vrijdag 16 februari 2024

Drijfsijsjes

 

Bij een T-splitsing wacht ik op mijn vriend De Stadsvogelaar. Een cettiszanger galmt zijn lied vanuit het riet. Ganzen en wulpen doorkruisen het luchtruim. Voel ik daar niet wat nattigheid? Zachtjes tikt iets op mijn jas. Op het water tonen zich kleine kringetjes. Het miezert. Mijn stemming zakt. Ik heb genoeg tijd van mijn leven in de nattigheid doorgebracht, gaf er vaak weinig om, maar nu heb er geen zin in.

Wij besluiten om naar het stadspark te gaan, dat doet mijn maatjes naam eer aan. Mijn twijfelend humeur stijgt weer. Terplekke vliegt een grote groep koperwieken over de boomkruinen, om in enkele daarvan neer te strijken. Wij stappen af, leggen onze fietsen aan de ketting en kuieren het park in.

Tussen takken bekleed met elzenproppen scharrelen een aantal putters rond en wat kleiner gespuis. Zij zijn moeilijk op naam te brengen. Het licht is te diffuus. ‘Laten we een stukje doorlopen en terugkijken’. Het helpt. Sijsjes! ‘Die met hun donkere kopje zijn de mannetjes’. ‘Misschien zit er ook een barmsijs tussen. Die heeft een rode kruinvlek. Net boven zijn snavel’.

Zo hobbelen wij samen tussen de nog winterkale bomen door. Halen herinneringen op van onze avonturen. Maken grapjes. En genieten vooral van de hobby die wij samen delen: vogelen.

Een tweetal buizerds zweeft ‘mauwend’ rondjes. Voor een baltsvlucht is het nog te vroeg, daarvoor maken zij duikvluchten. Alsof zij zich laten vallen en ineens weer opvliegen. Ik hoor een havik roepen. ‘Is dat er niet een?’ We overleggen. ‘Mmm, misschien een sperwervrouwtje, die is min of meer even groot als een havik mannetje’. ‘Ik zie ook geen witte heupvlek.’ Dit maakt het vogelen zo leuk. Het determineren en het genot van al het moois.

Op een plek waar hij ooit zijn eerste boomvalk had gezien, houden wij pauze en drinken wat warms. Over een pad, waarop door storm en onweer omgevallen bomen liggen, gaan wij verder. Op een plas dobbert wat ondefinieerbaar gevleugelte. Wij maken er drijfsijsjes van. ‘Een nieuwe soort.’

Zo kruipen de uurtjes langzaam voort. Een zanglijster zingt hoog in een boomtop. Soms is het een kunst om hem in beeld te vangen. Maar als je hem eenmaal hebt, is het puur genieten. Kenmerkend zijn de zwarte vlekjes op zijn borst in de vorm van een pijl.

Bij het naar huisgaan. Komt een toetje in onze gedachten. Wij schrijven allebei graag. Wij hebben allebei een blog en ik een stukje voor de krant. Veel leesplezier beste lezer en misschien ook wel vogelliefhebber. 


       

 Sijs man - foto Peter (De Stadsvogelaar) Ganzeboom

maandag 12 februari 2024

Op de fiets


de zon schijnt, koffie!
eenden dobberen terwijl
Costa del Spui gloort

 

 

wie o wie staat daar,
terwijl de havik met buit
hem vast gadeslaat?




daar ergens wacht thuis
nu zingt poëzie in mijn hoofd
jij hoort het vast ook ;-) 

 

vrijdag 9 februari 2024

Poëzie

Mensen inspireren elkaar. Zo schrijf en dicht ik graag. Soms zit de klad erin. Laat Femke nu ook aan het schrijven en dichten gegaan zijn. Zij zegt dat ik haar inspireer. Wel zij mij. 


Creatief met woorden

 

Zinderende zinnen

Zingen door mijn hoofd

Elke dag iets schrijven

Heb ik mijzelf beloofd

 

Het is een hele kunst

Al die woorden op papier

Een maand lang schrijven

Wordt een bundel vol plezier

 

Soms een mooi gedicht

Soms een gek verhaal

Maar altijd een genot

Om te puzzelen met taal

#


Ik kan niet achterblijven natuurlijk.

