Angst, dat is wat mij jarenlang tegenhield om te gaan
vliegen. Het moet er langzaam, als een gif, ingeslopen zijn. Ondanks alle
statistieken die beweren dat vliegen één van de veiligste manieren van reizen
is, was ik met geen mogelijkheid een vliegtuig in te krijgen. Met een portie
kalmte, ironie en zelfhypnose heb ik mij over mijn angsten heen getild. Aldus bracht
ons gezin de afgelopen week op La Palma door. Om precies te zijn in de kleine
stad Los Llanos De Aridane. Na ons ter plekke gemeld te hebben bij de eigenaresse
van ‘ons’ appartement, mochten we haar per auto volgen door een doolhof van
nauwe stegen en dito straten de heuvel op, alwaar ons onderkomen gelegen was.
Achteraf was deze trip een bode voor naderend, doch door ons nog niet onderkend,
onheil. Aan het einde van de middag reden wij terug naar het stadscentrum om
proviand in te slaan en te genieten van culinaire creaties ter plekke. Na ons
diner dwaalden we nog even door de schaars verlichte stad waar intussen een
carnaval losgebarsten was. Straten waren voor verkeer gesloten en gevuld met
mensen, muziek en dans. Dit bracht met zich mee dat we via slecht bewegwijzerde
omleidingen ons appartement moesten zoeken. Bovendien was er in de stegen en
straten buiten het centrum nauwelijks verlichting. Ergo, we konden onze
vakantiewoning niet meer vinden. Na ruim een uur dwalen gaven we het op en
schakelden de plaatselijke politie in. Die begreep onze precaire situatie en
ging ons voor de heuvel op. Maar ach en wee, ook de sterke arm kon ons verblijf
niet vinden. Een toevallig aanwezige taxichauffeur werd om raad gevraagd.
Uiteindelijk konden we ruim na middernacht ons moede lijf onder fris krakende
lakens ter ruste leggen.
zondag 4 maart 2012
zaterdag 18 februari 2012
De biograaf
Een groot bord vertelt mij dat
bezoekers van de begraafplaats hun auto gelieve bij het zwembad dienen te parkeren.
Ik glimlach, want op dergelijke wijze ben ik nimmer verwelkomd als ik Dirksland
binnen reed. Ik heb, tussen haakjes, nooit geweten dat Dirksland een zwembad
bezat. Omdat ik mijn vriend bezoek parkeer ik mijn auto gewoontegetrouw op het
grind naast zijn huis. Ik pak mijn weinige paperassen en sluip de woning
binnen. “Goedemorgen”, klinkt het vanuit onverwachte hoek. Kletsend over van
alles en niets stappen we door enkele vertrekken de woonkamer binnen. Daar vertellen
we ons verhaal. Terwijl ik vertel over het manuscript, dat deze week naar de beoordelaar/corrector
is gebracht om grondig gelezen te worden, staar ik in afwachting van Niels zijn
reactie door het raam. Een zwarte wagen met daarnaast vier mannen in rok en hoge
hoed rijdt tergend langzaam over straat. Achter de wagen in gelid een lange,
lange stoet rouwenden. Er schijnt geen einde aan te komen. Minstens vijfhonderd
stemmig geklede mensen, die staren naar de grond, schreiden waardig voorwaarts
naar het graf. Het aan mij voorgeschotelde tafereel is een massaal laatste
eerbetoon, een oud schooldirecteur en oud wethouder waardig. Ik denk er, met
respect, het mijne van. Maar goed, het gaat in dit schrijven niet over een
uitvaart, maar over de prenatale existentie van een ‘biografie’. Het zal niet
lang meer duren of zij zal het licht zien. Bijna alle hoofdstukken zijn
geschreven. Over twee wordt nog nagedacht. Het zijn voor Niels en mij spannende
tijden. Want, ben ik geslaagd als schrijver / ‘biograaf’. Wij verwachten van de
beoordelaar een eerlijk antwoord. Het kan zo maar zijn dat al ons zweet, bloed
en tranen naar de prullenbak worden verwezen. In dat geval stel ik voor om met
enkele getrouwen in ganzenpas, als laatste eer voor al ons werk, achter de
vuilniswagen aan te lopen. Maar wat doemdenk ik nu, misschien zijn de
geschreven fragmenten uit het leven van Niels wel een feest om te lezen.
zondag 5 februari 2012
De Mensch
Winter.
