‘Ik kan er niet bij. Haal jij het keukentrapje eens' roept Robin naar zijn vrouw.
Die loopt naar de schuur.
‘Ik zie hem niet. Waar staat hij dan?’
‘Op zolder misschien, naast de behangtafel.'
Een
hardnekkige voetblessure weerhoudt mij ervan om vogeltochten langs het
Haringvliet te maken. Ik zal het op de fiets dichter bij huis moeten zoeken.
Dat daar ook van alles te beleven is, vertelt volgende verhaal.
Het is
vroeg in de ochtend als ik op een ‘vergeten’ weiland mijn kampement maak: een
krukje, een telescoop, een rugzak met proviand. Mijn fiets staat verderop tegen
een es geparkeerd. Het uitzicht is optimaal. Links van mij liggen akkers,
waarop rijp bruin tarwe wacht om gedorst te worden. Voor mij groeit een
elzenhaag waarin kleine zoogdieren zich verschuilen. Groepjes ringmussen fladderen
dat het een lieve lust is. Rechts van de elzen staat een enorme
hoogspanningsmast, waarin het doel van mijn expeditie is gelegen: De boomvalk.
Hoog boven
op het uiterste puntje van een traverse beweegt in een oud kraaiennest het
kopje van een vrouwtje boomvalk. In ieder geval is zij dus aan het broeden. Nu
is het wachten totdat het mannetje met een prooi komt aanvliegen. Dat kan soms
uren duren, zeker als er net een prooi is gebracht.
Vanaf de
dijk schiet er een grijs silhouet de elzenhaag in. Houtduiven en klein
gevogelte vliegen op uit het gebladerte. Ze worden achternagezeten door de
boosdoener. Een sperwer. Of die een prooi slaat blijft ongewis, want hij
verdwijnt uit het zicht achter de haag.
Niet lang
daarna hoor ik het vrouwtje van de boomvalk roepen. Zij heeft het nest verlaten
en trekt baantjes door de lucht. Vanuit een onverwachte hoek komt het mannetje aangevlogen.
In zijn poten ligt een prooi geklemd. Deze wordt overgedragen aan het vrouwtje,
die er wat van opeet. Het grootse deel is, wat later blijkt, voor haar twee
jongen.
Als de
rust is weergekeerd en ik ‘verveeld’ om mij heen kijk, is er ineens tumult op
de dijk. Drie bestelbusjes komen aangereden. De deuren schuiven open. Mannen
stappen uit en proberen het hek dat naar de mast leidt te openen. Een enorme
lakenvelder stier, die briest en met zijn hoef over de grond schraapt houdt hen
tegen.
Alarm. Dit
zijn vast de schilders die al dagenlang de masten aan het opknappen zijn.
Broedende vogels zijn in Nederland beschermd volgens de vogelwet. En een
schaarse broedvogel zoals de boomvalk, mag in mijn ogen al helemaal niet
verstoord worden. Op mijn fiets hobbel en bobbel ik door het weiland naar het
hek dat mij van de schilders scheidt. Vandaar zwaai en roep ik naar hen. Niet
veel later sta ik een van hen te woord. Hij heeft begrip voor de situatie en na
het plegen van een paar telefoontjes, verraadt opwaaiend stof de aftocht van de
schilders. De boomvalk is gered.
Want daar achter de hoge bergen ligt het land Van Maas en Waal.
De lange stoet
van het circus van Jeroen Bosch moet vanuit het diepe Zuiden richting dit oer
Hollandse landschap getrokken zijn, want bergen zijn hier niet te bekennen; wel
een fonkelend wetlandje, dat te midden van de uiterwaarden ligt.
Het is nog
redelijk vroeg in de ochtend als ik mijn auto naast een in bloei staande
vlasakker parkeer. De lucht licht bewolkt, zindert van de insecten. Het is dan
ook niet vreemd dat de gierzwaluwen het druk hebben. Als ik uitstap stoot ik
mijn arm tegen de claxon. Geschrokken kijkt een echtpaar, hij met verrekijker
en zij met een fototoestel waaraan een enorme telelens is bevestigd, naar mij
op. ‘Sorry’, roep ik. ‘Geeft niet, kan de beste overkomen. Een fijne dag nog’.
Vriendelijke mensen, zij bestaan nog.
Over het riet
kijk ik naar het drassige gebied erachter. Zeker vijftig lepelaars maaien met
hun snavels door het water. Behoedzaam drijven volwassen kluten hun jongen naar
ondiepe gedeeltes. Op een draad, die als afscheiding dient, zitten twee jonge grasmussen.
Zo om en nabij de twee minuten komt een van de ouders met een lekker hapje, dat
dankbaar wordt opgepeuzeld. Ik struin langs de kruidenrijke weelde die steeds
rijker aan geur en kleur wordt. Een piepje dat lijkt op een niet gesmeerd
wieltje maakt dat ik stil ga staan. Een klein bruin vogeltje met een roestbruin
staartje blijkt de voortbrenger van het geluidje. Een blauwborst schiet het door
mijn hoofd. En ja hoor als hij zich omdraait en voluit gaat zingen, straalt het
witte vlekje weergaloos vanuit het diepblauwe borstje waaraan het vogeltje zijn
naam dankt.