donderdag 7 december 2017

Reisimpressies Andalucia (2)



Granada

Na twee dagen Malaga vertrekken wij richting Alhama de Granada een klein stadje dat pal tegen een kloof is aangebouwd. Onderweg rijden wij langs uitgestrekte olijfgaarden. Tijdens een tussenstop kan ik het niet laten om een volrijpe olijf te plukken en deze als zwart goud in mijn mond te laten smelten, wat ik moet bezuren met een scherpe smaak in mond en keel, die ik nog minutenlang moet zien te verdragen. Ik wist niet dat een olijf een dag of twaalf in zoutwater moet weken om op smaak te komen. In het stadje spoel ik de nare smaak weg met een overheerlijke cafe solo. Daarna wandelen wij door het stadje en de kloof om vervolgens richting Granada te rijden.





Boven Granada hangt een bruine deken van smog, als wij Met Google Maps in de stand-by modus de stad binnen rijden. Accuraat worden wij door het ´moderne´ stadsdeel gestuurd. Zodra wij de oude Arabische wijk inrijden, wordt het lastiger. De straatjes worden smaller en smaller. En steil, zo steil dat de motor van onze auto regelmatig stilvalt. Op sommige plaatsen is het alleen mogelijk om in de eerste versnelling onze weg te vervolgen. Omdat vele steegjes afgesloten zijn, raakt op zeker moment ook Google Maps gedesoriënteerd. Wel drie keer doorkruisen wij de wijk. Op het moment dat ik het op wil geven, stapt José uit en loopt met een stadsplattegrond in de hand voor de auto uit. Uiteindelijk bereiken wij moe maar voldaan, what is in a name, Plaza San Nicolas, dat op een kleine steenworp afstand van ons appartement ligt.



Het plein dat vooral in de vroege morgen en late avond omgeven is met een serene stilte, biedt een fraai uitzicht op het Alhambra, een oude cultuurhistorische vesting die op de werelderfgoedlijst van de UNESCO staat.



Het is nog fris als wij rond negen uur in de morgen El Albaicín achter ons laten en beneden in het dal de droge rivier oversteken. Al vanaf maart heeft het niet meer geregend in Granada, wat ook het stof en de smog verklaart. Aan de overzijde slaan wij een asfaltweg in, die na elke bocht smaller en steiler wordt. Bovendien gaat het asfalt over in keitjes. De gevels van de huizen langs het pad zijn overwegend ‘blind’, maar zo af en toe verraad een raam of klein balkon, waar maar net één stoel op kan staan, tekenen van leven achter de witgepleisterde muren. Om de honderd meter pauzeren wij even om op adem te komen en te genieten van het uitzicht. Tegen tien uur bereiken wij het Alhambra, dat die dag relatief weinig bezoekers kent. Op drukke dagen zijn er wel 6000 bezoekers ter plekke. Iets wat mij op voorhand afschrikte. Het valt dus mee vandaag en ik heb zeker geen spijt dat ik hier vandaag met José ben. Wat mij vooral intrigeert, zijn de wiskundig ontworpen mozaïeken en figuraties die prijken als ornament van bijvoorbeeld gevels en doorgangen. Ik neem er de tijd voor en bestudeer de kunstwerken minutieus en kom tot het inzicht, dat nut, schoonheid en wetenschap perfect samen kunnen vallen.


























dinsdag 5 december 2017

Reisimpressies Andalucia


Malaga



Van een collega had ik onlangs een zakmes gekregen, omdat ik een dergelijk attribuut zelden tot nooit gebruik, raakte het in vergetelheid en belandde ergens in de periferie van mijn bestaan.

´Heeft u iets aan te geven´, vraagt de douanier als mijn rugzak het detectiepoortje passeert.
´Nee, niet dat ik weet, antwoord ik hem vriendelijk.
´U heeft ook geen zakmes bij u?’
Dan gaat mij een lichtje branden. Uh, ja het zou kunnen dat er een in mijn rugzak zit.
Samen controleren wij de rugzak en vanuit de donkere diepte tover ik het mes tevoorschijn.
‘Die mag niet mee aan de cabine in’.
Mijn koffer had nog een alternatief kunnen zijn, maar die was al onderweg naar het vliegtuig. Het mes ben ik dus kwijt.


Rond elf uur landen wij op Malaga airport, regelen een huurauto en vinden na enig zoeken ons appartement met privé parkeerplaats. De postzegelkleine behuizing bestaat uit twee lagen: Een woonkamer met open keuken in jaren zeventig oranje, met in een hoek een wenteltrap die naar de slaapkamer draait. Als ik de deuren daarvan open, blijkt er ook een balkon aanwezig met uitzicht op de bouwval aan de overkant.