Ik loop naast de sporen van een haas en tuur over het water. Boven het water
hangt in vlagen een melkwitte nevel. Schimmig grijs zijn de silhouetten die
dobberen tussen schotsen ijs. Hoog boven mij in de blauwe lucht schenkt de zon
de aarde gul haar stralen. Ze weerkaatsen op de witte buiken van overvliegende ‘brandjes’.
Verder is het ijzig stil. Ook de roerdomp, hier door mij verwacht drukt zich
door de kou. Ik moet het met het landschap doen en wat klein gespuis dat langs
een slootkant voor mij opvliegt. Een winterkoning scharrelt vlak bij mijn
voeten tussen dood gras. Schuins kijkt hij mij aan, dan hupt hij verder. Aan twee
stengels riet, in spagaat, een rietgors. De acrobaat scheurt haast in tweeën
als een zachte bries de stengels uiteen wijkt. Boven de dijk jaagt een slechtvalk
in strakke lijn achter een wulp aan. Telkens slaat hij met zijn gele klauwen
naar de wanhopige vogel. Een ongelijke strijd. Als de wulp bij een laatste slag
doelloos naar beneden dwarrelt, lijkt de zaak beslecht. Een
bonk bruine klei is zijn redding. Nog eenmaal scheert de valk laag over zijn
vermeende prooi om op de bevroren akker geduldig te wachten. Ik loop verder en
volg het prrietprie van de veldleeuwerik. Op een veldje zie ik ze zitten met
hun malle petje. De beestjes zijn op doortrek vanuit het nog koudere noorden
van Europa. Dit moment is voor mij een mooi slotakkoord. Morgen is er weer een dag.
vrijdag 27 januari 2012
De Dichter
Mijn vorige blog is niet bij iedereen in goede aarde gevallen. Schoenmaker blijf bij je leest was één van de reacties. Een ander vertelde mij, dat ik dan wel moest weten wat mijn leest was. Stof ter overdenking dus. De druppel die al mijn twijfel wegnam waren de kritische opmerkingen van een doorgewinterde thrillerfan. Vooralsnog laat ik het blog staan, ik hoef mij immers niet te schamen. Een korte tijdspanne dolen is toegestaan. Mijn ‘leest’ heb ik intussen hervonden: het schrijven van poëzie en kleine stukjes proza.
I
Zwijgend zitten zij tegenover elkaar.
Wat kan er na al die jaren nog gezegd worden,
wat verbindt hen nog dan het geleefde leven -
Is stille liefde het geluk dat hen bindt,
zoals de mens in stilte zichzelf vindt?
II
de Turkse tortels
zitten zwijgzaam naast elkaar
stil is de liefde
I
Zwijgend zitten zij tegenover elkaar.
Wat kan er na al die jaren nog gezegd worden,
wat verbindt hen nog dan het geleefde leven -
Is stille liefde het geluk dat hen bindt,
zoals de mens in stilte zichzelf vindt?
