I
De
warme gloed van de bladeren aan de boom achter het huis, trekt al dagen mijn
aandacht. Het gekleurde blad wacht op een laatste zucht wind, om later
definitief tot humus te vergaan.
de lucht geladen
palet van warme kleuren
gedragen door wind
II
Op
de graslanden in de polder, nog verzadigd door het overvloedige hemelwater,
rusten honderden kieviten en goudplevieren. Hoog boven hen zweeft een grote
zilverreiger. Zijn zwarte poten contrasteren met zijn smetteloze kleed.
de zilverreiger
zijn vleugels zacht transparant
onder blauwe lucht
III
“Meneer,
meneer, een havik”, roept het meisje enthousiast naar mij. Ik knijp in de
remmen van mijn fiets en stop pal naast haar. “Een havik”, zegt zij opnieuw en
knikt met haar hoofd. Verderop staat, nauwelijks te zien door de dikke mist,
een grote vogel naast een molshoop. “Dat is een blauwe reiger”, vertel ik haar.
“O”, zegt ze. “Ik dacht een havik”.
vochtig herfstblad
de wereld wordt groter
traag verdwijnt de mist