In Natuurpark Torcal de Antequera is het een drukte van belang. Tientallen pubers op schoolreis bewegen zich als roedels uitgelaten honden zingend en gillend over de paden van de korte wandelroute. Het is voor ons een klein uurtje doorbijten om verderop voor een langere wandeling te kiezen en het kinderplezier achter ons te laten. Het gebied is ontstaan in de tijd dat het nog een kalkrijke zeebodem was. Het zeewater zorgde door stromingen voor erosie en zo ontstond een surrealistische rotsformatie. Vandaag de dag, nu het zeewater zich ver heeft teruggetrokken, is er een landschap ontstaan met de meest wonderlijke vormen. Boven de door steenbokken bevolkte rotsen zweven vale gieren op zoek naar voedsel. Af en toe laat een blauwe rotslijster zich zien, verder is het mager wat vogels betreft, en is het vooral het landschap dat ons boeit.








  

vrijdag 17 november 2017

Nippeltje


Met kritische blik bekijkt Tim het driekwartsverloopnippeltje dat hij tussen zijn duim en wijsvinger ronddraait. Een gleufje aan een van de uiteindes zegt hem dat daar een sluitringetje had moeten zitten. Die is waarschijnlijk gebroken en eraf gesprongen, zegt zijn maatje Mark, wij zullen een nieuwe op moeten snorren. Samen lopen zij naar de werkplaats, waar zij collega Egbert tegenkomen. ‘Wat kijken jullie moeilijk’ zegt hij. Tim legt uit wat er aan de hand is en met zijn drieën lopen zij naar een grote metalen kast waarin een groot aantal bakken staan. De bakken zijn gevuld met ontelbare schroeven en moeren in diverse lengtes en diktes. Sluitringetjes zijn echter niet te vinden. Als niet veel later zich nog twee collega’s bij hen voegen en Tim wederom zijn verhaal heeft verteld, gaat het nippeltje van hand tot hand en graaien drie paar handen door de gevulde bakken in de kast. Dit duurt te lang meent Mark en hij stelt voor om dan maar een boutje met twee passende moertjes mee te nemen. Eén moertje kan dan als borg dienen. Een collega stelt voor om het nippeltje mee naar huis te nemen, om daar een passend sluitringetje voor op te zoeken. Iedereen vindt dat een goed idee. ‘Maar dan moet ik wel het nippeltje hebben natuurlijk’. Op dat moment weet niemand meer wie het nippeltje heeft of waar het is gebleven. Totdat Tim nog eens goed in de voering van zijn jaszak voelt. Schaapachtig kijkt hij zijn collega’s aan. Dan maakt hij zich snel uit de voeten voordat hij gekscherend een trap onder zijn kont krijgt. Jij krijgt het ook altijd voor elkaar om verwarring te schoppen zegt Mark als hij niet veel later het boutje en de moertjes aan elkaar bevestigt.  


zaterdag 11 november 2017

Gedachtenstroom


In de metro zit tegenover mij een mooie jonge vrouw. Onopvallend, kijk ik naar haar; #I-have. Haar haren zijn goudblond en vallen oogstrelend mooi over haar ranke schouders. Even heb ik oogcontact en ik vermoed een nauwelijks zichtbare glimlach van haar kant. Een camel kleurige jas verhult de contouren van haar lijf, dit in tegenstelling tot haar donkergroene rok en de wollen maillot die zij draagt. Haar handen, de mooiste die ik ooit heb gezien liggen losjes op haar tas van leer. Aan haar voeten draagt zij in schril contrast, maar desalniettemin modieus, een paar Allstars.  Vroeger noemden wij dergelijk schoeisel basketbalschoenen. Ter hoogte van de enkels zaten ronde schijfjes van rubber. Wij maakten daaruit op dat de drager nu zijn enkels niet meer zou kunnen verzwikken. Wat natuurlijk een onzinnige gedachte was, de schijfjes dienden alleen als versiering. Terwijl mijn gedachten hun eigen weg kiezen, luister ik naar opzwepende muziek -

