het volk vermaakt werd met brood en spelen. Tijdens die spelen ging het er barbaars aan toe. Werden er in die tijd mensen (gladiatoren) geslachtofferd, vandaag de dag zijn in Spanje (nog steeds) stieren het slachtoffer ter vermaak van de mens. Nee, geef mij het passievolle vermaak van de flamencodans dan maar.



III



Na lang zoeken vinden wij het pand dat midden in het hart van Sevilla ligt. Na onze tickets te hebben getoond, worden wij door een man een ijskoud atrium binnengeleid. In het midden daarvan ligt een klein houten podium waarop drie stoelen naast elkaar staan. Langs het podium staan enkele rijen plastic klapstoeltjes, die merendeels bezet zijn. Wij zitten schuin tegenover het podium. Een prima plek ware het niet dat een koude tochtwind langs onze ruggen waait. Nadat de acteurs zijn aangekondigd, nemen twee van hen, een zanger en een flamencogitarist, plaats op het podium. Vingervlug speelt de gitarist de akkoorden waardoorheen een melodielijn zijn weg vindt. De eerste olé’s klinken en uit balorigheid roep ik mee. Als twee flamencodansers, een man en een vrouw, op het podium verschijnen, vindt een metamorfose plaats. Mijn balorigheid verandert in diep respect voor hen op het podium. Wat een passie, wat een vuur. Nog steeds roep ik olé, maar nu meer uit waardering. Het flamencodansen is een ware topsport. Als de toegift is gegeven en de kou geheel is verdwenen, verlaat ik vol bewondering het atrium.






donderdag 24 december 2015

Nachtbrakers



In het donker parkeren wij onze huurauto voor de deur van ons appartementsgebouw, gaan de receptie binnen en regelen de administratie. Met de lift zoeven wij even later naar de derde verdieping en stappen ons verblijf binnen. Daar installeren wij ons in geriefelijke fauteuils en overzien onze reis met al zijn gebreken. Dan gaan wij slapen. Rond één uur worden wij gewekt door gebonk en gekreun. Uit alles blijkt dat onze buren hun seksuele fantasieën de vrije loop laten. Even slaan wij er acht op, dan draaien wij ons om en slapen door, moe als wij zijn. De andere avond lijken onze buren hun vrienden uitgenodigd te hebben voor een heuse gangbang. Er wordt met meubilair en andere apparatuur geschoven; gepraat, gelachen en gekreund. Omdat dit ‘feest’ tot de vroege morgen doorgaat, hebben wij stellig het idee dat onze buren een pornofilm aan het opnemen zijn. Bij het ochtendgloren doen wij dan ook ons beklag bij de receptie. Het appartement naast ons blijkt verkocht en derhalve kan men niets voor ons doen. Het woord policia doet wonderen. Binnen vijf minuten krijgen wij een nieuw onderkomen aangeboden, die een verdieping hoger ligt. De man achter de balie biedt ons zelfs aan om mee te helpen met het versjouwen van onze bagage. Omdat wij nog maar één koffer hebben, slaan wij het aanbod af. Ons nieuwe verblijf is een kopie van de vorige. Van enig seksueel getint burengerucht in de nacht is geen sprake meer, of het moet de krolse kater onder ons raam zijn die met zijn mauwen een wijfje lokt.    

dinsdag 22 december 2015

De Koffer



Als de slurf van gate 22 aan het vliegtuig is gekoppeld, staat het gros van de passagiers op om hun handbagage uit de bagagerekken te pakken. José en ik blijven zitten tot er wat meer ruimte is en verlaten dan ook als één van de laatsten het vliegtuig. In de aankomsthal zoeken wij een plekje aan de transportband waar de minste passagiers staan. De weinige koffers die dan nog langskomen maken het makkelijker om onze koffer te herkennen. Als na twintig minuten bijna alle passagiers vertrokken zijn en twee koffers, maar niet de onze, eenzaam hun rondes op de transportband maken, ruiken wij onraad. Onze koffer lijkt niet te zijn aangekomen. Naast een man met een Arabisch uiterlijk staat een koffer die exact op die van ons lijkt. Ik vraag hem in gebroken Engels of hij zeker weet dat de koffer van hem is. Ja, knikt hij. Toch blijf ik naar de koffer staren. Glimlachend opent de man zijn koffer om mij te overtuigen. Na het wisselen van enkele woorden nemen wij gemoedelijk afscheid van elkaar en gaan op zoek naar de balie voor calamiteiten en andere urgente zaken. Het heeft veel voeten in aarde om de vermissing administratief te regelen. Uiteindelijk wordt ons beloofd dat de koffer, zodra hij terecht is, naar ons appartement in Sevilla wordt gebracht.



Met gemengde gevoelens zoeken wij even later naar de balie van Gold Car, daar hebben wij een auto gehuurd. De balie blijkt gesloten. Een papier met pijl wijst ons de weg naar een ander loket. Tot mijn verbazing staat daar ook de man van vermeende Arabische afkomst. Hij ziet mij niet. Omzichtig loop ik naar hem toe en tik op zijn schouder. Als hij omkijkt wijs ik naar zijn koffer. Het kwartje valt en samen schieten wij in de lach. Toch verontschuldigt hij zich nogmaals en vraagt mij of onze koffer al terecht is. Ik beantwoord zijn vraag ontkennend. Wij wensen elkaar een goed verblijf en ik help José bij de  administratieve rompslomp  die inmiddels ontstaan is bij de verhuurder. Uiteindelijk mogen wij een keuze maken tussen drie sleutels, die de verhuurder voor ons op de balie legt - het lijkt wel een tombola. Wij kiezen de middelste, een Seat León. Op een plattegrond tekent de verhuurder de route die ons naar onze León wijst. Rij G vak 52. In het donker sta ik tien minuten later voor de Seat, richt de sleutel op de auto en klik op de deurvergrendeling. Op de pilaar achter de auto weerkaatsen oranje lampen, de koplampen branden niet. Met onze bagage loop ik naar de achterzijde van de auto, open de kofferbak en leg de bagage erin. José vindt de auto wel erg groot voor een middenklasser, bovendien staat hij hoog op zijn wielen. Ik heb weinig verstand van auto’s en al helemaal niet van merken. Ik loop om de auto heen en kom tot de conclusie dat de beoogde auto onze León niet is. Een voor een loop ik de auto’s in rij G af, dan zie ik een Seat embleem. Opnieuw richt ik mijn sleutel en jawel nu gaan ook de voorlichten branden. Onze huurauto is gevonden. Om dat te vieren pluk ik een sinaasappel uit een boom achter de auto. Hij blijkt zuur.