donderdag 26 februari 2015

Die ene noot



Langzaam sla ik de pagina’s van het dagblad om en lees de vet gedrukte koppen met de inleidende alinea daaronder. Op de pagina kunst en cultuur blijven mijn ogen langer rusten. Een recensie verhaalt over een optreden van een beroemde jazztrompettist in Amsterdam.



Onverstoord speelt het begeleidingstrio voort. De trompettist is in geen velden of wegen te zien, laat staan te horen. Als ook het derde nummer trompetloos wordt ingezet stijgt de spanning in de zaal tot een hoogtepunt. Jazzfans wippen ongedurig op hun stoel en hier en daar klinkt gemompel. Dan opeens is hij daar. Het trio dempt de muziek. Hij brengt de trompet naar zijn lippen. Vingers beroeren razendsnel de drie ventielen. Even bollen de wangen. Dan beweegt de trompet weer omlaag, terwijl hij in trance naar de vloer van het podium kijkt. Pas na een pianosolo als de bassist met een blik van verstandhouding naar hem knikt, brengt hij opnieuw de trompet naar zijn mond. Hij blaast één noot. Een noot zo zuiver geblazen, zo precies getimed, dat meerdere noten blijkbaar niet nodig zijn. De trompettist trekt zich dan ook terug achter de coulissen om zich die avond niet meer te laten horen. Toch klinkt vanuit de zaal geen enkele wanklank. Men wist, dit was de ultieme noot. Daarmee is de jazz volmaakt.



wonderlijk moment
na deze finalenoot
is jazz voorbij



Merkwaardig toch, dat één enkele noot zoveel ontroering teweeg kan brengen, dat men zwijgt. Natuurlijk muziek kan mij ook raken, maar één enkele noot? Vanaf het moment dat ik het artikel las, ben ik op zoek naar de ene noot die mij kan raken. Ik vind hem niet, kan hem niet isoleren. Tot vanochtend. Ik luister naar Erik Saties Gnossienes en raak geroerd. Het moet in theorie de laatste noot van dat moment zijn. Telkens weer skip ik heen en weer over de cd. Ik kan hem niet meer vinden die ene noot en geef het op.

’s Avonds luister ik opnieuw naar Satie. Al vanaf de eerste noten wordt ik meegevoerd door sombere klanken en houd het niet droog. Was het de laatste noot die een traan in een hoek van mijn oog deed opwellen?



Satie’s Gnossienes
tedere pianoklanken
raken mijn ziel




vrijdag 13 februari 2015

Het ijs is gebroken



Eerder



Na een intermezzo van een half jaar trokken wij er samen weer een dag op uit. Het was als tasten in het duister. Wat kon gezegd worden en wat niet. Op zijn vraag:”Wat vond je ervan?” antwoordde ik “Als vanouds”. Maar toch ontbrak er iets, ondanks dat de dooi was ingetreden.



Later



De dag is grijs als Peter en ik over de duinreep lopen. De Kwade Hoek ligt aan onze voeten. Het is stil, maar weinig vogels laten zich horen of zien. Wij keuvelen over van alles en nog wat, als een havik over een duinpan scheert. Op een heggenmus na, die zijn zang vanuit een meidoorn laat horen, ligt ook Het Zuiderdiep er verlaten bij. Tijd voor een boterham. Omdat het koud is, besluiten we om bij De Mekkerstee een kop koffie te halen. Langs de molen van Goedereede rijden we naar de Oostdijk. Plotseling stop ik de auto. Een pracht van een Brabants trekpaard trekt mijn aandacht. Vanachter zijn lange donkere manen staart hij ons nietszeggend aan. “Hallo, Roy Donders”, roept Peter hem toe nadat hij het zijraampje neer heeft gelaten. Lachend maken we grappen en grollen. Als ‘Roy’ met zijn hoeven over de grond begint te schrapen als teken: Nu is het genoeg, rijden we lachend verder. Op een laan omzoomd met beuken schiet ik bij de gedachten aan ‘Roy’ onbedwingbaar in de lach. Ook Peter schiet in de lach en houdt zijn ogen niet droog. Om ongelukken te voorkomen parkeer ik de auto aan de kant van de weg. Het ijs is gebroken.



Nog nalachend staan we later in het restaurant van De Mekkerstee, een geitenboerderij annex restaurant. De boerderij wordt mede geleid door mensen met een verstandelijke beperking. Ik schuif het dienblad, waarop kopjes koffie en een dikke plak cake, over de stalen rand langs de balie. Bij de kassa wordt ik geholpen door een vriendelijk meisje. Even traag als de bediening werkt ook de pinautomaat. “Ik schiet bijna wortel”, zeg ik tegen het meisje. Glimlachend wijst ze op een smalle sticker. Ons apparaat heeft een trage verbinding met de bank - excuses. Genietend van de koffie en de gemoedelijke sfeer maken we plannen voor het laatste deel van de dag. We besluiten naar het Volgerland te gaan.



Terwijl ik worstel met de poten van mijn statief, mompelt Peter iets over een visarend. Schijnbaar achteloos sluit ik de auto en kuier naar hem toe. De visarend blijkt een zeearend en landt op nog geen driehonderd meter bij ons vandaan achter een kreek op het land. Nog geen minuut later arriveert een tweede exemplaar. Als ze beide later opstijgen en aanstalten maken om een prooi te slaan, ziet de lucht zwart van de eenden, ganzen en steltlopers. Peter schiet enthousiast tientallen foto’s van de arenden die intussen met elkaar aan het bakkeleien zijn. Ik volg ze met mijn telescoop. In een van de klauwen bungelt levenloos een flinke vis. Wat een dag. Voldaan rijden we later huiswaarts. Het is als uitbuiken na een copieuze maaltijd.