            Rijm

            zij prikkelt mij met dichten op rijm
            doe dat maar, liefst zonder dwang
            ik denk: plak maar achter ‘t behang
            bevrijdt je van het literair geslijm

            echter, ik zie tot mijn grote vreugd
            als ik mijn best doe, kan ik het ook
            thuis voelen in de taal is geen spook
            spelen met taal niet alleen voor jeugd

            alliteratie, ach dat mag schrijf maar
            ‘t gaat om het spel niet meer dan dat
            raak o raak ik nu een gevoelige snaar

            schrijf ik hier zowaar haast ‘n sonnet
            dat is, dacht ik zonet, zeker te zwaar
            poëzie blijft leuk zo is het maar net



maandag 22 januari 2024

Uit de krant

 Pieperdepiep

Hij zit aan een stamtafel van een ouderwets café. Voor hem ligt een stapeltje kranten die hij doorspit. Links naast hem een geurige kop cappuccino. Schuin tegenover hem zit een ander. Min of meer doet die precies hetzelfde, met dien verstande dat hij een praatje aanknoopt. ‘Nog wat leuks gelezen?’ ‘Nee, niet echt.’ ‘Wat zoek je?’ ‘Iets over piepers. Er zou een leuk stuk over in een krant staan.’ ‘Piepers?’ ‘Ja vogelsoorten.’

De beiden blijken interesse in de natuur te hebben, al wist een van hen wat minder van vogels. Van het een komt het ander. Een afspraak wordt gemaakt en zo staan zij in een voorjaar in een polder. Op een rasterpaal landt een klein grijsbruin vogeltje. Zijn borst een flanken zijn gestreept. Een graspieper.

Na een tijdje vliegt hij op. Hoog boven in de lucht begint hij zijn zang. 'psiep-psiep!' Als hij gaat dalen, spreidt hij de vleugeltjes, vouwt ze iets bol. Zo lijkt het net of hij aan een parachuutje hangt. Zijn zang heeft ook dalende en in snelheid aflopende tonen. Opnieuw zakt hij op de paal en kijkt nieuwsgierig om zich heen.

De piepers zijn best lastige soorten om te herkennen. Zo heb je ook een boompieper. Die komt neer in een boom zou je zeggen. Precies. Voor een niet ervaren vogelaar zijn het van die lastige soorten. Dat maakt het vogelen juist ook leuk.

Hij lijkt op de graspieper, heeft een iets dikkere snavel. De streepjes op zijn flanken zijn dunner dan die op zijn borst. Zijn zang klinkt iets anders dan bij de graspieper. Zij zijn wat feller, alsof er bommetjes exploderen. Zoiets. De tonen dalen en lijken te vertragen. Ze stoppen als de vogel in een boom landt.  

De beide vogelaars hebben het prima naar de zin en spreken nog een aantal keren af. De winters zijn nat de laatste jaren in ons kikkerlandje. Fikse en langdurige vorst ontbreekt. Op een dag, half in de ochtend, het is een graad of acht, staan de vogelaars bij een grasperceel. Langs een slootkant half verscholen achter pollen biezengras scharrelen wat vogels rond.

‘Zijn dat nou oeverpiepers?’ ‘Die zit hier niet’. ‘Kijk, zijn flanken zijn ook veel witter’. ‘En de streepjes op zijn vleugels zijn duidelijker.’ ‘Ja zeg’. ‘En moet je zien, zijn buitenste staartpennen zijn wit’. ‘Ik denk dat het een waterpieper is’.

Als de lucht betrekt en de wind iets aantrekt, breken de vogelaars op. Een fijne miezer is nauwelijks hoorbaar op de waterdichte winterjassen. Met de wind in de rug fietsen ze richting huis. Ver weg vliegt een clubje ganzen. ‘Kijk ze houden geen v-vorm. Dus, waarschijnlijk brandganzen. Die doen dat haast nooit.



