zondag 2 maart 2014

mijn racefiets



Vertwijfeld sta ik voor het raam en staar naar de blauwe lucht, die mij uitnodigt voor een rondje op de racefiets. Twijfel, omdat mijn kop vol snot zit van mijn laatste rit een paar dagen terug. Misschien is het beter niet te gaan. Ik hak, nog niet berustend, de knoop door en sms mijn vriend welke plannen hij heeft vandaag. Hij antwoordt niet. Vlug controleer ik de spanning op de banden van mijn fiets, leg mijn sportkleding klaar en controleer mijn mobiel op de laatste berichten. Geen bericht, ik mag gaan fietsen. Al direct moet ik opboksen tegen een harde wind die later aan zal wakkeren tot kracht vijf. Achter een tandje groter dan maar. Het is fris, maar na een uur raak ik in cadans en slinger ik over de polderwegen van Voorne. Na twee uur en een kwartier zit mijn rit erop, nog net voor de hongerklop. Op mijn mobiel een bericht van mijn vriend. Hij is gaan wandelen met zijn vrouw. Ik heb de juiste keuze gemaakt.

Daarom, hak met het zwaard der kennis
de twijfel aan stukken, sta op en volg het
pad van de wielrenner!

Vrij naar de Bhagavad Gita – hoofdstuk 4 : 42

zaterdag 22 februari 2014

Voorjaar





Op bescheiden afstand parkeer ik mijn Peugeot 207 naast een oud model Mercedes. Enig verschil van stand mag er best zijn. Als de auto is afgesloten en ik mijn jas heb aangedaan loop ik naar de grasdijk van de Tiendgorzen. Vanuit het riet daarachter klinkt de driftige riedel van een cetti's zanger. Mijn ogen dwalen af naar een donkere gestalte die verderop langs het Haringvliet loopt. Het blijkt collega Marcel te zijn. Ik wacht op hem en samen lopen we naar de veerpont die ons samen met anderen naar Tiengemeten zal varen.
De temperatuur op het eiland is aangenaam en al keuvelend bereiken we Speelnatuur, waar het voorjaar haast letterlijk de grond uitknalt. Op diverse plekken bloeit het klein hoefblad, maar ook madelief en hondsdraf pronken met hun gekleurde blad.
Wanneer we later op de dag moe van het gaten graven en plaggen steken naar de lucht staren, hangt een torenvlak biddend boven een vermeende prooi. Tot drie keer toe laat het mannetje zich met een hoorbare plof op de grond vallen. Dan is het raak. Met een flinke muis tussen zijn klauwen vliegt hij naar een paal om hem te veroberen. Als hij later na zijn dis opvliegt, lopen wij naar de paal waarop de laatste resten, een nog warm stuk darm, van zijn maal kleven. Voorzien van een mooie ervaring varen we ‘s middags terug naar het vaste land. Een paartje grote zaagbek vliegt pal voor de pont langs. Deze dag kan niet meer stuk.

gras breekt het asfalt
de wind drijft wolken uiteen
zie - zonder woorden
           

zondag 9 februari 2014

Een bevriend dichter, Pater Bob schreef het volgende dada gedicht:

ate ate at
at ate ate at at
ate at ate

In verwarring gebracht? Lees het gedicht enkele malen hardop voor en je zult versteld staan wat de klankherhaling en uiteindelijk het gedicht met je doet.

Voor vandaag, pluk de dag - ook al is hij nat.

vrijdag 24 januari 2014

Gesleten leven






Door het raam van het verzorgingstehuis kijk ik naar binnen. Daar zie ik hem zitten. Om zijn oude lichaam een blauwe stofjas. Even twijfel ik, of ik hem langer zal gadeslaan. Ik besluit naar binnen te gaan. In de grote hal zingen bejaarde vrouwen liederen uit de oude doos. Een man begeleidt hen op gitaar. In een gang de ‘dubbelfiets’. Bij mooi weer rijdt hij daar zijn rondjes op. Een vrijwilliger vergezelt hem dan. Nu schildert hij een houten klok. De klok heeft hij zelf uitgezaagd. Hij is blij met mijn bezoek. Vol trots leidt hij mij door de vertrekken: een huiskamer, een rustkamer, de winkelruimte. Langzaam lopen we terug naar zijn maatjes. Haast niets wijst op verval. En toch is hij daar omdat hij is gaan vergeten en soms het dagelijkse niet meer begrijpt.


achter glazen pui
bedekt kale wintertuin
pril lenteleven

dinsdag 21 januari 2014

ongemak



Op zondagavond staat de fonkelnieuwe frituurpan, gevuld met verse olie, klaar voor gebruik. Met een lichte touch van de wijsvinger op de Sensor, zou het aan/uit- lampje moeten oplichten. Het lampje, evenals de pan, weigert dienst. Zonder morren, maar met een glimlach wordt het frituurvet overgeheveld naar de oude pan. De patatten laten zich later goed smaken.

Dit keukenavontuur was vast en zeker een opmaat tot, Blue Monday.
Om tien uur in de morgen sta ik strategisch opgesteld tussen de twee loketten van de internist – bij welke kan ik het snelst terecht? Een ijverige assistente had mijn vader verzocht zich daar te melden. Vergeten was zij echter om haar administratie op orde te brengen. Ik wring mij in allerlei bochten en neem het initiatief om, samen met hen die de medische administratie besturen, orde op zaken te stellen, zodat mijn vader en ik zo snel mogelijk het bezoek aan de internist kunnen afronden. Uiteindelijk is ons bezoek voor niets. De assistente had vals alarm geslagen.”Komt u maar terug over vier maanden”, zegt de internist.

Diezelfde middag loop ik naar de winkels. Bij een school loopt een man onrustig heen en weer. Als ik hem passeer slaakt hij binnensmonds een vloek. “Hé”, roept hij even later. “Hé, meneer. Hoe heet het hier?”. Ik besluit te wachten, draai mij om en kijk naar zijn rotte gebit, ingevallen wangen en angstige ogen. In zijn hand een leeggezogen joint “Hoe bedoel je, hoe heet het hier?” “De wijk, hoe heet de wijk?” “Vogelenzang”, antwoord ik.  “Waar moet je wezen dan?” “Bij mijn vriend, maar ik weet geen naam en geen adres. Ik geloof dat ik alzheimer krijg”. Ik stel hem lachend gerust en zeg hem dat zijn vergeetachtigheid wel mee zal vallen. Zo raken we in gesprek. Door zijn houding en zijn praten meen ik met een junk van doen te hebben. Dat geeft, zij het in lichte mate, een ongemakkelijk gevoel. Verderop stopt hij met lopen. “Eerst wat roken”, zegt hij. Ik groet hem en los langzaam op in de middag, die grijs en nat is van een aanhoudende druilregen. En toch, geloof ik niet in een Blue Monday.

kwakkelwinter -
druppels hemelwater
aan een wilgentak

vrijdag 17 januari 2014

Die morgen



Die morgen

kleurt water roze
breken golven zwart
drijven wolken wit

verwaait wind nacht
wap’ren vlaggen strak
vallen ganzen in

varen mensen over
klotsen golven schuim
vult licht dag