dinsdag 20 januari 2015

Et tunc visa est semel mori Rothko

Eenzaam sta ik in een door mensen verlaten museumzaal. Dat is niet verwonderlijk gezien de matige kunst die aan de wanden hangt. Het verbaast mij dan ook dat het gerenommeerde Haags Gemeentemuseum dergelijke kunst aan de wanden durft te hangen. Op het eerste gezicht lijken ook de werken van Rothko weinig indruk op mij te maken. In de media las ik dat verschillende mensen huilend voor de werken stonden, zoveel effect veroorzaakten de schilderijen. Toch halverwege mijn rondgang raakt een op het oog egaal bruin doek mij. Ik zie langzaam verschillende kleurnuances verschijnen en ontwaar zelfs een soort van schim in het midden van het doek. Kunst moet je beleven, ondergaan, er de tijd voor nemen zodat zij je kan grijpen. Met dat idee in gedachten besluit ik om na mijn eerste tour de doeken opnieuw te bekijken. Op het moment dat ik de zaal verlaat, wordt een oude en zieke vrouw op een brancard de zaal binnen gereden. Broeders staan om haar heen. Ik ben toeschouwer, meer niet. Later sta ik opnieuw voor een groot donker doek. Een oase van rust valt over mij heen. Een tinteling van emoties trekt over mijn lijf en armen? Spiritueel of religieus wil ik de kunstwerken niet noemen. Zij zijn eerder meditatief. Zo wandel ik verder, in en soort van roes en aangedaan. Later staar ik naast de doodzieke vrouw van zoeven, naar het doek met de schim in het midden. Haar huid is als was. Nog eenmaal Rothko zien, schiet mij te binnen. Geroerd verlaat ik de zaal.


Zijn kleuren
zuigen je
naar binnen
naar achter
het benoemen
van dit en dat
het dagelijkse

zij zijn als de akker
waarin de schat
verborgen ligt
blijf maar kijken
hier is het
roepen de kleuren
hier is het stille zijn

dinsdag 13 januari 2015

Als echte jagers



Gebukt sluipen de twee mannen langs het dode riet. Op de oever, aan de overkant van het water, zit een bever voorovergebogen. Hij knaagt aan een wilgentak die hij ronddraait tussen zijn poten. Zijn staart ligt half onder zijn achterlijf. Voorzichtig stappen de twee verder naar een nog betere uitkijkpost. Als ze ter plekke opkijken, zien ze nog net de bever in het water glijden. Kalm nadert hij het tweetal tot op zeven meter, dan duikt hij onder. Het laatste wat zij zien is de klap van de platte staart. Een kleine zuil van water spat omhoog. Die dag zal de bever zich niet meer laten zien. Jagen is geduld hebben. Telkens opnieuw proberen een ‘prooi’ te vangen. De beloning, een beleving zoals hierboven omschreven, daar kan geen enkele natuurfilm tegenop.



zware boeggolven
zijn platte staart stuwt hem voort

dan duikt hij onder

vrijdag 9 januari 2015

Ik ben Charlie



Verkleumd stap ik ‘s avonds de woonkamer binnen. Als ik mij warm aan een kop koffie, hoor en zie ik nog net de laatste flarden van het nieuws. Er is een aanslag gepleegd in Parijs. Vooralsnog dringt geen enkele betekenis tot mij door. Als ik later in bed naar, ‘met het oog op morgen’ luister en de feiten hoor raak ik verontwaardigd. Dan zet ik de radio uit, praat nog even na met mijn vrouw en val in slaap.



Na een droomloze nacht lijk ik de aanslag vergeten. Dat wordt anders als ik een dagblad in mijn handen houd. Op een cartoon uit 2011 schrijft Charlie Hebdo,



“L’AMOUR

PLUS FORTQUE LA HAINE

Liefde is sterker dan haat



Op de tekening kussen een cartoonist en een moslim elkaar innig. Ik sla de pagina om en lees over de aanslag op het vrije woord waarbij twaalf mensen zijn vermoord. Na zes pagina’s te hebben gelezen is mijn verontwaardiging van gisterenavond omgeslagen in afschuw. In de media en bij demonstraties hoor en zie ik later die dag de kreet, ‘Je Suis Charlie’.

Nu ik dit stukje schrijf sla ik de laatste pagina van het dagblad om. Daarop prijkt een vuist, waarin het tot slaghout opgerolde dagblad dat ik zojuist gelezen heb rust. Als vliegen heeft Het Vrije Woord zijn vijanden van zich afgeslagen.

dinsdag 30 december 2014

Moordmachine



Boven de radiotoren bij de Waalhaven hangt een bruingrijze lucht. Wij zullen het vast niet droog houden denk ik, als we langs de Wolvenpolder richting de Beerenplaatgrienden rijden. De auto parkeer ik pal tegen het melkschuurtje van Ab Bouwman, die langs de oevers van de Oude Maas een zorgboerderij leidt. Vanuit het platgeslagen riet langs de griend klinkt het geschreeuw van de waterral. Verderop ligt een kreek. Ooit heb ik er daar een ral zien scharrelen langs de oevers. Dit keer laat hij zich niet zien. De griend ligt er deze middag verlaten bij en zonder woorden lopen we over een sompig pad terug naar de auto. Intussen is het gaan regenen. De middag lijkt verloren.


Als het dan toch droog wordt rijden we naar park Waterland. Daar langs de oever van een sloot staat hij. Blauwgrijs. In de gele snavel bungelt een knoert van een bruine rat aan zijn staart. Het beest trilt van angst. Telkens laat de reiger de rat vallen en net als die aan zijn stutten wil trekken, grijpt de reiger hem na een aantal stevige snavelstoten opnieuw. Uiteindelijk, als de rat nagenoeg geen weerstand meer biedt, dompelt de reiger hem onder water. Dan glijdt de rat levenloos in reigers maag.





hangend aan zijn staart
vecht de rat voor zijn leven
vergeefse moeite





Van een dergelijk tafereel was ik eerder toeschouwer. Een reiger had destijds een mol gevangen. Steevast liet hij de mol ontsnappen in een sloot. Als de mol op de oever kroop ving hij hem opnieuw om hem los te laten in het water. Dit schouwspel herhaalde zich totdat de mol het leven liet.




donderdag 11 december 2014

In licht en schaduw



Nadat hij de mantra’s heeft gereciteerd en de nieuwe dag begroet, loopt hij behoedzaam de zoldertrap af naar beneden. Op de overloop sluit hij de deur achter zich. Dan daalt hij de trap af naar de begane grond. In de keuken strijkt hij een lucifer langs de ruwe zijkant van het doosje. De vlam daaraan ontstoken vindt zijn weg naar het aardgas dat zacht uit het fornuis ruist. Met een plofje vormt zich een blauwe krans van vuur om de gaspit.


ochtendritueel
gas en zwavel mengen zich
geursensatie


Met een mok thee in zijn hand loopt hij naar zijn werkplek. Nog voor hij achter het beeldscherm van zijn computer plaatsneemt staart hij door het raam naar buiten. Het beeld van de fraaie zonsopgang van enige dagen geleden zal hij door de dichte bewolking dit keer niet kunnen bewonderen. Dan pakt hij een potlood en papier en schrijft als in een trance.


de eenzaamheid liefhebben
en toch ook de mensen
met hun eindeloze verhalen*



* De laatste strofe is afkomstig van een gedicht uit de bundel ‘in licht en schaduw’ van Niels Snoek