Nobody gonna take my head
I got speed inside my brain
Nobody gonna steal my head
Now that I'm on the road again
Oooh I'm in heaven again
I've got

en passeer een jeugdgevangenis die ligt ingeklemd tussen een woonwijk en een industriegebied. Dertig jaar terug was dit gebied een grote polder waarin koeien graasden, de grutto broedde en de slobeend door kraakheldere slootjes zwom. Daar is vandaag de dag vrijwel niets meer van over. Alles is bebouwd, en ter compensatie is een groot deel beplant met populieren en ander snelgroeiend groen. Alleen een vergeten laantje met knotwilgen, waarlangs een oude sloot ligt prikkelen mijn herinneringen. Ineens kijk ik weer naar haar. Mijn blik glijdt traag langs haar benen en pauzeert bij haar handen, die, het is warm in de coupe, een voor een de knopen van haar mantel beroeren. Met flair slaat zij daarvan een pand opzij. Nog voor ik mij ongemakkelijk door mijn voyeurisme voel, gaat mijn blik naar haar gezicht en ogen die vriendelijk lichtblauw in hun kassen rusten. Iets zegt mij dat ik op moet houden om naar haar te kijken, maar ik kan het niet. Van een psychologe had ik ooit geleerd dat als je uit beleefdheid iemand aan moet kijken en je voelt je daarbij ongemakkelijk, dat het dan handig is om naar het puntje van de neus van die persoon te kijken. Dat zou niet opvallen. Maar haar neus, die is zo mooi, dat zelfs Cleopatra jaloers zou zijn geworden. Ik ben totaal verloren.

All day long I think of things but nothing seems to satisfy
Think I'll lose my mind if
I don't find something to pacify
Can you help me, occupy my brain?

Een aantal stations verderop knoopt zij haar jas weer dicht. Ik die even afgeleid was, ben weer vol aandacht. Dan ineens vangt haar blik de mijne. Terwijl zij opstaat gunt zij mij een gulle knipoog. Als verderop de metrodeuren zich openen, kijkt zij nog eenmaal achterom. Haar alleszeggende blik trekt een siddering door mijn lijf, die zich samenbalt in mijn maag. Dan sluiten de deuren zich en trekt het voertuig zich in gang. Vanuit het raam zie ik haar goudgele lokken als zoete honing tussen de menigte verdwijnen.

This is the end, beautiful friend
This is the end, my only friend, the end
Of our elaborate plans, the end
Of everything that stands, the end
No safety or surprise, the end
I'll never look into your eyes, again

De songteksten (fragmenten) zijn achtereenvolgend van Deep Purple, Black Sabbath en The Doors.


woensdag 8 november 2017

Keuzevrijheid


Deze zeldzaam mooie herfstmorgen heb ik de keuze om te gaan fietsen op mijn racefiets, of om te genieten van de natuur op Voorne-Putten. Ik besluit om mijn ‘ros’ van carbon van stal te halen. Denk nu niet dat dit een makkelijke keuze is, want op een dag als deze doe ik beiden graag. Als ik de polder achter mij laat en langs het Spui naar het Haringvliet fiets, strijken honderden grauwe ganzen neer in de grasgorzen langs het water. In het ondiepe water van de slikken pleisteren verspreid enkele grote zilverreigers. Vogelaars zitten lui achter hun telescoop, keuvelen wat en turen over het vogelrijke terrein. Ongemerkt ben ik langzamer gaan fietsen en dringt een onrustige gedachte zich op: Had ik niet beter kunnen gaan vogelen. Bij de Hoornse Hoofdjes wordt deze gedachte nog sterker, als ik een ligfiets geparkeerd zie staan. De bestuurder daarvan ligt tegen de kade lui in de zon en staart over het strakke water naar de overkant, waar Middelharnis blakert in de zon. Op dat moment hak ik met ‘het zwaard’ mijn twijfel doormidden, schakel een tandje bij en concentreer mij volledig op het zoeven van mijn dunne bandjes op het asfalt. Het aankomende weekeinde wordt het ook mooi weer en dan ga ik op pad met mijn vriend de Stadsvogelaar, zo zelfbenoemd omdat hij vaak in en rond de stad van zijn vogeltjes geniet.

Het blijft een geweldig moment om de vanaf het eiland Voorne-Putten de Haringvlietdam op te rijden. Vandaag is het nevelig en het uitzicht over het Haringvliet en de Noordzee met zijn scharkeringen van licht dat over de zandplaten pal voor de kust strijkt, is haast surrealistisch. Als wij de eerste afslag nemen en onder de N57 doorrijden, draaien wij onze raampjes een klein stukje open om de geur van de eerste gebakken vis van die dag op te snuiven. Niet veel later rijden wij naar de zeedijk bij de buitenhaven, parkeren de auto, klimmen over de dijk en genieten op onze klapstoeltjes van de wadvogels op het slik. Bontbekjes dribbelen driftig heen en weer, futen dobberen kalm op het water en duiken zo af en toe onder voor een vette hap. In de verte op een paal tegen de duinrand van de Kwade Hoek poetst een slechtvalk zijn verenpak; hij maakt zich vast op voor de jacht. Als na lange tijd een groep kneuen onze aandacht trekt, verhuizen wij naar de duinreep om daar de kleinere vogelsoorten op te sporen. Een groepje wielrenners raast voorbij en een tijd lang ben ik stil. Mijn vriend die mij goed kent glimlacht en zegt: “Je wilt gaan fietsen hè?”  


