dinsdag 22 december 2015

De Koffer



Als de slurf van gate 22 aan het vliegtuig is gekoppeld, staat het gros van de passagiers op om hun handbagage uit de bagagerekken te pakken. José en ik blijven zitten tot er wat meer ruimte is en verlaten dan ook als één van de laatsten het vliegtuig. In de aankomsthal zoeken wij een plekje aan de transportband waar de minste passagiers staan. De weinige koffers die dan nog langskomen maken het makkelijker om onze koffer te herkennen. Als na twintig minuten bijna alle passagiers vertrokken zijn en twee koffers, maar niet de onze, eenzaam hun rondes op de transportband maken, ruiken wij onraad. Onze koffer lijkt niet te zijn aangekomen. Naast een man met een Arabisch uiterlijk staat een koffer die exact op die van ons lijkt. Ik vraag hem in gebroken Engels of hij zeker weet dat de koffer van hem is. Ja, knikt hij. Toch blijf ik naar de koffer staren. Glimlachend opent de man zijn koffer om mij te overtuigen. Na het wisselen van enkele woorden nemen wij gemoedelijk afscheid van elkaar en gaan op zoek naar de balie voor calamiteiten en andere urgente zaken. Het heeft veel voeten in aarde om de vermissing administratief te regelen. Uiteindelijk wordt ons beloofd dat de koffer, zodra hij terecht is, naar ons appartement in Sevilla wordt gebracht.



Met gemengde gevoelens zoeken wij even later naar de balie van Gold Car, daar hebben wij een auto gehuurd. De balie blijkt gesloten. Een papier met pijl wijst ons de weg naar een ander loket. Tot mijn verbazing staat daar ook de man van vermeende Arabische afkomst. Hij ziet mij niet. Omzichtig loop ik naar hem toe en tik op zijn schouder. Als hij omkijkt wijs ik naar zijn koffer. Het kwartje valt en samen schieten wij in de lach. Toch verontschuldigt hij zich nogmaals en vraagt mij of onze koffer al terecht is. Ik beantwoord zijn vraag ontkennend. Wij wensen elkaar een goed verblijf en ik help José bij de  administratieve rompslomp  die inmiddels ontstaan is bij de verhuurder. Uiteindelijk mogen wij een keuze maken tussen drie sleutels, die de verhuurder voor ons op de balie legt - het lijkt wel een tombola. Wij kiezen de middelste, een Seat León. Op een plattegrond tekent de verhuurder de route die ons naar onze León wijst. Rij G vak 52. In het donker sta ik tien minuten later voor de Seat, richt de sleutel op de auto en klik op de deurvergrendeling. Op de pilaar achter de auto weerkaatsen oranje lampen, de koplampen branden niet. Met onze bagage loop ik naar de achterzijde van de auto, open de kofferbak en leg de bagage erin. José vindt de auto wel erg groot voor een middenklasser, bovendien staat hij hoog op zijn wielen. Ik heb weinig verstand van auto’s en al helemaal niet van merken. Ik loop om de auto heen en kom tot de conclusie dat de beoogde auto onze León niet is. Een voor een loop ik de auto’s in rij G af, dan zie ik een Seat embleem. Opnieuw richt ik mijn sleutel en jawel nu gaan ook de voorlichten branden. Onze huurauto is gevonden. Om dat te vieren pluk ik een sinaasappel uit een boom achter de auto. Hij blijkt zuur.


vrijdag 18 december 2015

Verzengende hitte



El Rocio

Van ver trilt een roze gloed over het moeras.
Voorzichtig, voetje voor voetje, nader ik het riet
en tuur over het water waar tientallen flamingo’s
met hun gekromde snavels door het water maaien.

Aan de horizon richt de witte stad zich op.
In haar midden torent de grote kathedraal.

Jong en oud, man en vrouw, zadelen paarden
en gaan in draf, of stapvoets door straten van zand,
houden halt en drinken een drankje of eten wat.

Ik droom,
zo moet het geweest zijn.
Cowboys te paard, het Wilde Westen.

Later vervaagt geronk mijn gedachten,
ruiters in zwart leer stijgen van hun paarden
Harley en Davidson, die nog nastomen van een lange rit.
 
Ik buig mij over de rib eye en proef het
warme zoete bloed, drink het bittere bier en laat
de sporen aan mijn laarzen rinkelen.






woensdag 28 oktober 2015

Zijn laatste dagen



Dat wat niet is, zal nooit zijn; dat wat is zal nooit ophouden te zijn.


Terwijl moeder buiten op het plein een bankje in de zon zoekt, haal ik vader. Hij zit op zijn vertrouwde plaats voor het raam in de centrale woonkamer van het verzorgingstehuis. Als gevolg van een hersenbloeding kan hij niet meer slikken. Permanent druppelt de sondevoeding via een slangetje rechtstreeks naar zijn maag. Omdat hij eenzijdig verlamd is, brengt hij zijn dagen zittend door in een speciale rolstoel. Zachtjes nader ik hem van achteren en wrijf over zijn rechterwang. Als hij omkijkt herhaal ik dezelfde beweging aan de linkerzijde van zijn gezicht. Dit is een spel wat ik al jaren met hem speel en bijna altijd moet hij hierom lachen en begroet hij mij hartelijk. Dit keer reageert hij niet of nauwelijks. Als ik voor hem ga staan, kijkt hij mij met grote ogen aan. “Hallo pa” zeg ik. Hij reageert niet. Pas als ik hem bij zijn schouders pak en hem opnieuw begroet kijkt hij op en glimlacht flauwtjes naar mij. Dit is zijn minste dag sinds weken.