II
de Turkse tortels
zitten zwijgzaam naast elkaar
stil is de liefde
dinsdag 17 januari 2012
De Schrijver
Wraak
Om het winkelcentrum optimaal te bereiken ligt er naast het busstation een half open parkeergarage. Op een naastgelegen trottoir loopt Fritz. Opgevouwen rust een volkskrant in zijn rechterhand. De linker ligt verboren in zijn jaszak. Zojuist is de schemer ingevallen. Het trottoir buigt naar rechts waar kort na de bocht een zebrapad ligt. Niet dat je hier veilig kunt oversteken, want altijd zijn er hufters die menen het asfalt als racebaan te kunnen gebruiken. De situatie is daar dan ook naar: een brede tweebaansweg voorzien van een flauwe bocht. Hier kun je even lekker doorscheuren. Maling aan de suffe voetgangers, die vaak aarzelend blijven wachten. Fritz is anders, die provoceert. Vaak loopt hij rustig het asfalt op. Als er een auto hard komt aangereden blijft hij midden op de weg stilstaan. Meestal stopt de auto, soms rijdt hij door. Maar altijd priemt de blik van Fritz in de ogen van de bestuurder. Dit keer steekt hij niet over. Hij twijfelt. Er klopt iets niet. Aan de overkant op een fietspad dat langs een woonwijk ligt rent een man. Zijn houding en mimiek verraden doodsnood. Twee droge knallen verbreken de stilte en slaan het leven uit de man die rochelend ineenstort. Nog even lijken zijn benen door te willen rennen. Maar na een laatste stuiptrekking kleurt de rug van de man langzaam rood. Fritz die dit alles in enkele seconden beleeft ziet twee duistere figuren op een scooter springen. Dwars door een plantsoen rijden ze het asfalt op, richting Fritz die aan de grond staat genageld. Een ding is zeker dit zijn de schutters en Fritz was getuige.
“Tering, zie je die gozer daar?” “ Is dat niet die kerel die je zus heeft aangerand?” “Godver, nou je het zegt” Twee duistere figuren in gewatteerde jacks hangen rond een scooter als vijfentwintig meter verder een man de straat oversteekt. Over zijn schouder kijkt hij achterom en ziet de twee bij de scooter staan. Een ervan herkent hij. Shit. Dat is de broer van die meid waar hij een korte affaire mee had. Die slet had hem geil uitgedaagd en toen puntje bij paaltje kwam liet ze het afweten. Maar zijn vuur moest geblust worden en na enige handtastelijkheden begon ze hard te gillen de trut. Het loeder heeft hem dus verraden. “Hé klootzak, je hebt mijn zus verkracht”. Wraak. De man staat stijf van de adrenaline. Zijn hart pompt met snelle krachtige slagen het bloed door zijn lijf. Dan begint hij te rennen, steeds sneller. Achter hem springen de twee op hun scooter en rijden achter de man aan. Ross die achterop zit grist een pistool uit zijn zak en vuurt tweemaal. “Tering man wat doe je nu?” De man rent en hoort het schot. Op dat moment is het net of iemand hem een geweldige zet geeft. Struikelend rent hij door. Bij het tweede schot valt hij voorover, toch rent hij door. Dan wordt hij ‘overvallen’ door een weldadige warmte die hem meevoert de diepte in. De daders stoppen bij het slachtoffer, overzien de situatie en raken in paniek. “Tering man dit is een kill”. Ze eren om en scheuren het fietspad af. Geen getuigen of het moet die vent zijn bij de parkeergarage.
Intuïtief rent Fritz de parkeergarage in en duikt onder een auto. Enkele tellen later giert de scooter de parkeergarage binnen. Ze kunnen mij niet gezien hebben. De scooter stopt pal naast Fritz. De schutter stapt af. Na kort onverstaanbaar overleg rijdt de scooter weg op zoek naar Fritz. De ander staat achter de auto waar Fritz onder ligt. Hij loopt om de auto heen. In een plas lekwater ziet Fritz zijn schaduw. Ze kunnen mij niet gezien hebben. Ze weten niet waar ik ben. In de plas ziet Fritz dat de man iets in zijn hand houdt. Het wapen. De man bukt. Hij weet niet waar ik ben. Razendsnel en met een enorme kracht schopt Fritz tegen de schenen van de man die zijn evenwicht verliest. Als hij valt echoot het geluid van een pistoolschot door de ruimte. Fritz rolt onder de wagen vandaan en duikt achter een pilaar. Als hij ziet dat de schutter levenloos op de grond blijft liggen zet Fritz het op een lopen. Weg van hier.
Later blijkt dat de schutter buiten bewustzijn was als gevolg van een gebroken nek. De kogel vond men later in een betonnen poer. Het adequate handelen van een getuige en zijn Fritz verhaal zorgden ervoor dat de daders voor lange tijd achter slot en grendel verdwenen.