De schrijver/vogelaar in actie. Foto uit het archief van Peter Ganzeboom   

woensdag 1 november 2017

Gedicht


Zij kunnen nu wel zeggen,

dat ik het gevolg ben van
de geschiedenis die achter mij ligt

dat God niet heeft gedobbeld
en dat ik er niet toevallig ben

dat Darwins evolutieleer
mijn persoonlijkheid bepaalt

dat kan ik wel verdragen, maar
als zij zeggen: ‘ik ben mijn brein’,

afhankelijk van complexe processen
en dus zonder vrije wil –

Nee, die last kan ik niet dragen.

zondag 22 oktober 2017

Vroeg wijs


Een meisje van een jaar of zeven zet haar fiets op de standaard en loopt naar het hek dat voorkomt dat de koeien de grazige weide ongeoorloofd zullen verlaten. Niet dat daar enige aanleiding toe is, want de zwart-witte dames liggen lui en loom in de warme najaarszon. Ik loop verderop op een boerenpad, een verrekijker hangt om mijn nek en mijn handen liggen ineengevouwen op mijn rug. Af en toe richt ik de kijker op een vlucht vogels. Niet veel later stapt het meisje op haar fiets en komt naar mij toegereden. Hier had ik stiekem op gehoopt, want ik heb wel zin in een praatje.

‘Meneer, meneer kijkt u ook naar dieren?’
‘Ja, vooral naar vogels, want die vind ik erg leuk. En jij?’
‘Ik vind koeien leuk’.

En zo kletsen wij een tijdje. Als ik vraag waar zij woont, wijst zij naar de wijk verderop.

‘Daar bij die rode deur, ziet u hem?’
‘Ja, maar mag jij wel zo ver van huis van je moeder?’
‘Ja hoor, als ik maar niet met vreemde meneren praat.’
‘Maar ik ben toch ook een vreemde meneer?’
‘Nee hoor, ik ken u nu toch?’

Dan krijgt het gesprek een wel heel serieuze wending.

‘Meneer, hoe oud moet je eigenlijk zijn om uit huis te gaan?`
‘Ik weet het niet precies, maar ik denk achttien jaar’.
‘Mijn moeder was zestien toen zij alleen ging wonen’.
‘Zestien? Dat is wel erg jong. Hoe kwam dat?´
‘Mijn oma vond haar niet meer aardig en toen heeft zij haar weggestuurd’.

Er valt een stilte. Dan vervolgt ze haar verhaal.

‘Ik heb ook een Turkse vader, maar die is weggelopen’.
‘Weggelopen?'
‘Ja, hij was altijd aan het schelden tegen mijn moeder’.
‘Maar tegen mij niet hoor, hij is best aardig en mijn moeder ook’.

‘Hoe heet jij eigenlijk?’
‘Britt, en jij?'
‘ Tino’.
‘Ik, ken wel een Pino, van Sesamstraat’.
‘O’ zeg ik lachend en blij dat het gesprek weer wat losser wordt. Ik grijp mijn kans en verzin een sprookje.
‘Pino, dat is mijn broer. Wij kwamen uit een groot vogelnest. Ik had ook allemaal blauwe veren en een grote gele snavel’.
‘Toen wilde ik een mens zijn en plukte mijn veren, maar mijn snavel kreeg ik maar niet weg’.
‘Verdrietig liep ik rond, tot ik een tovenaar tegenkwam en die toverde een mooie mond’.
‘Tovenaars bestaan niet’.
‘Nee, dat is waar en daarom is mijn verhaal maar een sprookje’.

Zo liepen wij gezellig kletsend naar een kruispunt van wegen.

‘Ik fiets nog even naar het Witte Kerkje, gaat u mee?’
‘Nee, ik loop langzaam terug naar huis’.
´O, nou, dag meneer’.
´Dag Britt en wees voorzichtig’.

Langzaam veranderde het meisje in een witte vlek en smolt ineen met het kerkje.