 

dinsdag 9 januari 2024

Op weg naar elders

 

Half in de morgen stapt zij in de metro, knoopt haar jas los, neemt de muts van het hoofd, vouwt hem op en propt hem in een jaszak. ’t is warm genoeg. Bij elke stop kijkt ze naar de passagiers die instappen en tovert een glimlach rond haar mond. Het schijnt dat die lach stofjes in haar hoofd losmaakt waarbij zij zich prettiger gaat voelen. Het werkt. Een klein uur later stapt ze het fotomuseum binnen. 



    het lijnenspel
    de compositie
    de grap

    strijkt de man het natuurschoon glad,
    zoals het gazon achter hem
    of kan hij het beter laten zijn
    zoals het is?




    gezellig niet?
    vijf stoelen, een asbak
    en entertainment in de hoek

    niemand te zien -
    vertier in eenzaamheid
    op de smartphone?




    ik wil weg
    verlang naar
    Vlaanderens Mooiste

    zoals de man
    kromgebogen

    over het stuur
    tegen de wind in


Op de weg naar huis stopt de metro. Een zwaan is op het spoor geland. Die kan niet meer voor of achteruit. Het is wachten op de dierenambulance. Met een onwrikbare glimlach probeert de reizigster er geen probleem van te maken. 




zaterdag 6 januari 2024

Verlangen naar thuis. - Toen, nu en later.

Langzaam wordt de dag wakker, ondanks dat de zon zich nauwelijks laat zien. Er botst door vlagen wind voortgedreven miezer tegen de ramen. Ik voel mij thuis waar ik ben. Een veilige plek waar ik mag zijn en niet in twijfel wordt getrokken in mijn doen en laten.

Thuis is hier of daar waar al de pogingen om te zijn, ontsnappen, ophouden te bestaan. Het kan ‘overal en nergens’ zijn. Bij mijzelf zijn, is het inzicht, dat is het thuisgevoel. Ik houd het in gedachten. Wat ook in mijn gedachten is, is de geur van vers gezette koffie. Ik mis het, maar voel mij toch thuis. De entourage, en mijn gedachten aan toen, vergoeden veel.

De koelkast slaat aan. Van ver tikt de klok, terwijl hij toch dichtbij is. Met mijn handen wrijf ik zuchtend over mijn gezicht, want opeens verschijnen de letters die ik typ op niet bestemde plekken in mijn tekst. De cursor zal verschoven zijn. Schrijven is een plek voor mijzelf vinden. Ik voel mij er in thuis. Soms is dat lastig. Thuis is dan dubbel. De rust die ik dan zoek in mijn hoofd is dan even zoek. Het is dus moeilijk om de baas in eigen huis te zijn. Waar begint mijn verhaal nu eigenlijk? Dichtbij, in het hier en nu? Ver weg, in het verleden, of in de toekomst. Dat laatste is zo raar nog niet, want een schrijver leeft ook in een fictieve wereld. Het is een kwestie van jezelf verplaatsen naar een andere plaats en tijd waarin je dan ‘werkelijk’ bent.

Het aircorooster bij de buren kleppert. Mijn schrijven hapert. Onrust steekt de kop op. Buiten wordt het lichter. Mijn stoel schuif ik naar achteren, even naar buiten kijken. Binnen voel ik mij thuis, buiten ook. Omringd door stilte, weidsheid, wind die langs mijn oren en wangen waait. De andere kant van mijn mij thuis voelen. Beiden kan ik niet weerstaan. Herinneringen aan toen, thuis zijn in het nu, denken en verlangen naar de toekomst. Je thuis voelen kan oneindig zijn.   

dinsdag 2 januari 2024

Hai Koes

 

grenzen opgelegd -
blijken krijtstrepen te zijn
zij zijn uitwisbaar

thuis in mijn dromen -
buiten, weidsheid, jij en ik
de hemel zo blauw

verlangen naar thuis
terug naar de veiligheid
daar waar je echt bent