Maanden later verlaat Fritz zijn woning. In de straat verderop staat een man. Als hij hem nadert haalt de man tergend langzaam een vlindermes tevoorschijn. Behendig draait hij het rond in zijn hand. Zijn ogen kijken ijzig kil naar Fritz. Wraak.
“Tering, zie je die gozer daar?” “ Is dat niet die kerel die je zus heeft aangerand?” “Godver, nou je het zegt” Twee duistere figuren in gewatteerde jacks hangen rond een scooter als vijfentwintig meter verder een man de straat oversteekt. Over zijn schouder kijkt hij achterom en ziet de twee bij de scooter staan. Een ervan herkent hij. Shit. Dat is de broer van die meid waar hij een korte affaire mee had. Die slet had hem geil uitgedaagd en toen puntje bij paaltje kwam liet ze het afweten. Maar zijn vuur moest geblust worden en na enige handtastelijkheden begon ze hard te gillen de trut. Het loeder heeft hem dus verraden. “Hé klootzak, je hebt mijn zus verkracht”. Wraak. De man staat stijf van de adrenaline. Zijn hart pompt met snelle krachtige slagen het bloed door zijn lijf. Dan begint hij te rennen, steeds sneller. Achter hem springen de twee op hun scooter en rijden achter de man aan. Ross die achterop zit grist een pistool uit zijn zak en vuurt tweemaal. “Tering man wat doe je nu?” De man rent en hoort het schot. Op dat moment is het net of iemand hem een geweldige zet geeft. Struikelend rent hij door. Bij het tweede schot valt hij voorover, toch rent hij door. Dan wordt hij ‘overvallen’ door een weldadige warmte die hem meevoert de diepte in. De daders stoppen bij het slachtoffer, overzien de situatie en raken in paniek. “Tering man dit is een kill”. Ze eren om en scheuren het fietspad af. Geen getuigen of het moet die vent zijn bij de parkeergarage.
Intuïtief rent Fritz de parkeergarage in en duikt onder een auto. Enkele tellen later giert de scooter de parkeergarage binnen. Ze kunnen mij niet gezien hebben. De scooter stopt pal naast Fritz. De schutter stapt af. Na kort onverstaanbaar overleg rijdt de scooter weg op zoek naar Fritz. De ander staat achter de auto waar Fritz onder ligt. Hij loopt om de auto heen. In een plas lekwater ziet Fritz zijn schaduw. Ze kunnen mij niet gezien hebben. Ze weten niet waar ik ben. In de plas ziet Fritz dat de man iets in zijn hand houdt. Het wapen. De man bukt. Hij weet niet waar ik ben. Razendsnel en met een enorme kracht schopt Fritz tegen de schenen van de man die zijn evenwicht verliest. Als hij valt echoot het geluid van een pistoolschot door de ruimte. Fritz rolt onder de wagen vandaan en duikt achter een pilaar. Als hij ziet dat de schutter levenloos op de grond blijft liggen zet Fritz het op een lopen. Weg van hier.
Later blijkt dat de schutter buiten bewustzijn was als gevolg van een gebroken nek. De kogel vond men later in een betonnen poer. Het adequate handelen van een getuige en zijn Fritz verhaal zorgden ervoor dat de daders voor lange tijd achter slot en grendel verdwenen.
Maanden later verlaat Fritz zijn woning. In de straat verderop staat een man. Als hij hem nadert haalt de man tergend langzaam een vlindermes tevoorschijn. Behendig draait hij het rond in zijn hand. Zijn ogen kijken ijzig kil naar Fritz. Wraak.