Hetzelfde verhaal maar dan met andere ogen gezien is te lezen op: http://peterdestadsvogelaar.blogspot.nl/

zondag 8 februari 2015

Mijn moeder



Goedemorgen mevrouw Cotton,
hij is er nog niet hoor, klinkt het
uit de vrolijke verkoopsterstem.

De vrouw loopt gebogen verder,
in het rollatormandje ligt de tas
gevuld met boodschappen.

Ze maakt haar  dagelijkse rondje
voor zover het nog kan, pijn en
verdriet worden dan even vergeten.

Als ze thuis haar jas heeft uitgedaan,
en zich nestelt in haar luie stoel, dan
ziet zij zichzelf voor ogen.

Even alleen, zonder zorgen,
een kopje thee en in haar hand
de nieuwste Jerry Cotton. 

vrijdag 6 februari 2015

Moed en weemoed



Als de sleutel in het slot is gegleden, draai ik hem een kwartslag om. De schoot schuift met een zachte klik uit de sluitkom. Daarna duw ik tegen de deur. Hij klemt. Voorzichtig duw ik iets harder. Hij geeft maar net genoeg mee om binnen te draaien. Achter de deur staat mijn vader alsof hij zich voor mij verstopt. Hij draagt een nieuwe winterjas en aan zijn voeten een paar sloffen. Op mijn vraag wat hij van plan is antwoordt hij, “We gaan toch naar het ziekenhuis”. “Nee”, zeg ik. “Ma is daar naar toe en ik kom ondertussen bij jou op visite”. Verward gaat hij zitten in zijn stoel bij het raam. “Hou je jas maar aan, het is mooi weer we kunnen best een eindje gaan wandelen”. Nadat ik zijn schoenen heb aangedaan pakken we de rollator en gaan naar buiten voor een kleine wandeling achter het huis. Weer denkt hij dat we naar het ziekenhuis gaan. Als de lucht donker wordt en mijn vader vermoeid raakt houden we halt. Ik zet de rollator op de rem zodat mijn vader veilig op het plateau daarvan kan gaan zitten. Voor de lucht die intussen inktzwart is, golft een grote gele kwikstaart voorbij. De eerste hagelkorrels vallen. Vlug maar voorzichtig schuifelen we naar huis, waar we nog net voor de bui naar binnen gaan. Daar speurt hij in alle vertrekken en vraagt, “Waar is je moeder toch, ik kan haar nergens vinden”. Vertederd kijk ik hem aan en zeg, “ga maar zitten pa, die komt dadelijk thuis”.

drie uur - middagthee
moeders gebakken koekjes
weemoed naar vroeger

dinsdag 20 januari 2015

Et tunc visa est semel mori Rothko

Eenzaam sta ik in een door mensen verlaten museumzaal. Dat is niet verwonderlijk gezien de matige kunst die aan de wanden hangt. Het verbaast mij dan ook dat het gerenommeerde Haags Gemeentemuseum dergelijke kunst aan de wanden durft te hangen. Op het eerste gezicht lijken ook de werken van Rothko weinig indruk op mij te maken. In de media las ik dat verschillende mensen huilend voor de werken stonden, zoveel effect veroorzaakten de schilderijen. Toch halverwege mijn rondgang raakt een op het oog egaal bruin doek mij. Ik zie langzaam verschillende kleurnuances verschijnen en ontwaar zelfs een soort van schim in het midden van het doek. Kunst moet je beleven, ondergaan, er de tijd voor nemen zodat zij je kan grijpen. Met dat idee in gedachten besluit ik om na mijn eerste tour de doeken opnieuw te bekijken. Op het moment dat ik de zaal verlaat, wordt een oude en zieke vrouw op een brancard de zaal binnen gereden. Broeders staan om haar heen. Ik ben toeschouwer, meer niet. Later sta ik opnieuw voor een groot donker doek. Een oase van rust valt over mij heen. Een tinteling van emoties trekt over mijn lijf en armen? Spiritueel of religieus wil ik de kunstwerken niet noemen. Zij zijn eerder meditatief. Zo wandel ik verder, in en soort van roes en aangedaan. Later staar ik naast de doodzieke vrouw van zoeven, naar het doek met de schim in het midden. Haar huid is als was. Nog eenmaal Rothko zien, schiet mij te binnen. Geroerd verlaat ik de zaal.


Zijn kleuren
zuigen je
naar binnen
naar achter
het benoemen
van dit en dat
het dagelijkse

zij zijn als de akker
waarin de schat
verborgen ligt
blijf maar kijken
hier is het
roepen de kleuren
hier is het stille zijn

dinsdag 13 januari 2015

Als echte jagers



Gebukt sluipen de twee mannen langs het dode riet. Op de oever, aan de overkant van het water, zit een bever voorovergebogen. Hij knaagt aan een wilgentak die hij ronddraait tussen zijn poten. Zijn staart ligt half onder zijn achterlijf. Voorzichtig stappen de twee verder naar een nog betere uitkijkpost. Als ze ter plekke opkijken, zien ze nog net de bever in het water glijden. Kalm nadert hij het tweetal tot op zeven meter, dan duikt hij onder. Het laatste wat zij zien is de klap van de platte staart. Een kleine zuil van water spat omhoog. Die dag zal de bever zich niet meer laten zien. Jagen is geduld hebben. Telkens opnieuw proberen een ‘prooi’ te vangen. De beloning, een beleving zoals hierboven omschreven, daar kan geen enkele natuurfilm tegenop.



zware boeggolven
zijn platte staart stuwt hem voort

dan duikt hij onder