Dinsdag nog,

stonden wij stil
op de houten brug
het water zwart en rimpelloos.

Ik wees jou
op de nog frisse els
en de fitis die insecten ving.

Je lachte
en zachtjes neuriede
jij een vrolijk wijsje van toen.

Ik leg een warme deken over zijn lijf en loop naar de lift. Wij zien ons in de grote spiegel en daar waar wij altijd lachten en wuifden naar elkaars spiegelbeeld, zijn wij stil en haast bewegingsloos. Buiten zwaait moeder naar jou en met een allerliefste stem roept zij jouw naam. Je lijkt het niet op te merken. Pas als wij vlak bij haar zijn en zij jouw naam opnieuw roept, verschijnt er een glimlach op jouw vermoeide gezicht. Een enkele keer probeer jij iets te zeggen, om direct daarna je ogen te sluiten. Zo zitten wij daar met zijn drieën en tikken de minuten langzaam voorbij. De zon verdwijnt achter de wolken en de schrale wind trekt aan. Mijn horloge geeft aan dat het tijd is om te gaan. Terwijl mijn moeder beneden wacht, breng ik jou naar de woonkamer. Ik zet de stoel waarin jij zit tussen kunststof banken en tafels. Drie medebewoonsters begroeten jou. Met een dunne lach groet jij terug. Langzaam glijdt mijn hand van jouw schouder wanneer ik zeg dat ik moet gaan. Ik loop achteruit, zeg jou nog een keer gedag en vraag of je terug wilt zwaaien. Jij kijkt mij alleen maar aan.
In de auto hebben mijn moeder en ik dezelfde gedachten en gevoelens. Vader zou wel eens spoedig kunnen overlijden. Bij mij thuis zoeken wij samen muziek uit voor bij de crematieplechtigheid. Het geeft ons gemengde gevoelens. De volgende morgen vroeg rijd ik na een telefonisch bericht in dichte mist naar Vlaardingen. Het gaat niet goed met vader. Aangedaan en van top tot teen gespannen loop ik zijn kamer binnen. Daar zitten mijn moeder, broer en schoonzus rondom zijn bed. Vader is onrustig en heeft moeite met ademen. Extra zuurstof doet daar niets aan af. Pas als besloten wordt om rustgevende  medicatie te geven, ademt hij kalm in en uit. De periodes tussen uit- en inademen worden telkens langer. Steeds minder diep ademt vader in. Dan stopt het ademen definitief.

Langzaam gleed jouw hand
uit die van mij, zoals het leven
door jouw vingers glipte.

Ik dacht, vecht maar niet meer vader,
laat je dragen door de berg,
naar het bos, de beek en de nachtegaal,
ga daar maar liggen in Het Licht.


De verzorgers laten ons na zijn overlijden alleen, om al ons verdriet en onze gedachten met elkaar te delen. Toch, het protocol gaat door. De familie gaat naar huis, er moeten direct allerlei zaken geregeld worden. Een arts schouwt definitief dat vader overleden is. Ik blijf bij hem om te helpen bij het wassen en opbaren van zijn lichaam.

Aan het einde van de week wordt vader gecremeerd. Ik prijs mij gelukkig dat mijn broer en ik op ieders eigen wijze een toespraak kunnen houden. Dan is het afscheid definitief. Onder de muzikale klanken van Bach brengen de aanwezigen één voor één een laatste groet. Mijn broer, moeder en ik staan als laatste voor de eikenhouten kist. Onze moeder is ons voorbeeld, want trouw tot op het allerlaatste moment zorgde zij voor vader.
     




         

donderdag 22 oktober 2015

God als misvatting




 Weet je nog dat wij wandelden in Abbenbroek,
langs de protestantse kerk en haar dodenakker.
Wij lazen een oude tekst boven het toegangshek
en begrepen hem maar half.

Wij liepen over een meanderend pad net buiten het dorp
links van ons een weiland vol jong leven en rechts
ten tweede male een begraafplaats, een moderne dit keer.

Bij een betonnen brug hielden wij halt
en gingen zitten, ieder aan een kant.
Jij begon te praten over leven en dood,

jij was bang voor ‘de jongste morgen’
ik stelde je gerust – er is echt geen God
die zittend op een wolk zal oordelen over
zijn volk en verwijzen naar hemel of hel.

Meer blijmoedig dan mistroostig liep jij later
met mij aan jouw zijde terug naar het dorp
bij de kerk keken wij nog eenmaal om en lazen:

'Heb eerbied voor deze plaats,
ontdaan van de aardsche zorgen
rust hier het menschlijk stof
tot aan de jongste morgen'.

Wij glimlachten naar elkaar
toch zag ik in jouw ogen een glimp van angst.

dinsdag 15 september 2015

wroeging


Nadat er was besloten om geen foto te nemen van ons vijven, stopte zij met gelaten blik de camera in haar tas. Opgelucht trokken wij onze jassen aan. Op een enkel gezicht was medelijden herkenbaar. De rit naar huis verliep zwijgzaam. Thuis pakte zij haar camera. Met een pruillip zei zij: “Nou, dan berg ik mijn cameraatje maar weer op”. Hiermee werd het medelijden gevoed en nog dagen lang werden sommigen van ons geplaagd door gevoelens van ongemak