zondag 25 december 2011
De Mensch
Het valt niet mee om haar te
veroveren. Ik ken haar, maar dat is theorie. De praktijk is weerbarstiger. Een
jogger met hond gaat mij voor. Als zij
een tiental minuten later gedwongen worden een andere route dan gepland te
lopen, weet ik dat ik alle vernuft nodig zal hebben. Het pad langs het oude
riet buigt naar links. Voor mij liggen een aantal enorme plassen. Berekenend
zoek ik mijn weg over die delen die het
minst onder water staan, om met een enorme sprong op een zompige pol gras te
landen. De enige toeschouwer is een blauwe kiekendief die opgaat in het
landschap. Mijn jas schuurt langs de takken van een duindoorn. Dan nader ik
een nog grotere waterpartij. Het gitzwarte water verhult ondiepe delen. Eindigt
hier mijn tocht. Mijn tenen bewegen op en neer. Ze zijn nog droog. Even is er
twijfel dan wint moeder natuur. Ineens sta ik vijfentwintig meter verder met een
vochtige broek, maar droge voeten, op het pad. De zee ligt machtig aan mijn voeten.
Witte schuimkoppen slaan onstuimig op het strand. Door een als vanzelf ontstane
kreek stroomt wild het water naar zee. Stukken strand brokkelen af onder de
snelheid van het zilte vocht. Met respect neem ik afstand. Als dank dwingt zij
met zachte hand mijn blik naar een groepje strandlopers, drieteentjes. De
beestjes raken met hun driftig geren een gevoelige snaar. Vrolijk keer ik mijn
rug naar zee en volg een pad langs het binnenduin. Ineens sta ik oog in oog met
een sperwer. Van mij geschrokken zwenkt zij naar hoger gelegen duintoppen. Daar
golft hij over het struweel op zoek naar prooi. Mijmerend loop ik verder. Ik
heb haar bedwongen. Zacht sluit ze haar armen om mij heen en versmelten onze
lijven. Even zijn we één, even ben ik onzichtbaar. Als zij mij loslaat en ik
haar wil verlaten, speelt zij nog eenmaal haar spel. De weide waar in de zomer
de ratelaar en de gevlekte orchis bloeien staat geheel onder water. Ik kijk
achterom. Zie haar glimlach. Een diep zucht verlaat mijn lippen.
dinsdag 13 december 2011
De Mensch
Plato had het al vroeg door:
De ‘wereld’ die wij ervaren is niet de werkelijke wereld. Zij is een schaduw. De
‘wereld’ die wij persoonlijk ervaren is volkomen subjectief en daarom een
illusie. Allemaal vertellen we een ander verhaal over wat we gezamenlijk
ervaren hebben. Het heeft er alle schijn van dat we ons graag laten foppen. Illusie
en romantiek vieren hoogtij. Zoals ‘onze wereld’ een schaduw is van de
werkelijkheid, zo zijn onze verhalen, foto’s en films daar een afspiegeling van.
Met de hedendaagse techniek en een flinke dosis naïviteit leven we in een ‘Wonderland’.
Ergens in de jaren negentig genoot
ik een prachtige natuurdocumentaire over de wolf. Ik had beter moeten weten,
want de film was geproduceerd door sprookjesverteller Walt Disney. Een
natuurlijk lijkend filmshot was destijds opgenomen in een dierentuin. Ik
besloot nimmer meer natuurfilms te bekijken.
Verleden week trapte ik er
toch in. Sir David Attenburough zoog mij met zijn honing zoete stem naar de buis. Werkelijk schitterende
beelden van onze Frozen Planet rolden over het scherm. Ik was getuige van de
geboorte van enkele ijsberen. Unieke beelden, die nog nooit elders in de vrije
natuur gefilmd waren. Ik was even in ‘Wonderland’.
Tot gisterenavond de vrouw van
het journaal mij terug op aarde bracht. De beelden waren geschoten in ons eigen
Ouwehands Dierenpark en vervolgens in de film geplakt.
Zoals films de werkelijkheid
verdraaien zo doen foto’s dat ook . Gretig wordt daar gebruik van gemaakt en we
genieten van de plaatjes, immers we leven graag in een geromantiseerde en illusionaire
wereld. Nee, dan zie ik liever de natuurfoto’s van mijn vriend. Onscherp hier
en daar, maar zij benaderen in ieder geval de schaduw van Plato en zijn
daardoor zuiver en eerlijk.
Abonneren op:
Posts (Atom)